Lyndon Johnson had alles mee en tegen

OP DE OMSLAG van Guns or Butter van Irving Bernstein staat Lyndon Johnson in een karakteristieke pose: voorovergebogen, ellebogen op tafel, de mondhoeken somberend naar beneden, de handen in het dunner wordende haar....

Deze bewoner van het Witte Huis tussen november 1963 en januari 1969 had net een graadje minder aanleg voor paranoia dan zijn opvolger Nixon, wiens levensgang bepaald werd door gepieker over de kolen die de wereld hem stoofde. Maar tegen het einde van zijn presidentschap vroeg ook Johnson zich wanhopig af waarom alles en iedereen zich tegen hem had gekeerd.

Johnson, overleden in 1973 op 64-jarige leeftijd, had graag de Roosevelt van de laatste helft van de twintigste eeuw willen worden. De president die een eind maakte aan armoede en achterstelling van de minderbedeelden, die zwart en blank nader tot elkaar bracht en die al doende ook de tegenstelling tussen Noord en Zuid zou laten verdwijnen. Heel Amerika verenigd in een 'Great Society' (een al door Adam Smith gebruikte term, in 1964 door Richard Goodwin voor Johnson geannexeerd). Voor minder spande hij zich niet in.

Daarnaast had Johnson grote ambities voor de wereldpolitiek. Er zou vrede heersen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, op basis van zo niet wederzijds begrip dan toch wederzijds respect. De Cubaanse rakettencrisis (1962) had aan beide partijen de grenzen van macht en concurrentie verduidelijkt. Het kapitalistisch systeem en het Sovjet-systeem moesten het verder samen proberen te rooien. Men zou elkaars invloedssfeer ontzien en gezamenlijk de rest van de wereld op een hoger welvaartspeil brengen. Johnsons 'Great Society' was bedoeld als een mondiaal project.

Waarom wilde hij eigenlijk zo graag? Johnson was geen 'liberal', verre van dat. Hij schold op 'you goddamned liberals', mensen die geen boodschap hadden aan een maatschappelijk draagvlak en altijd veel verder wilden springen dan hun polsstok lang was. Dus waarom?

Johnson, intelligent op het geniale af, maar ook lichtgeraakt en soms kleinzielig als een kind van tien, hield van macht. Hij wist wat macht was, hoe je eraan kwam en hoe je haar optimaal gebruikte. Hij was bovendien ijdel. Aan de macht komen door een feit met een enorme negatieve lading, de dood van je voorganger, was op zichzelf al frustrerend. Nadien werd Johnson ook nog voortdurend achtervolgd, waarschijnlijk tot in zijn dromen toe, door de vraag die Amerika beheerste, namelijk of hij wel even 'goed' (in twee betekenissen: edel en kundig) was als Kennedy.

Welnu, hij zou laten zien wat hij waard was. De eerste president uit een zuidelijke staat (Texas) sinds de Burgeroorlog was erop gebrand over Kennedy's schaduw heen te springen en méér dan diens programma uit te voeren.

Het lot beschikte anders. Eind maart 1968 zag Johnson zich genoodzaakt - een ander woord is er niet voor; het was een onvermijdelijke beslissing - zich terug te trekken als kandidaat voor de verkiezingen van november. In de voorafgaande drie maanden was zijn wereld in elkaar gestort. Het Tet-offensief van Noord-Vietnamese en Vietcongtroepen in het zuiden van Vietnam had, hoewel het militair gesproken een daverende nederlaag voor het noorden werd, het moreel van het Amerikaanse publiek geknakt. De tv-beelden van man-tegen-man-gevechten in en rond de Amerikaanse ambassade in Saigon spraken krachtiger taal dan de optimistische legercommuniqués. Bij bosjes vielen degenen die tot dan toe de strijd hadden gesteund, publiekelijk van hun geloof. De belangrijkste journalisten (Walter Cronkite bijvoorbeeld) en kranten lieten Johnson vallen, en in hun voetspoor ook veel politici die door dik en dun achter hem hadden gestaan.

Tet sloeg ook een bres in de linies binnen het Witte Huis. McNamara, de minister van Defensie die al eerder besloten had op te stappen, had het niet meer van woede over de manier waarop vooral de luchtmacht zich nu al jaren voor schut liet zetten. Met tranen in zijn ogen vervloekte hij degenen die zonder het minste resultaat meer bommen op Vietnam hadden gegooid dan er in de hele Tweede Wereldoorlog in Europa gevallen waren.

Het groepje volhouders, onder anderen bestaande uit Walt Rostow en Elsworth Bunker, slonk zienderogen. Zelfs minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk begon te twijfelen. Toen kwamen de soevereine 'Wise Men' in actie, de door Walter Isaacson in diens gelijknamige boek zo mooi geportretteerde reuzen van het Amerikaanse buitenlandse beleid in de Koude Oorlog. De Achesons en Harrimans hadden er genoeg van. Met het halve woord dat de goede verstaander slechts nodig heeft, braken zij hun staf over vijf jaar Vietnam-politiek. Daarmee was het einde van Johnsons presidentschap ingeluid.

Johnson had gehoopt met zijn besluit zich niet herkiesbaar te stellen, een gunstig klimaat te scheppen voor beëindiging van de oorlog. Ook dit bleek hem echter niet gegund, integendeel. De vijand in Vietnam gooide er nog een schepje bovenop in de overtuiging dat Amerika zich nu spoedig gewonnen zou geven.

