Column

'Mag je geheime inlichtingen gebruiken voor politieke doeleinden?'

Ten tijde van de Nieuwmarktrellen hield het stadsbestuur bewust zaken achter over wie er achter een voorkomen bomaanslag zat. Veel lijkt er helaas niet veranderd in de manier waarop informatie van inlichtingendiensten wordt gebruikt voor politieke doeleinden, schrijft Meindert Fennema.

Oktober 1980: met een uit de grond gerukt verkeersbord rammen vernielzuchtige jongelui 's middags een van de van onbreekbaar glas vervaardigde ruiten van het metrostation Nieuwmarkt uit de sponning.Beeld anp

De Amsterdamse metro is vanaf haar begin omstreden geweest. De actievoerders van de Nieuwmarktbuurt verzetten zich halverwege de jaren zeventig tegen de afbraak van hun buurt die het stadsbestuur van Amsterdam nodig vond om de Oostlijn - die vanaf het Amstelstation via de Wibautstraat naar het Centraal Station moet lopen - te laten graven. In de gemeenteraad was links heftig verdeeld over deze plannen. PvdA en CPN waren vóór de metroaanleg. PPR en PSP waren fel tegen. In zijn autobiografie Diepvriesfiguur schetst Roel van Duijn de grimmige stemming binnen het college van burgemeester en wethouders.

De Nieuwmarktrellen zijn in die tijd ongemeen fel en dreigen uit de hand te lopen. Men vreest nog meer geweld. Dan wordt op 14 februari 1975 bekend dat er een bomaanslag op de metro beraamd is, die op het laatste moment door de politie verijdeld wordt. Het is vlak voor een geplande demonstratie in de Nieuwmarkt en de mislukte bomaanslag wordt door burgemeester Samkalden en de wethouders van PvdA en CPN, maar ook die van de PSP (Huib Riethof), in verband gebracht met de Nieuwmarktactivisten. Zij stellen een verklaring op met die strekking, die PPR-wethouder Van Duijn weigert te ondertekenen. Het verzet in de Nieuwmarktbuurt, schrijven zij, heeft 'kennelijk tevens het oogmerk [...] het stelsel van onze democratie te ondermijnen.'

Niet veel later wordt bekend dat de bomaanslag het werk is van de rechtsradicale 'groep 7' rond Joop Baank, die voor die mislukte aanslag ook veroordeeld zou worden tot 4 maanden celstraf. Een wel heel lage straf voor een daad van politieke terreur die bedoeld was om de tegenstanders van de metro in diskrediet te brengen.

Verraad
Van Duijn laat zien dat burgemeester Samkalden op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de mislukte bomaanslag niet het werk was van Nieuwmarktactivisten. In een onlangs verschenen biografie van Joop Baanks, Bom onder de metro, geschreven door zijn vrouw Lotte Ruiter, wordt die visie onderschreven. Baank meent dat hij was verraden door Max Lewin, die met de inzichtendiensten samenwerkte, en mogelijk door zijn eigen vrouw.

In diezelfde biografie bevestigt Baank - hij had dat al eerder gedaan in een uitzending van Andere Tijden in 2005 - dat hij ook betrokken was bij de ontvoering van Roel van Duijn in april 1970. Hij was toen nog raadslid. De beschrijving die Van Duijn geeft van die ontvoering (hij wordt bij Wustweezel met een dreigbrief uit de auto gezet) stemt vrijwel volledig overeen met die van Baank. Deze is voor die ontvoering nooit veroordeeld. Uit zijn biografie blijkt nu dat hij wel verhoord is, maar ook weer vrijgelaten. Veel werk lijkt de politie er niet van gemaakt te hebben. Baank had een man bij zich die Van Duijn in de auto dwong, en een vrouw, Marie, die als lokvogel dienst deed. Zij had Van Duijn gebeld voor advies. Volgens Baank zaten er zelfs twee vrouwen in de auto waarmee Van Duyn ontvoerd werd.

Is het is tekenend voor die tijd dat er aan politiek zo weinig justitiële aandacht werd besteed?

Baank doet heel luchtig over de ontvoering van Van Duijn: het was eigenlijk een ludieke actie. Dat hij zelf lid was van een schietvereniging en een prijs van 10.000 gulden had uitgeloofd voor het lijk van Roel van Duijn, moet ook als ludiek worden gezien. Het was 'alleen maar een tegenhanger [geweest] van Provo 7, waarin werd opgeroepen tot het liquideren van ambtenaren.' Politiek was rauw in de jaren zeventig, zoveel is duidelijk.

Bewust achterhouden
Als men beide biografieën naast elkaar legt, krijgt men de indruk dat het politieapparaat niet adequaat handelde en dat de gezagsdragers bereid waren om heel ver te gaan (tot aan het bewust achterhouden van de waarheid over de mislukte bomaanslag) om de kabouter- en de Nieuwmarktbeweging in diskrediet te brengen.

Het lezen van beide boeken geeft je het unheimische gevoel dat de inlichtingendiensten niet alleen gebruikt werden om de staatsveiligheid te beschermen, maar ook om politieke tegenstanders uit te schakelen.

Is er in dat opzicht veel veranderd? Het optreden van Ernst Hirsch Ballin als minister van Justitie wijst daar niet op. In april 2008 maakte hij in de Tweede Kamer het verslag van een vertrouwelijk gesprek openbaar tussen het hoofd van de NCTB, Tjibbe Joustra, de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Geert Wilders, om zijn gelijk te bewijzen. Uit dat verslag bleek dat Hirsch Ballin inderdaad gelijk had toen hij beweerde dat Geert Wilders had overwogen om in de film Fitna een Koran te verbranden. Het is de vraag of men die informatie van inlichtingendiensten mag gebruiken voor partijpolitieke doeleinden.

Zeker is dat burgemeester Samkalden in 1975 het omgekeerde deed: hij hield als hoofd van de politie informatie achter met het doel een politieke tegenstander uit te schakelen. Dat past niet in een rechtstaat, die Samkalden en zijn handlangers zeiden te willen verdedigen.

Meindert Fennema is emeritus hoogleraar politieke theorie. Hij schrijft iedere vrijdag een column voor Volkskrant.nl.

Meer over