‘Mag ik er wel zijn, mag ik wel ruimte innemen?’

Ianthe SahadatElsbeth Stoker en Fleur De Weerd

Emiliano de Witt is ervan overtuigd dat zijn onvermogen om in rust en vrijheid te leven te maken heeft met de geschiedenis van zijn familie, waarover lang gezwegen is. V zocht uit hoe zijn voorouders vanuit Java in Suriname terechtkwamen, hoe ze daar leefden en of hun trauma op hem kan zijn overgebracht.

Emiliano de Witt: ‘Dingen die in het verleden gebeurd zijn, daar moest je een muur om metselen.’

 Beeld Martine Kamara
Emiliano de Witt: ‘Dingen die in het verleden gebeurd zijn, daar moest je een muur om metselen.’Beeld Martine Kamara

Het is iets na vijven, de zon staat al laag, als Emiliano de Witt voor het eerst van zijn leven voet op Surinaamse bodem zet. Op Zanderij, officieel Johan Adolf Pengel International Airport, verlaat je het vliegtuig via een voorgereden trap, vanuit de gekoelde Boeing 747 wandel je zo de tropenhitte in. De 28-jarige Emiliano weet niet wat hij meemaakt. De temperatuur en luchtvochtigheid, de geur, het verzadigde groen zover het oog kan kijken – al zijn zintuigen staan op scherp.

Als het vinden van een cruciaal puzzelstukje, zo omschrijft hij zijn tot op heden enige bezoek aan het geboorteland van zijn ouders drie jaar later aan de keukentafel in zijn Rotterdamse appartement op zevenhoog. Voor hem op tafel: zijn laptop, een aantekenboekje, een zelfgetekende stamboom (met veel lege vakjes en vraagtekens) en twee pluizige kittens die zich niet laten wegsturen. Naast hem zijn vrouw Charlotte, die hem op zijn zoektocht bijstaat.

Een paar maanden eerder, in het voorjaar van 2021, stuurt Emiliano, inmiddels 32, een mail naar de Volkskrant. Daarin beschrijft hij dat hij voelt dat zijn geschiedenis en die van zijn familie hem beperken in zijn bewegingsvrijheid. Dat hij op een punt in zijn leven is gekomen dat hij het niet meer kan en wil: doen alsof, hard werken, niet voelen. Al zolang hij zich kan herinneren leeft hij met een zware last op zijn schouders. Emiliano is – zo is voelbaar in zijn mail en in levenden lijve – iemand die ervan overtuigd is dat hij zijn familiegeschiedenis onder ogen moet komen, dat hij ‘de pijn die daarbij hoort’ moet voelen om eindelijk in rust en vrijheid te kunnen leven. ‘Het is de enige manier’, zegt hij.

Emiliano heeft veel vragen over die geschiedenis van zijn familie. Vragen waarop de antwoorden tot nu toe zijn uitgebleven. Want hij komt uit een gezin ‘waar de tv de hele dag aanstond, iedereen zijn eigen bordje eten in de keuken of op de bank at’ en er zeker niet werd gesproken over datgene wat hij al van jongs af aan voelt: dat er veel pijn en trauma in zijn familielijn zit. ‘Ik ben grootgebracht met de mantra: hard werken, want voor niks komt de zon op. Niet uitblinken, opvallen of je hoofd boven het maaiveld uitsteken.’

Wie naar hem kijkt, ziet een man met bedachtzame ogen die soms door de ruimte glijden, zoekend naar woorden. Zijn slanke lichaam is onbeweeglijk als hij praat. ‘Ik ben altijd op zoek geweest naar mijn eigen plek in de maatschappij’, zegt hij. ‘Mag ik er wel zijn, wie ben ik, mag ik wel ruimte innemen?’ Het klinkt misschien vreemd, zegt hij, maar hij heeft altijd het gevoel gehad dat deze vragen niet alleen van hemzelf komen. Dat ze van generatie op generatie zijn overgedragen, als een amorfe echo van voorouderstemmen.

Belwaarden, aanlegplaats van suikerplantage Mariënburg in Suriname.  Beeld Kerncollectie Fotografie, Museum Volkenkunde
Belwaarden, aanlegplaats van suikerplantage Mariënburg in Suriname.Beeld Kerncollectie Fotografie, Museum Volkenkunde

De vader van Emiliano, Frankey (59), reageerde op vragen over zijn leven en dat van de generaties ervoor met de zin: ‘Dingen die in het verleden gebeurd zijn, daar moet je een muur om metselen.’ Dat zwijgen over ingewikkelde of beladen zaken heeft zijn vader op zijn beurt weer van zíjn ouders meegekregen, vermoedt Emiliano.

