Man van ouvertures

Johan Wagenaar maakte schitterende ouvertures, maar waagde zich zelden of nooit aan grootschalig werk. Nu is er een gedegen boek over zijn muzikale nalatenschap - maar zonder discografie....

'Met deze ouverture telt Wagenaar mee onder de acht of tien werkelijke componisten die Europa op dit ogenblik bezit', noteerde de componist Alphons Diepenbrock in 1905. Hij had het over de Ouverture Cyrano de Bergerac uit hetzelfde jaar, een stuk dat tot op de dag van vandaag repertoire heeft gehouden, en menig luisteraar benieuwd moet hebben gemaakt naar de bijbehorende opera. Helaas, Johan Wagenaars ouvertures waren wel bedoeld als openingen, maar van orkestprogramma's en niet van opera's. Hij waagde zich zelden of nooit aan het grootschalige werk. Weliswaar schreef hij verscheidene theatrale stukken, waaronder de opera's De Doge van Venetië en De Cid, maar die hadden alle een parodistische invalshoek - een van de eigenschappen die Wagenaar al tijdens zijn leven op kritiek kwam te staan.

Dat neemt niet weg dat hij aan het begin van de vorige eeuw een van Nederlands meest vooraanstaande toondichters was. Het is dan ook betreurenswaardig dat de ijver waarmee voormalig Concertgebouworkest-dirigent Riccardo Chailly zich inzette voor zijn werk geen blijvende sporen heeft nagelaten. Zelfs de cd met Wagenaar-werken die Chailly in 1990 opnam is al jaren niet meer leverbaar. Als Wagenaars werk nog ergens op cd te vinden is, is het te midden van werk van tijdgenoten of in dozen met historische opnames.

Het zijn juist zulke verwijzingen naar de muziek die ontbreken in de onlangs verschenen biografie die is geschreven door Johannes Wagenaar, achterneef en naamgenoot van de componist. Het boek bevat weliswaar een complete werkenlijst en een gedegen kenschets van Wagenaars muzikale nalatenschap, beide van de hand van musicoloog Jaap van Benthem, maar voor een discografie - hoe bescheiden en tijdgebonden misschien ook - was blijkbaar geen plaats.

Wagenaar (1862-1941) was niet alleen componist, maar ook een vooraanstaande figuur in het vaderlandse muziekleven, die decennia lang door zijn vakgenoten gerespecteerd werd om zijn vakkennis, zijn organisatietalent en zijn vermogen om compromissen te sluiten. Een groot deel van zijn leven bracht hij door in zijn geboortestad Utrecht, waar de plaatselijke muziekschool onder zijn leiding zo opbloeide dat ze kon uitgroeien tot een conservatorium. Vanaf 1919 was hij directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Arbeidzaam als hij was ging hij pas in 1937 met pensioen, op zijn 75ste.

Wagenaar zelf, zijn broers en zussen en ook hun nazaten hebben hun leven lang last gehad van wat met een eufemisme hun 'familieverhouding' genoemd werd. Ze waren namelijk onechte kinderen, geboren uit de verhouding tussen de patriciër Cypriaan Berger van Hengst en het dienstmeisje Johanna Wagenaar. Berger van Hengst bleef zijn geliefde weliswaar levenslang trouw, en zorgde dat zij en hun kinderen in materieel opzicht niets te kort kwamen, maar het feit dat ze uit een buitenechtelijke relatie voortkwamen was een odium dat zich voortzette tot in het tweede geslacht - misschien wel tot in het derde, want Wagenaar junior besteedt er veel aandacht aan, en meent zelfs dat het minderwaardigheidsgevoel van zijn oudoom mede bepalend is geweest voor diens compositorische ontwikkeling.

Wagenaars levensverhaal krijgt daardoor in elk geval een smeuïge opening en ook het vervolg, waarin wordt beschreven voor welke strubbelingen Wagenaar en zijn latere echtgenote Dina van Valkenburg kwamen te staan toen hun ontluikende romance op verzet van de aanstaande schoonouders stuitte, is aangename kost.

Het vervolg is wat prozaïscher, en beschrijft op systematische wijze de verschillende facetten van Wagenaars veelzijdige muzikantenpersoonlijkheid: behalve muziekschooldocent en -directeur was hij ook organist en dirigent, en bekleedde bovendien tal van bestuurlijke functies. Het Utrechtse muziekleven komt uitvoerig aan bod, inclusief de wat kleinsteedse aspecten: zo waren het genootschappen als de Shelfishclub en de Muzikale Kring waar de grondslag werd gelegd voor Wagenaars parodistische stijl van componeren. Die vond in 1889 zijn eerste neerslag in de humoristische cantate De Schipbreuk, die alras een grote populariteit genoot en flink bijdroeg aan de faam van de componist.

De research die aan het boek ten grondslag ligt, is goed, de uitwerking deugdelijk, maar een iets krachtiger hand van redigeren had geen kwaad gekund. Kromme zinnen als 'Gevolgd door een pittig Scherzo en een uitbundige Finale verovert de jonge Wagenaar met dit werk zich de zekerheid als componist op eigen benen te kunnen staan' zijn iets te talrijk. Ook is de evaluatie van Wagenaars betekenis als componist dermate genuanceerd dat ze een beetje zuinig aandoet. Wagenaar was op zijn beste momenten een bevlogen componist - en wat dat betreft is het goed dat de geestdriftige commentaren van Diepenbrock en Chailly niet ontbreken.

Meer over