Madame Sert had zelden iets in de gaten

De vroegere secretaris-generaal van de Navo, Joseph Luns, vertelde in interviews dikwijls gekscherend dat hij na zijn pensionering zijn autobiografie zou schrijven en die dan Beroemde mensen die mij hebben gekend zou noemen....

MICHAEL ZEEMAN

Het is overigens de vraag of ze zoveel zelfspot had kunnen opbrengen, want als de door haar in Misia gedicteerde herinneringen een karaktertrek tonen, is het wel het ontbreken van elk greintje relativeringsvermogen waar het om haar eigen belang en betekenis voor derden gaat. Zij heeft een leven geleid in de koesterende stralen van een aantal van de grootste kunstenaars uit de eerste helft van deze eeuw, maar het is verbijsterend hoe weinig invloed die op haar kijk op de wereld, haarzelf incluis, hebben kunnen uitoefenen. Het is alsof zij door een bioscoop heeft gewandeld, zaal in, zaal uit, zonder dat het ooit tot haar doordrong dat zij geen deelneemster was aan de vertoonde filmavonturen. Dat zij de illusie had dat wel te zijn, maakte haar bovendien een slecht waarnemer.

Ze moet in 1872 geboren zijn, maar zoals zoveel ijdele vrouwen uit de artistieke monde had ze later, toen ze troonde op een grote voorraad herinneringen aan beroemd geworden mensen en haar leven zin gaf door daarover op te scheppen, de gewoonte daar een jaar of tien af te liegen. In haar memoires zijn jaartallen vrijwel afwezig, zodat het vooral in de eerste helft van haar levensgeschiedenis niet meevalt de verhaalde gebeurtenissen in hun tijd te plaatsen. Rond de eeuwwisseling, zoveel wordt gaandeweg duidelijk, want in het Parijs waar zij zich ophoudt is Zola de kersverse held van de Dreyfus-affaire.

Vage historische zelfportretten zijn doorgaans nog wel te dateren aan de hand van de erin voorkomende uiterlijke kenmerken. Maar in Misia Serts leven zijn ook die schaars. Onuitputtelijke hoeveelheden geld en uitputtende liaisons bepalen de dagorde - en kunstenaars, ja, die komt zij tegen, in elke balzaal en tijdens elke soirée. Van Stephane Mallarmé tot Serge Diaghilev, zodat haar levensverhaal in de tijd te omcirkelen valt met behulp van hun biografieën. Proust is aanvankelijk nog gezond en wordt op partijtjes gesignaleerd, Cocteau is enkele hoofdstukken later een tamelijk onbekende jongeling.

Voor het overige voltrok Serts' leven zich temidden van een leger bedienden, wier meesteres lange tijd niet eens door heeft of ze bijvoorbeeld met een koetsier of met een chauffeur van doen heeft. De technologische vernieuwing - telefoon, auto - sluipt haar bestaan binnen en wordt vermoedelijk door haarzelf ternauwernood opgemerkt, zomin als hetgeen om de hoek gebeurt. Pas als ze in de jaren veertig de thank you notes doorneemt die Satie haar in 1916 na etentjes en partijtjes zond, lijkt het tot haar door te dringen dat, terwijl zij en de haren zaten te picknicken, enkele tientallen kilometers verderop de bloem van de natie aan gort werd geschoten, in een ander weiland.

Ze had oog voor artistieke faam - en voor de blikken waarmee vooral de mannelijke kunstenaars haar bekeken. Pierre Bonnard, Auguste Renoir, Toulouse Lautrec, ze moeten gedurende de eeuwwisseling gebedeld hebben haar portret te mogen schilderen. Het is een hele teleurstelling dat de oeuvre-catalogussen van de betreffende schilders zoveel minder uitgesproken over de betekenis van haar als model zijn. Iets dergelijks geldt de opdrachten in boeken en boven muziekstukken waarvan Misia Sert melding maakt; ze strooit ermee alsof al dat eerbetoon slechts een bleke afschaduwing is van de intense werkelijkheid waarvan zij het gezochte middelpunt was. En inderdaad: boven een vergeeld stuk balletmuziek, voorin een vergeten novelle.

Maar het vervelendste is niet eens die snoevende oudewijventoon; al gaat het ver, hoor, om doodgemoedereerd te vertellen dat je van woede eens een edelsteen door midden hebt gebroken (want van tweeën een: of het was geen edelsteen, en dan kan het, of het was een edelsteen, en dan kan het niet - en wat het ook was, opschepperij is het in beide gevallen). Het ergerlijkst is dat die onafzienbare stoet kunstenaars door haar jaren en haar kamers is getrokken zonder dat ze ook maar een keer een interessante observatie uit hun mond heeft opgetekend. Al was het maar een anekdote, een opmerking, een spitsvondigheid. Niets, nada, nietsjewo.

Het wordt trouwens tijd dat de Arbeiderspers weer eens een middelbare scholier uit een van de hogere klassen aantrekt voor het persklaar maken van de prestigieuze serie waarin Misia verscheen, Privé-domein. De dienstdoende lichting bureauredacteuren komt er bij herhaling zelfs met de d's, t's en het kofschip niet meer uit, en dat is een ergernis in boeken met zo'n mooie vormgeving. Misschien kan die gymnasiast dan meteen de spelling van eigennamen even doornemen en al te gekke vertaalvondsten bijstellen.

Misia Sert: Misia.

Vertaald en van een nawoord voorzien door Joop van Helmond. De Arbeiderspers, Fl. 49,90.

Meer over