Die ene keer in Suriname kwam hij om zijn opa, Soelam, kind van Javaanse contractarbeiders, te begraven. Zijn opa en oma van vaderszijde waren net drie maanden eerder geremigreerd naar Suriname om daar samen van hun oude dag te genieten, toen een fataal hartinfarct een streep trok door dit plan.

Emiliano hielp met het balsemen van het lichaam van zijn islamitische grootvader, een ritueel dat hem erg ontroerde. Maar de begrafenis zelf en de sfeer die er gedurende zijn verblijf hing, verwarden hem vooral. ‘Iedereen zei voortdurend tegen mijn oma: ‘Niet huilen, je moet sterk zijn’. Terwijl ik dacht: waarom mag ze niet huilen op de begrafenis van haar eigen man? Ik voelde al dat verdriet van iedereen die aanwezig was, maar niemand deed er iets mee.’

Meegetorst leed

Het verhaal van Emiliano gaat over de onontkoombare rol die het verleden van je ouders, grootouders en overgrootouders in je leven speelt als pijn generaties lang zwijgend is meegetorst. Zijn verhaal laat zien hoe destructief verdriet en boosheid kunnen zijn.

Kan leed, pijn of trauma ongemerkt doorsijpelen naar een volgende generatie of zelfs de generaties erna? Bestaat er zoiets als ‘oude’ woede, een in een kind genesteld verdriet dat niet het zijne is, maar dat wel wordt? Met daaruit voortvloeiend: angsten, depressies, gedragsproblemen – een onvermogen om vrijuit te leven, omdat de rekening van hen die het kind voorgingen nog niet is vereffend?

Legio onderzoek toont aan dat dit het geval is. Het bekendst – want het meest onderzocht – is het bovengemiddeld vaak optreden van psychische problematiek bij nakomelingen van Holocaust-overlevers. Het trauma van de mensen die overleefden, sijpelde niet alleen door naar hun kinderen, maar ook naar klein- en zelfs achterkleinkinderen.

De grootouders van Emiliano zijn, net als zijn ouders, geboren en getogen in Suriname. Hun ouders kwamen vanuit Indonesië, destijds nog Nederlands-Indië, naar Suriname. Hoe, wanneer, met wie en waarom – dat weet Emiliano niet. Want ook daar werd niet over gesproken.

Zijn vader is een man van implosies en explosies, een man die er eer in schept dat hij al veertig jaar voor dezelfde werkgever werkt en een man die het onbegrijpelijk vindt dat zijn zoon het nu probeert te rooien als zelfstandig ondernemend meubelmaker.

Emiliano dreigde zijn vader achterna te gaan. Dan ging er een soepbord tegen de muur, een tafel omver of een dienblad de lucht in. De aanleiding kon gering zijn: iemand die hem niet had begrepen, een vriendinnetje dat hem niet net zo leuk vond als hij haar. Opgekropte drift die er opeens uit knalde.

Pas toen hij Charlotte leerde kennen, zag hij hoe het ook kon: leven zonder het gevoel dat je aan het overleven bent. Dat het leven er ook kan zijn om ‘mee te spelen’. Hijzelf leefde veeleer vanuit het motto: als ik me maar schik, niet te veel voel en niemand tot last ben, dan red ik het wel. Het was in die tijd, nu zo’n vijf jaar geleden, dat de vraag zich begon op te dringen: is het verleden wel echt zo’n randzaak als mijn ouders me hebben proberen te vertellen?

Familietherapeut Kitlyn Tjin A Djie en psychiater Glenn Helberg  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Familietherapeut Kitlyn Tjin A Djie en psychiater Glenn HelbergBeeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Transgenerationele trauma’s

In Nederland betogen onder anderen psychiater Glenn Helberg en familietherapeut Kitlyn Tjin A Djie dat migratie, slavernij en koloniale onderdrukking tot op de dag van vandaag collectief diepe wonden hebben nagelaten in families. Beiden ontdekten omstreeks 1980 al dat er in de psychologie, pedagogie en psychiatrie weinig oog was voor mensen met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond, zoals zijzelf. Beiden zijn geboren en getogen in het ‘overzeese Nederland’ van de jaren vijftig en zestig: Helberg op Curaçao en Tjin A Djie in Suriname. En beiden vestigden zich in Nederland. Helberg is verbonden aan de ggz-instelling Expertisecentrum Transculturele Therapie, waar therapeuten werken die net als hij meer oog hebben voor mensen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse. Een van de terugkerende thema’s daar is, net als bij Stichting ’40-’45 of het Sinaï Centrum: transgenerationele trauma’s. Tjin A Djie leidt hulpverleners op in het onderzoeken van patronen in generaties. Samen met Helberg begeleidt ze veel families waar transgenerationele trauma’s een rol spelen.

