Martin Ros gefascineerd door beruchte collaborateurs

Collaborateurs met het Derde Rijk waren er in soorten en maten: Flaminganten, collabo's, jakhalzen, het Indiase legioen van Subhas Bose, de Roemeense IJzeren Garde, de Hongaarse Pijlkruisers en vele anderen....

JAKHALZEN VAN het Derde Rijk is een boek over de ondergang van enkele beruchte collaborateurs die hun hoop hadden gesteld op de Nieuwe Orde van het Derde Rijk. De auteur, Martin Ros, noemt het de 'dramatische ondergang van hen die de tragikomische jakhalzen werden van het Derde Rijk', en daarmee is de toon gezet.

Want dramatisch waren de door Ros met veel overgave beschreven gebeurtenissen tijdens de Götterdämmerung zeker. De Flaminganten, de Franse collabo's, de Engelse Jackals of the Reich, de kleurrijke Russische fascisten, het Indiase legioen van Subhas Bose, de Roemeense IJzeren Garde, de Hongaarse Pijlkruisers - voor de een waren het helden uit de Ilias, voor de ander verraders.

Ros beschrijft deze bonte verzameling figuren met verve. Hij doet dat met des te meer gemak, aangezien zij deel van zijn wereld zijn gaan uitmaken: elke hele of halve collaborateur die Europa rijk was, heeft de afgelopen 25 jaar wel eens zijn opwachting gemaakt in een van Ros' literaire rubrieken.

Niet allen waren onvoorwaardelijke bewonderaars van Hitler. Sommige Russische fascisten, maar ook Drieu la Rochelle, Bose en Mussolini hebben in die laatste dagen hun hoop zelfs nog even op Stalin gesteld. Maar hoe wispelturig in ideologisch opzicht ook, de meeste 'jakhalzen' van Ros verloochenden, toen het erop aankwam, hun trouw aan de Führer niet en tekenden daarmee hun eigen doodvonnis.

Soms steekt Ros zijn bewondering niet onder stoelen of banken, zoals voor de Franse collabo-schrijvers of voor de 'kristalheldere vitaliteit' en 'superbe tegendraadsheid' van de Noorse schrijver Knut Hamsun, die hij als kind met rode oortjes las omdat hij hem de opwindende wereld van de literatuur binnenvoerde.

Opwindend zijn ook de laatste weken van de Franse collabo's in het Hohenzollernkasteel Sigmaringen in Zuid-Duitsland. Rond de onverstoorbaar snurkende maarschalk Pétain blijven zij om de macht kuipen, een macht die ze nooit meer zullen kunnen uitoefenen. Luguber is ook de - veel minder bekende - schemerwereld van Mantsjoerije waar een curieus gezelschap van fascisten, joden en avonturiers elkaar het leven ondraaglijk maakte.

Maar gaat het wel om jakhalzen, met alle associaties van lafheid en bloeddorst die daarbij horen? Eigenlijk is de benaming alleen van toepassing op de Franse dokter Petiot. In zijn Parijse appartement vergaste hij tientallen joden, waarna hij ze aan stukken sneed, zonder dat hij zich overigens 'drastisch' in het fascisme had begeven, zoals Ros schrijft over zijn andere 'jakhalzen'. Maar lang niet allen die Ros tot zijn jakhalzen rekent, hebben zich met zulke gruwelijke excessen ingelaten.

Voor de onschuldige lezer lopen de collaborateurs, fascisten, opportunisten en idealisten elkaar in dit boek nogal eens voor de voeten. De Russische generaal Vlassov, die zich als krijgsgevangene aansloot bij de Duitsers, en de groot-moefti van Jeruzalem kunnen zeker niet eenduidig fascisten worden genoemd.

De Franse literaire collaboratie mag dan vooral een allegaartje zijn geweest, zij heeft ook nog iets te maken met de geheel andere cultuurpolitiek die de Duitsers in Frankrijk voerden. Niet voor niets merkte Sartre over deze periode op: 'Wij zijn nog nooit zo vrij geweest als tijdens de bezetting.'

