Maar zij waren begonnnen

Die zure literatuurecensenten ook altijd. Jan Wolkers piekerde er niet over hun de andere wang toe te keren. Ten aanval!

null Beeld anp
Beeld anp

Er kwam eens, zo vertelde Wolkers mij ooit, een dame op het atelier van Georges Braque. Zij wierp een blik op zijn nog natte schilderij en vervolgens op het stilleven van een paar citroenen dat de schilder op een plooischaaltje had uitgestald. De dame vroeg verbaasd, wijzend op het doek: 'Zijn dat die citroenen?' Waarop Braque zei, wijzend op de helgele vruchten: 'Maar zij zijn begonnen!'

Zij zijn begonnen - dat heeft Wolkers ook gedacht, toen hij besloot om de zure recensenten die zijn romans bekritiseerden eens stevig van repliek te dienen. Hij keerde niet, zoals Christus, zijn andere wang toe, maar nam de goede raad van Goethe ter harte: 'Schlagt Ihn tot, den Hund! Er ist ein Rezensent!'

Toen ik afgelopen week in het archief van Wolkers, die alle recensies van zijn werk met de precisie van een bibliothecaris heeft geordend in gitzwarte mappen, de kritieken op zijn romans doornam, viel me weer op hoe de bewondering van de h.h. critici voor de bestsellerauteur aan het einde van de jaren zeventig plotseling omsloeg in afgunst en afkeer. Ineens was het oorlog.

Onno Blom werkt aan de biografie over Jan Wolkers. Voor V houdt hij daarover een dagboek bij - waarvan we in zoveel delen de notities presenteren.

Zo noemde Aad Nuis, de toenmalige criticus van de Haagse Post, De doodshoofdvlinder 'een onversneden draak' en De perzik van onsterfelijkheid 'een tranentrekker'. Volgens Wolkers kon Nuis, die abjecte zeurkous, zijn 'theorietjes uit de hangkast van juffrouw Laps van driehoog achter' maar beter voor zich houden. 'Ik heb ook weleens tegen enkele redacteuren van de Haagse Post gezegd: als ik óóit een goeie recensie van Nuis krijg, zeg ik mijn abonnement op.'

Ivan Sitniakowsky van De Telegraaf vond De perzik van onsterfelijkheid 'een hoogst onfris geheel'. 'Die Sitniakowski', zei Wolkers, 'dat vind ik zo'n puistenkop, zijn vingers zijn helemaal kleverig van het onaneren.' Carel Peeters schreef in Vrij Nederland dat Brandende liefde kennelijk betekende: 'Ik denk altijd aan van dattum.' Waarop Wolkers aankondigde dat zijn volgende roman zo geil zou zijn dat Peeters zijn stijve lul als bladwijzer zou kunnen gebruiken.

Van het volgende lettergevecht lachte uw biograaf zich haast een zakbreuk. 'Wolkers', schreef Maarten 't Hart over De kus in NRC Handelsblad, 'kan men misschien nog het beste omschrijven als de André van Duin van de Nederlandse literatuur getuige ook het soort stompzinnige moppen.'

Daarop stuurde Wolkers op 9 december 1977 een ingezonden brief naar de krant, die opende met de soevereine regels: 'Het is niet de gewoonte des arends zich met het ranzig rancuneuze gekakel der hoenders bezig te houden als hij in een machtige glijvlucht het luchtruim doorklieft en vanuit de walm van kippenvoer en mest door het bijziend pluimvee met afgunst wordt nagestaard. Maar als een door de machtige ruis der wieken van de leg geraakt ziekelijk kapoentje zich verstout om zich op het ballonnetje der valse beweringen en onvolledige citaten hemelwaarts te verheffen, is die koning van de stratosfeer het aan zwaan en zwaluw verplicht dit met kussenvulling bedekt week diepvriesvlees met een houw van zijn geduchte snavel naar de legbatterij terug te doen tuimelen.'

Wolkers was een genadeloos criticus van de critici. Maar zij waren begonnen.

Meer over