Op het terrein van nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen en andere ‘kinderen van de koloniën’ is er nog weinig wetenschappelijke literatuur, zegt Helberg, gezeten boven een dampend bord pom. De psychiater is op bezoek in de riante Amsterdamse huurwoning van zijn collega Tjin A Djie, nabij het Vondelpark. Hij wuift de geur van het populaire Surinaamse ovengerecht met een hand richting zijn neus. ‘Als je met Kitlyn werkt, krijg je eten.’

Volgens de psychiater dragen de voormalige koloniën Suriname en de Antillen een trauma met zich mee. ‘Het trauma van er niet toe doen, van dom en minderwaardig zijn als gevolg van de geforceerde en met geweld samengestelde, gecreëerde samenleving. Door slavernij, contractarbeid, gedwongen migratie en ontmenselijking is er een heel grote streep door de generaties getrokken.’

In 2001 muntte de Amerikaanse onderzoekster Joy DeGruy de term ‘post traumatic slave syndrome’, niet toevallig met dezelfde afkorting als een posttraumatische stressstoornis: PTSS. Ze promoveerde op het doorwerken van trauma’s uit het slavernijverleden van Afro-Amerikanen in het heden en probeerde op die manier tal van huidige sociale, psychische en maatschappelijke problemen te verklaren: van geïnternaliseerd racisme en een laag zelfbeeld tot agressie en geweld. Ze schreef er in 2005 een boek over met dezelfde titel als de naam dat ze het syndroom gaf.

Helberg las het boek van DeGruy met interesse. ‘Het verhaal van de Afro-Amerikanen is niet zomaar te kopiëren naar Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders, maar ze legt heel knap uit hoe bepaald gedrag, bepaalde overlevingsstrategieën in families zijn doorgegeven.’

Een voorbeeld. Twee Amerikaanse moeders voeren een gesprek aan de zijlijn van een basketbalwedstrijd van hun bevriende zonen. De witte moeder zegt: ‘Hij doet het niet alleen op het veld goed, maar ook op school.’ De zwarte moeder zegt: ‘Nou, die van niet hoor, hij is een sloddervos en op school bakt hij er niks van.’ Volgens DeGruy zagen zwarte moeders zich in de tijd van de slavernij genoodzaakt hun kinderen juist níét de hemel in te prijzen, waar deze ‘tactiek’ uit voortkomt.

Natuurlijk zijn er zwarte moeders die dat niet doen en zijn er genoeg witte moeders die dat wel doen, uit bescheidenheid, relativering of een minderwaardigheidscomplex, maar DeGruy toont aan dat zwarte moeders het veel vaker doen.

Helberg: ‘Vanwege het risico dat ze hen afgenomen zouden worden, dat ze doorverkocht zouden worden aan een andere plantage, schilderden ze hun kinderen negatief af om ze te beschermen. Dat slaat nu natuurlijk nergens meer op, maar toch doen moeders het nog.’

Hoe trauma wordt doorgegeven ligt deels voor de hand: via opvoedstijl, gezinsdynamiek en het gedrag van ouders of andere familieleden. Het leed bij de voorgaande generaties wordt wel ervaren en beleefd, maar niet gedeeld – uit schaamte, omdat de pijn te groot is of omdat de buitenwereld er geen oren naar heeft.

De reactie op trauma komt in veel vormen voor. De een kiest voor extreem hard werken en zekerheid, zoals de vader van Emiliano en de generaties die hem voorgingen. De ander is juist verlamd en passief: wie zich onttrekt aan het leven, kan ook niet teleurgesteld raken. Ook veel voorkomend: over-aanpassing, zo Hollands mogelijk zijn – want wie niet opvalt, kan niet afgewezen worden. Of het tegenovergestelde: je terugtrekken in je eigen groep, je afkeren van de maatschappij die ‘jouw soort mensen’ toch niet begrijpt, accepteert of kansen biedt.

Wat onopgelost blijft in de voorgaande generaties wordt doorgegeven aan de volgende generatie – dat ziet Tjin A Djie als familietherapeut vrijwel dagelijks in haar praktijk. Noem het een keten van trauma. En om het tij van die ongemerkte overdracht te keren, zit er volgens haar maar één ding op: haal boven tafel wat is weggestopt, schijn licht op dat wat donker is gebleven.

Dat kun je niet in je eentje, meent Tjin A Djie. ‘Daarom behandel ik geen mensen alleen. Ik wil de hele familie in de kamer hebben. Kinderen hebben de hulp nodig van voorgaande generaties.’ Niet dat praten over pijn de pijn laat verdwijnen, zegt ze, ‘maar het kind kan door meegenomen te worden in de verhalen hopelijk wel een beetje helen en lichter voort met zijn leven.’