Aan het thuisfront kwam een alles verzengende strijd op gang onder degenen die het ontstane machtsvacuüm wilden opvullen. De Democratische partij ging op een haar na ten onder aan - letterlijk - straatgevechten tussen de 'peaceniks' van Eugene McCarthy (na de moord op Robert Kennedy de vredeskandidaat bij uitstek) en de meer gematigde aanhangers van vice-president Hubert Humphrey. Democraten en Republikeinen maakten elkaar uit voor alles wat lelijk was. Intussen beleefde de oorlog zelf zijn bloedigste fase.

Zoals de titel van Bernsteins boek aangeeft, waren de VS economisch niet bij machte tegelijk een 'Great Society' te verwerkelijken én de financiële offers te brengen die Vietnam eiste. Er moest worden gekozen: óf doorgaan met proberen de bodemloze put in Azië te dempen, óf de maatregelen tot hervorming van de maatschappij doorvoeren, waarvoor Johnson inmiddels al wel het wettelijk kader door het Congres had gekregen. Dit laatste had hem veel tijd en moeite gekost. Hij had er bovendien al zijn in lange jaren van wetgevende arbeid opgebouwde politieke ervaring voor moeten aanspreken.

Om twee dingen zal Johnson altijd beroemd en berucht blijven: de vasthoudendheid waarmee hij de droom van een soort tweede, nog grootsere 'New Deal' heeft nagejaagd, en de slordigheid waarmee hij ten slotte alles wat op dat punt bereikt was, op het spel zette. Door zich maar niet los te kunnen maken van Vietnam stuurde hij niet alleen vele tienduizenden jonge Amerikanen de dood in (en een nog veel groter aantal Vietnamezen), maar brak hij ook zijn 'Great Society' in de knop.

Natuurlijk valt niet alles wat er misging, juist Johnson aan te rekenen. Als Martin Luther King niet was vermoord - al binnen enkele dagen na Johnsons aankondiging dat hij zich terugtrok voor een tweede volle termijn - had de verzoening die hij met zijn 'I shall not seek (. . .)' beoogde, beter tot haar recht kunnen komen. Wellicht had de zwarte gemeenschap dan toch nog enige vruchten kunnen plukken van de enorme vooruitgang die op juridisch terrein geboekt was ten tijde van 'the great, fabulous 89th Congress', ook wel ironisch het 'Goldwater Congress' genoemd. Zijn progressieve Democratische signatuur dankte het parlement in deze zittingsperiode (1965-1967) aan het feit dat de kiezers in 1964 niet alleen massaal tegen Goldwater als president stemden en dus voor Johnson, maar in één moeite door ook maar voor de Democratische kandidaten voor het Congres.

De velden waren rijp, de president kon oogsten. Hij kwam met een spervuur van wetsvoorstellen, waarvan het merendeel de eindstreep haalde. Vooral de zwarte 'onderklasse' had er profijt van moeten trekken.

Helaas, de fatale schoten van James Earl Ray in Memphis maakten een einde aan Johnsons illusie dat hij blank en zwart nader tot elkaar zou kunnen brengen. Een golf van rellen in de getto's overspoelde het hele land. Het vertrouwen van zwart Amerika in vooruitgang langs de weg van geweldloosheid en geleidelijkheid was geschokt. Blank Amerika reageerde verongelijkt op het extremisme van de nieuwe zwarte woordvoerders en sloot zich af in zijn veilige buitenwijken.

Bernstein is een goed verteller, die zijn lezers meevoert naar alle fora waar onderhandelingen plaatsvonden en waar gemarchandeerd werd, van de grootste zalen naar de kleinste achterkamertjes. Hij schildert Johnson met heel zijn schranderheid, doorzettingsvermogen en kwetsbaarheid. Een man van vlees en bloed, die zich doodwerkte om, op het laatst tegen alle stromen in, een egocentrische droom in vervulling te doen gaan.

Ook Irwin Unger heeft het over 'kanonnen of boter' en de onmogelijkheid de hele wereld in vier jaar te verbeteren. Zijn relaas is wat droger en algemener van aard, maar daardoor ook bruikbaarder als handboek voor de hele periode van de jaren zestig.

Beide auteurs claimen dat hun studies juist nu actueel zijn, vanwege de discussies rond het Republikeinse 'Contract with America' (dat overigens door Bob Dole en de zijnen enigszins lijkt te zijn ingeslikt). Vooral Urwin wijst erop dat vervagende herinneringen aan de jaren zestig een dubieus richtsnoer vormen voor beleid. Persoonlijke belevenissen zijn wat ze zijn: persoonlijk, dus lang niet altijd representatief voor een grotere groep. Velen van degenen die 'de jaren zestig' in de ban hebben gedaan, kunnen geen onderscheid meer maken tussen de intenties van toen en de (min of meer toevallige) factoren die de 'Great Society' hebben doen struikelen. Zoals de oorlog in Vietnam. En natuurlijk dat vreemd gestructureerde karakter van Lyndon Johnson.

Doeko Bosscher

Irving Bernstein: Guns or Butter - The Presidency of Lyndon Johnson.

Oxford University Press, import Nilsson & Lamm; ¿ 75,50.

ISBN 0 19 506312 0.

Irwin Unger: The Best of Intentions - The Triumph and Failure of the Great Society under Kennedy, Johnson and Nixon.

Doubleday, import Van Ditmar; ¿ 58,70.

ISBN 0 385 46833 4.

Meer over