De communist Malraux bewonderde de fascist Drieu la Rochelle, de collabo's bewonderden op hun beurt communisten als Aragon en een pacifist als Giono sloot zich aan bij de Nieuwe Orde. Dat zegt niet alleen iets over de complexiteit van het probleem van de collaboratie, maar ook over de aantrekkingskracht van het fascisme op Franse intellectuelen.

Ros beseft dat er een taboe rust op zijn nauwelijks verholen fascinatie voor de collabo's, dus af en toe leest hij deze schrijvers alsnog de les. De onlangs overleden filosoof Cioran en de schrijver Marcel Jouhandeau worden bijvoorbeeld door hem aan hun antisemitisme herinnerd. Wie verder niets van hun werk heeft gelezen, zal zich na lezing van dit boek waarschijnlijk niet meer zou gauw aan deze auteurs wagen en dat kan toch ook Ros' bedoeling niet zijn.

Om Jouhandeau vanwege één antisemitisch boek een 'zeker zo demonisch' antisemiet te noemen als de pamflettist Rebatet, wiens hele werk van rabiate jodenhaat doortrokken is, betekent dat je de verhoudingen uit oog hebt verloren. Bovendien is het niet moeilijk de lijst van schrijvers van die generatie, die zich tot antisemitische uitlatingen hebben verlaagd, uit te breiden met bijvoorbeeld Romain Rolland, Valéry, Gide en Giraudoux.

Historische nuance is kennelijk niet Ros' eerste zorg geweest. Iemand die het Franse woord collabo in de mond bestorven ligt, zou zich bijvoorbeeld ook in een ander opzicht kunnen aanpassen aan het Franse taalgebruik en zijn voordeel kunnen doen met het door historici ingevoerde onderscheid tussen 'collaboration' en 'collaborationisme'.

Pétain, als vertegenwoordiger van het traditionalistische Frankrijk, is een goed voorbeeld van de eerste groep, terwijl echte fascisten als Doriot en Déat werden gedreven door het collaborationisme. Het respectabele rechts van de held van Verdun, Pétain, en niet zozeer het collaborationisme van Déat en Doriot (of in de literatuur Brasillach en Drieu) heeft de collaboratie voor veel Fransen aanvaardbaar gemaakt.

Natuurlijk waren de grenzen tussen collaboratie en collaborationisme niet altijd duidelijk te trekken en aan het eind van de oorlog verloren ze zelfs hun betekenis. In ieder geval was Hitler slim genoeg om liever gebruik te maken van traditionele conservatieven als Pétain in Frankrijk, Antonescu in Roemenië en Horthy in Hongarije dan van de fanatieke en veel minder populaire fascisten.

Pas toen de militaire ineenstorting nabij was, speelde Hitler ook deze laatste troef uit; pas toen liet hij Horthy vallen voor de collaborationist Szalassi en steunde hij in Roemenië de collaborationist Horia Sima. Toen ook aanvaardde hij de hulp van de troepen van generaal Vlassov en van de Franse SS-vrijwilligers. Hun werd de laatste eer gegund zich op te offeren voor de Führer.

Maar het was dezelfde Führer die over hun inspanningen het meest pijnlijke vonnis uitsprak. Toen hij op de hoogte werd gesteld van de heldenmoed van de Franse SS'ers van de divisie Charlemagne, die in de smeulende puinhopen van Berlijn stand bleven houden tegen het Rode Leger, moet hij hebben gezegd: 'Zij hebben nergens toe gediend', waarmee hij het definitieve failliet van het collaborationisme onderstreepte.

Dick van Galen Last

Martin Ros: Jakhalzen van het Derde Rijk - Ondergang van de collabo's.

De Arbeiderspers; ¿ 36,90.

ISBN 90 295 3621 7.

Meer over