Slavernij ligt verder in het verleden, niemand die nu leeft heeft het zelf meegemaakt, en daarom gaat het om trauma’s in de familielijn. De migratie naar Nederland van veel kinderen en volwassenen uit voormalige koloniën is van recentere aard. En die migratie veroorzaakt meer dan eens psychische problemen, zegt therapeut Tjin A Djie.

Dat zit hem deels in de ogenschijnlijke lichtheid van die migratie in Surinaamse en Antilliaanse kringen, vertelt ze. Migratie leek haast vanzelfsprekend of zelfs als iets om naar uit te kijken. Als een antwoord op een vraag die niet luidde óf, maar wannéér een kind naar Holland zou gaan. Tjin A Djie: ‘Ik ging op mijn 15de, drie oudere zussen gingen me voor, niemand vond dat gek. Migreren naar Nederland gold als een haast alledaagse handeling, niet ingrijpender dan het beklimmen van een trap in huis.’

De gedachte was: het leven herneemt zich, gaat gewoon door. Sterker nog, zegt Helberg: het kan alleen maar beter worden in het land van melk en honing. Maar die achteloosheid bleek natuurlijk schijn, zeggen de therapeuten. Migratie is geen garantie voor trauma, maar het versterkt wel.

Migratie gaat gepaard met veel ‘verlieservaringen’, zegt Tjin A Djie. ‘Je raakt zoveel kwijt: de grootfamilie, de taal, de cultuur, de leefomgeving. En de effecten van migratie op ‘de familiecontinuïteit’ zijn gigantisch.’ Wat ze daarmee bedoelt? ‘Neem Emiliano en zijn familie. In de loop van drie, vier generaties hebben meerdere migraties plaatsgevonden bij deze jongeman. En dan heb ik het nog niet eens over het leven in contractarbeid op de plantages. Laat ik het zo zeggen: ik vind het heel fijn om te horen dat hij het niet voor zoete koek slikt en wil uitzoeken wat de verhalen van zijn familie zijn.’

Het zwijgen in de familie van Emiliano heeft met een karaktertrek niets van doen, zegt Helberg. Het is een stilzwijgend gebod onder migranten, een historische keuze, een overlevingsstrategie zo je wilt. Ook veel Indische Nederlanders en hun nazaten zullen het herkennen: zolang we ons richten op onze onschadelijke gewoontes neemt niemand aanstoot aan ons. Op verhalen over ontmenselijking, dwang, onderdrukking, racisme en geweld zat niemand te wachten. Dus werden zij: lekker eten, iedereen welkom en een wajangpop.

Emiliano en zijn vader

De ouders van Emiliano zijn beiden Javaans-Surinaams. Ze migreerden in de puberteit (moeder was 12, vader 17), omstreeks 1980, met hun gezinnen naar Nederland, zoals veel Surinamers dat deden in de roerige jaren kort na de Surinaamse onafhankelijkheid van 1975. Emiliano’s moeder belandde in de Amsterdamse Bijlmer, zijn vader in Rotterdam.

Anita en Frankey, zoals zijn ouders heten, kenden elkaar al uit Suriname, waar ze praktisch buren waren. Emiliano vermoedt dat zijn ouders jong, té jong, in een huwelijk zijn gevlucht. Zijn moeder als verliefde tiener, zijn vader om aan zijn eigen instabiele gezinsleven te ontsnappen (opa had een kwade dronk, heeft Emiliano horen fluisteren).

Het huwelijk van zijn ouders blijkt niet bestendig. Zijn vader, de familieman die niets liever wilde dan stabiliteit en zekerheid, heeft steeds meer last van woede-uitbarstingen. Als Emiliano 13 jaar is gaan zijn ouders uit elkaar. Na de scheiding gaan zijn zusje en hij bij zijn moeder wonen. Hij heeft acht jaar lang geen contact met zijn vader.

Jarenlang deed Emiliano zijn best om niet zijn vader te worden, zegt hij. Wat niet eenvoudig is als iedereen je er continu aan herinnert dat je sprekend op hem lijkt. ‘En hoe meer ik me van hem distantieerde, hoe meer ik op hem ging lijken. Dezelfde woede-uitbarstingen en niet weten waar het allemaal vandaan kwam.’

Het contact tussen vader en zoon is inmiddels hersteld. Lachend: ‘Ik lijk inderdaad op hem.’ Dan: ‘Het is geen verschrikkelijke man, het is een getraumatiseerde man, al zal hij dat zelf nooit zo zeggen. Hij probeert het gezellig te houden.’

Jeugdfoto van Emiliano de Witt Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Jeugdfoto van Emiliano de WittBeeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Zijn achternaam heeft hij van zijn moeder, haar vader heette De Witt. Het is een opmerkelijke naam voor een Javaan, vindt Emiliano. ‘Ik heb eigenlijk geen idee waar die naam vandaan komt. Ik heb begrepen dat mijn opa in Batavia is geboren en dat hij als tiener naar Suriname is vertrokken, maar zeker weet ik het niet.’

Contractarbeid

De afschaffing van de slavernij plaatste de Nederlandse plantage-eigenaren in Suriname voor een probleem: wie kon er nog voor hen werken? Tegen de laagst mogelijke lonen? Na nog tien jaar in gedwongen verband tot 1873 te hebben doorgewerkt, verlieten de vrijgemaakte mensen de plantages zo snel mogelijk. Ook de al langer vrije zwarte en gekleurde bevolking in Paramaribo at nog liever de eigen schoen op dan vrijwillig tegen bodemlonen op een plantage te gaan werken.

Het werk op de plantages was notoir zwaar en monotoon. In 1870 sloot de Nederlandse regering daarom een verdrag met de Britse regering tot het ‘invoeren’ van arbeidskrachten uit de kolonie Brits-Indië. In 1873 kwamen de eerste contractarbeiders, zoals ze werden genoemd, uit het huidige India aan in Suriname, met het zeilschip Lalla Rookh. Tussen 1873 en 1916 zijn er naar schatting 34 duizend Hindoestanen (een verbastering van het woord ‘Hindoestani’ dat de immigranten zelf gebruikten) naar Suriname gekomen, ruim twee derde vestigde zich permanent in het land.

Omdat Nederland voor de ‘aanvoer van arbeidskrachten’ – zoals het in koloniale documentatie wordt genoemd – afhankelijk was van Groot-Brittannië en uit vrees dat de Nederlandse kolonie van binnenuit steeds Britser zou worden (de Indiase migranten bleven aanvankelijk officieel Brits staatsburger), kwam het koloniale bewind van Suriname met een nieuw plan: waarom geen arbeidsmigranten in de eigen Aziatische kolonie ronselen? De koloniën waren tenslotte wel vaker nauw met elkaar verweven. Neem de compensatie van de plantage-eigenaren na de afschaffing van de slavernij. Betaald met opbrengsten uit de Oost, waar ‘uitgeknepen Javaanse boertjes’ voor de Hollanders mochten ploeteren onder het cultuurstelsel op Java, zoals Alex van Stipriaan, hoogleraar Caribische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, het cynisch verwoordt.

Het idee beviel de minister van Koloniën. En zo deed een in Den Haag geplaatste handtekening de eerste 94 Javaanse mannen op 9 augustus 1890 voet aan wal zetten in Suriname. Ze werden tewerkgesteld als contractarbeiders op suikerplantage Mariënburg, destijds in het bezit van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, een voorloper van de huidige ABN Amro. Tussen 1890 en 1939 zijn in totaal 33 duizend Javanen naar Suriname gehaald.

Aanvankelijk werden vooral jonge mannen geworven. Zij waren voor de plantage-eigenaren het rendabelst, vanwege hun fysieke conditie. Een artikel in het tijdschrift De Economist uit 1928, ‘Vergelijkend overzicht van de immigratie en blijvende vestiging van Javanen en Britsch-Indiërs in Suriname’, beschrijft het veelzeggend: ‘De Javaan is beter geschikt voor fijn werk, beter landbouwer. Hij heeft liefde voor zijn werk; werkt beter en vlugger, zij het dan ook niet met zo’n doorzettenden ijver als de Britsch-Indiër. Hij is zindelijker op lichaam en woning.’

Planters pasten hun ‘bestellingen’ na enige jaren aan. Er moesten meer vrouwen komen. Gezinsvorming van arbeiders was wenselijk: hoe meer kinderen, hoe meer nieuwe aanwas van arbeidskrachten voor de toekomst. In die zin was de blauwdruk van het systeem van slavernij nog lang niet gewist uit de koloniale geest. Omdat er veel minder vrouwen migreerden, ontstond er een ‘vrouwentekort’, zoals in eerdergenoemd artikel uit 1928 te lezen valt. De oplossing van het koloniale regime: meer meisjes werven in de Oost én de huwbare leeftijd voor Javaanse meisjes verlagen naar 14 jaar.

Veel Javanen hadden last van heimwee, blijkt uit de honderden interviews die de Nederlands-Amerikaanse antropoloog Annemarie de Waal Malefijt al in de jaren vijftig en zestig onder Javaanse Surinamers afnam. Over de reden voor vertrek uit Java werden verschillende verhalen verteld. Ze waren geronseld onder valse voorwendselen (en kregen dan geld zonder te weten waarvoor ze tekenden), sommigen, met name vrouwen, vertelden gekidnapt te zijn, een enkeling koos voor het avontuur of vluchtte voor problemen thuis en er was een groep die meende ‘betoverd’ te zijn. De antropoloog duidde dit laatste antwoord als een alternatief verhaal uit schaamte voor de migratie die niet was uitgepakt zoals gehoopt.

In de meeste interviews is te lezen dat de jonge Javanen op straat werden aangesproken door een man die hun rijkdom beloofde. Ze mochten dit niet thuis vertellen en moesten onmiddellijk meekomen, zonder hun spullen. De ronselaar leverde hen af in het depot in de haven, waar ze wachtten op vertrek van het schip.

Dat zo’n twee derde van de Javaanse immigranten nooit terugkeerde naar Indië had deels te maken met het bedrag van 100 gulden en een stukje land dat de koloniale overheid hen bood na beëindiging van de contractperiodes, mits ze in Suriname bleven. Ze hadden daarnaast vanwege de extreem lage lonen zelden geld voor terugkeer.

Het leven van de contractarbeiders op de plantages was – hoewel zij uiteraard ‘vrij’ waren – nauwelijks anders dan dat van de tot slaaf gemaakte mensen. Dit blijkt onder meer uit onderzoek van historicus en socioloog Radjinder Bhagwanbali van de Radboud Universiteit Nijmegen, die uitvoerig beschrijft hoe de plantageopzichters niet alleen onverminderd vaak excessief geweld bleven gebruiken (lijfstraffen en verminking door geseling, zweepslagen en de kromboei), maar ook seksueel geweld tegen de vrouwelijke arbeiders pleegden en gevangenisstraffen uitdeelden voor de kleinste vergrijpen.

De algehele omgang met de contractarbeiders werd gekenmerkt door ‘racisme, uitbuiting en vernedering’, schrijft Bhagwanbali. Ondanks de contractuele verplichtingen van de planters leefden de Hindoestaanse en Javaanse arbeiders onder armoedige omstandigheden. De kinder- en babysterfte was hoog, en mensen leden door de slechte hygiënische omstandigheden aan tal van ziekten en stierven – ook door de fysieke uitputting – jong. Het was niet ongebruikelijk dat een leeftijd van 40 jaar niet werd bereikt.

Opa’s en oma’s

De overgrootvader van Emiliano kwam in 1928 naar Suriname. Volgens zijn in het archief in Den Haag bewaard gebleven contract was hij toen 17 jaar, maar waarschijnlijk was hij jonger. Bij het document: een foto van een bruine jongen met volle lippen, die afwezig in de lens kijkt. Hij lijkt hooguit 13. Voor zijn borst houdt hij met zijn linkerhand een bordje vast met daarop het nummer 58.

Zijn contract zal hij met een kruisje hebben ondertekend. Als arme plattelandsjongen uit het binnenland van Midden-Java was de kans gering dat hij enig onderwijs had genoten. Hij had een ‘pigmentwrat’ op zijn kin, was 1 meter 62 en volgens het document dus 17 jaar oud, al werden de leeftijden op de documenten vaak verhoogd. 16 was de verplichte minimumleeftijd die de planters van hun arbeiders eisten, overigens niet omdat ze ethische bezwaren tegen kinderarbeid hadden. Het werk op de suiker- of koffieplantages was fysiek zwaar en vereiste gewoonweg een meer ontwikkelde spiermassa.

De zeereis die de Javanen en Hindoestanen aflegden moet uitputtend zijn geweest, met name voor de eerste groepen contractanten die nog met zeilschepen kwamen. Voor hen duurde de reis tot wel 4 maanden, waarvan ze soms een maand lang in een depot in de haven van vertrek (Calcutta in India en Batavia en Semarang op Java) moesten wachten tot er genoeg mensen waren geronseld om het schip te vullen.

Koso, zoals de overgrootvader van Emiliano werd genoemd, reisde in mei 1928 per stoomschip. Zijn tocht van Java naar Suriname – met een tussenstop in Nederland, waar de contractanten geregeld rillend, blootsvoets en schaars gekleed op de kade in Amsterdam werden gesignaleerd door passanten – duurde ongeveer 6 weken.

Opa Widjie, Paramaribo, Suriname. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Opa Widjie, Paramaribo, Suriname.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

1928 was een druk jaar. Met vier scheepstransporten kwamen 2.323 Javanen naar Suriname. Koso kwam terecht op plantage Mariënburg, een suikerplantage. Hoelang hij daar heeft gewerkt en of hij vervolgens op een andere plantage is gaan werken, is niet bekend. Zijn familie op Java heeft hij in elk geval nooit meer gezien.

Er zijn weinig familieleden van Emiliano die nog in leven zijn of in staat iets te vertellen over de periode waarin hun ouders of voorouders in Suriname aankwamen. Widji Madijomohamad (87), een oudoom van Emiliano die in Suriname woont, wil wel een poging wagen. Hij wijst driftig knikkend op een foto van Koso, nadat hij met moeite naar zijn veranda is geschuifeld aan een rustige straat in Commewijne, het voormalige plantagedistrict. ‘Ja, ja, dit is mijn stiefvader.’

Opa Widji, zoals iedereen in de familie hem liefkozend noemt, is een halfbroer van Emiliano’s opa. Het gesprek over het verleden valt opa Widji zwaar, tijdens het praten stromen er geregeld tranen over zijn wangen. Dat gebeurt altijd, zegt hij, als hij over vroeger praat, over de mensen die er niet meer zijn. De ook aanwezige buurman Sherman, een weldoorvoede politieman, spreekt opa Widji af en toe bemoedigend toe vanaf zijn stoel.

Koso, de jongen op de foto met nummer 58 in zijn handen, is Widji’s stiefvader. Zijn biologische vader was een door de Hollanders geworven militair die terugkeerde naar Java toen Widji amper 7 jaar oud was. Zijn voornaamste herinnering aan zijn stiefvader, die hij zelden zag vanwege diens extreem lange werkdagen (16 uur was niet ongewoon): de suikerrietstengel die de man in de avond als traktatie naast de slaapplek van de kinderen verstopte. Als de kleine Widji ’s morgens wakker werd en van de stengel snoepte, was zijn stiefvader alweer vertrokken naar de plantage.

De immigranten die na een of meer contractperiodes wél terugkeerden naar Java waren vrijwel zonder uitzondering man. Het was niet ongebruikelijk dat deze mannen – bijvoorbeeld omdat ze zoals de vader van opa Widji voor de Nederlandse strijdkrachten werden geronseld – ondanks de aanwezigheid van vrouw en kinderen in Suriname, zonder gezin terugkeerden naar hun land van herkomst. Het verhaal van de verdwenen vader van opa Widji staat niet op zich. Veel generatiegenoten maakten hetzelfde mee.

Opa Widjie toont een foto van zijn stiefvader, de overgrootvader van Emiliano. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Opa Widjie toont een foto van zijn stiefvader, de overgrootvader van Emiliano.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Wat wel tamelijk uniek is: Widji vond zijn biologische vader in 2002 terug in Indonesië, dankzij een digitaal handige kleinzoon en een lokale journalist.

Die ontmoeting ging als volgt. Onderaan de veranda van een woning op Midden-Java staat opa Widji, zelf op dat moment 72 jaar oud: ‘Papa, ken je me niet meer? Ik ben je zoon.’ De hoogbejaarde, hardhorende man op de veranda kijkt hem verward aan en haalt zijn schouders op.

Uiteindelijk hebben verloren vader en zoon lang gepraat, ze hebben elkaar kunnen omhelzen. Opa Widji was precies op tijd, later dat jaar overleed zijn biologische vader.

Net als zijn eigen ouders kreeg Widji al op zeer jonge leeftijd kinderen, vertelt hij. Zijn oudste dochter is in 1953 geboren. Widji was toen 18, zijn vrouw, die inmiddels niet meer leeft, was 14. Het was gebruikelijk dat de kinderen hun dagen doorbrachten met de ‘opa’s en oma’s’ in de buurt. Het was de generatie die zelf naar Suriname was gemigreerd die deze kinderen grotendeels grootbracht. Zo kan het dat deze kinderen soms meer dan hun ouders weten van de vroege periode, van het ronselen, het werken op de plantages en de omgang van de ‘Hollanders’ met hun opa’s en oma’s.

Het is een dochter van opa Widji die in Nederland woont, die dit vertelt. Hoe zijzelf en vrijwel al haar generatiegenoten – van wie er tallozen in Nederland zijn gaan wonen – met een combinatie van wantrouwen en ontzag voor Nederlanders zijn grootgebracht. Het waren de opa’s en oma’s die als kind tenslotte door deze mensen waren ‘gestolen’ en naar Suriname werden geïmporteerd.

Zulke levenswijsheden hebben een weerslag. Ze kruipen in je hoofd, en zelfs als het leven in Nederland je meer dan bevalt, het je goed vergaat, je een Nederlander trouwt en je kinderen Nederlanders zijn, bevindt zich in de krochten van je hoofd nog een stemmetje. Een stemmetje dat niet alleen van tijd tot tijd opspeelt, maar dat je mede heeft gevormd met een voortdurend: pas wel op, doe je best, doe het nou maar netjes, dan kan er niets gebeuren.

Bij Opa Widjie thuis. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Bij Opa Widjie thuis.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Het waren deze opa’s en oma’s die hun ouders, familie en geboortegrond op Java nooit meer terugzagen, die een zaadje plantten in de hoofden van hun nazaten. Een zaadje van heimwee, van argwaan, van leven met een rem erop. Het is precies op die manier dat Frankey, de vader van Emiliano, het leven aanging en nog altijd aangaat. Maar Emiliano besloot het tij te keren.

Je stem vinden

Emiliano hoort het ademloos aan, met gespannen blik en soms vochtige ogen in zijn appartement in Rotterdam: de verhalen over het ronselen van de jonge Javanen, kinderen haast nog, de kidnapping van sommigen, de bootreis, de tussenstop in Amsterdam, rillend op de kade. Het niet meer terugzien van familieleden en de plek waar je opgroeide, vrouwen die kinderen baarden terwijl ze zelf nog kind waren.

Voor Emiliano zijn de getallen – meer dan 30 duizend Javaanse contractarbeiders – geen getallen maar mensen. Voor hem heeft een deel van de nummers een naam en een gezicht, waardoor ze allemáál een gezicht krijgen. Een gezicht dat hij, kijkend in een spiegel, meent te herkennen. Als hij op zijn vader lijkt, en die op de zijne, hoever ben je dan verwijderd van een overgrootvader? Misschien wel minder ver dan het verstrijken van jaren doet vermoeden.

Zelfs vrij algemene historisch informatie over de groep waaruit hij voortkomt, raakt Emiliano zichtbaar. Tegen zijn vrouw: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat de opstandigheid en de woede in mij voelde als een echo van alle generaties voor me die niet werden gezien of gehoord. Nu begrijp ik waarom.’

Het liefst zou hij nog zoveel meer details kennen uit het leven van zijn voorouders, hun persoonlijk willen vragen: hoe was het dan voor jou? Toch voelt hij ook dat een zoektocht niet alleen draait om wat je precies vindt, maar ook om de intentie. Om het moment dat je besluit te gaan zoeken. Om het strijdvaardig opnemen van een zoeklicht en dat laten schijnen op plekken waarvan lang werd gezegd ‘laat het rusten’, door te graven naar lagen in het verleden waarvan je familie vrijwel eensluidend zegt: gedane zaken nemen geen keer, kijk toch naar voren.

Volgens therapeut Kitlyn Tjin A Djie is het uitzoeken van je familiegeschiedenis, aan de hand van een stamboom of genogram (een stamboom met meer informatie bij de verschillende personen), een krachtig instrument om iets van continuïteit en overzicht aan te brengen in je eigen levensverhaal. ‘Het verbinden met je familie, je herkomst, het verhaal vertellen – dat is vaak al heilzaam’, zegt ze.

Socioloog Abram de Swaan beschreef het niet praten over het verleden in (Joodse) families treffend in zijn essaybundel De mens is de mens een zorg (1982): ‘Als een verhaal niet uit te spreken is, moet het tekort bij de spreker én bij zijn luisteraars liggen. Als de een niet spreken kan, kunnen de anderen blijkbaar niet luisteren.’ De verhalen van overlevenden van de Holocaust waren ‘niet om aan te horen’, maar ook die van de voorouders van Emiliano vonden geen oor.

En net zoals de veelgehoorde reactie in de maatschappij nu is als mensen de woorden ‘slavernij’ of ‘koloniale pijn’ laten vallen, klonk het toen uit vele kelen: ‘Natuurlijk is het een tragedie, een vreselijk drama, maar wat hebben wij ermee te maken?’

Met zulke zinnen is de overlevenden het zwijgen opgelegd, schrijft De Swaan. Als nazaat kun je denken: wie ben ik om te worstelen met een werkelijkheid die amper de mijne is? Wat brengt het mijn voorouders dat ik graaf en zoek? Aan het gezicht van Emiliano is af te lezen dat zijn twijfel hierover is weggenomen. Alsof hij bijna letterlijk, gezeten aan zijn keukentafel, verder in zijn voorheen onbekende wortels zakt. ‘Het geeft me een gevoel van waarde, weten waar ik vandaan kom, wat ik allemaal in me draag. Ik voel me steeds moediger, niet meer zo bang voor afwijzing.’

Strijdvaardig: ‘Ik geloof dat ik eindelijk mijn stem gevonden heb.’

Met dank aan

Het verhaal en de reconstructie van sommige gebeurtenissen zijn mede tot stand gekomen dankzij de hulp van stamboomonderzoeker Ank de Vogel-Muntslag en Emiliano’s tante Amie Soemosemito uit Veendam. Voor achtergrondinformatie is, behalve de in de tekst genoemde literatuur, ook geraadpleegd: De betovering verbroken: de migratie van Javanen naar Suriname en het rapport-Van Vleuten (1909) van Rosemarijn Hoefte (hoogleraar geschiedenis van Suriname, UvA), en De eerste 94 Javanen op plantage Mariënburg in Suriname (2001) van historicus Paul Mangoenkarso.

Meer over