Losse notities over vluchtige sensaties

De latere poëzie van Eugenio Montale - vier bundels, waarvan er drie in de tien laatste jaren van zijn leven verschenen en een postuum - heeft, zowel in vorm als in toon, iets terloops....

Michaël Zeeman

Van Montale is niet veel poëzie in het Nederlands beschikbaar, al is hij dan de Nobelprijswinnaar voor Literatuur van 1975. Twintig jaar geleden verscheen bij Kwadraat een bloemlezing uit zijn gehele werk, poëzie en beschouwend proza, onder de titel Een roos in de kermistent. Ook die was niet zeer omvangrijk; Montale's oeuvre is ook maar beperkt. Het wordt tijd om de krachten te bundelen en nu al zijn poëzie maar eens in vertaling uit te brengen. In - bijvoorbeeld - het Engels is dat al gebeurd; daar heeft de Amerikaanse dichter-uitgever Jonathan Galassi enkele jaren terug de hele Montale vertaald en wel zo goed, dat je zijn editie gerust naast de originele Italiaanse kunt bewaren. Die vertaling is omzetting en commentaar, verheldering en duiding ineen.

Ook Eva Gerlach is een vlijtig commentator en kent die editie van Galassi; zij moet er gebruik van hebben gemaakt. Juist dat alledaagse en terloopse heeft ervoor gezorgd dat er talrijke verwijzingen in Montale's gedichten staan, die voor een buitenstaander en zeker enkele tientallen jaren na hun ontstaan niet meer te snappen zijn.

Op zichzelf is dat niet erg: wie die Egidius uit het middelnederlandse Egidius-lied was weten we ook niet, maar dat zijn dood de dichter vreselijk veel verdriet heeft gedaan voelen we meteen. Noemt Montale in de twee reeksen 'Xenia' de betreurde 'insect', dan weten we ook zonder commentaar wel hoe liefkozend die spottende benaming bedoeld is en hoezeer het gebruik ervan een bezwering van gemis en van smart is.

Niettemin helpt het om over Mosca's dikke brillenglazen te vernemen en te weten dat 'mosca' Italiaans is voor 'vlieg' (en voor 'Moskou', wat de zaak er niet overzichtelijker op maakt). 'Xenia' zijn gastgeschenken en ze hebben, sedert Martialis er een reeks epigrammen over schreef, een lange geschiedenis in de poëzie. Montale, op zijn beurt, praat, nee: babbelt en mompelt op zo'n vertrouwde, onopmerkelijke en humeurige toon, dat de grens tussen de wereld der levenden en het dodenrijk opgeheven lijkt.

'Ik denk aan je tranen (de mijne: tweemaal zoveel)/ Niet dat het helpt.', schrijft hij dan in een vierregelig gedichtje, of: 'Zien kon je enkel door te luisteren./ De telefoonrekening stelt niets meer voor.', in een versje dat niet meer dan die twee regels telt. Als dit een Orpheus is die Eurydice zoekt, dan is het zonder lier en hooguit een beetje binnensmonds brommend. Dat kleine gebaar en het verzet zelfs daartegen, 'Zelfmedelijden, eeuwige pijn en doodsangst/ van wie aanbidt wat hier beneden is/ en hoopt op, wanhoopt aan een andere . . ./ (wie zegt het nog hardop: ''een andere wereld''?)', ze zijn in hun machteloosheid zelfs dikwijls onvoltooid gebleven. Er bestaat een moedeloze variant van gemis, die de afkeer voor dikke woorden nog versterkt.

In poëtisch opzicht staat dat niet zo ver af van wat Eva Gerlach, gelauwerd en bewonderenswaardig dichteres, zelf wel heeft gedaan, in de bundel Domicilie bijvoorbeeld. Daar staat ook een reeks gedichten in, waarin op zo'n binnensmondse wijze met een aflijvige wordt geconverseerd. In haar vertalingen van Montale's werk, afgedrukt naast de Italiaanse originelen en uitgegeven op dezelfde wijze waarop eerder August Willemsens vertalingen van Pessoa en Drummond de Andrade verschenen, is te zien hoe verbeten ze dat gewone van Montale's late gedichten in het Nederlands heeft proberen te handhaven.

Dat moet ook wel, want daar gaat het om. Pas bij heel goed lezen openbaart zich Montale's hang naar klank en binnenrijm, maar hoe opzettelijk en doordacht die zijn weet je bij de originelen nooit: het Italiaans is een klankrijke taal, waarin gauw assonanties optreden, en Montale was, toen hij deze verzen schreef, tussen de 75 en de 85 jaar oud. Hij dacht vermoedelijk in poëzie, toen, en wij, zijn lezers, zijn daar in elk geval zeer op bedacht. De voorkeur voor die toon maakt Eva Gerlach een vrij vertaalster. 'Un fischio, un segno di riconoscimento' voor in het hiernamaals wordt bij haar 'een fluitje ingestudeerd om elkaar te herkennen', daar, aan gene zijde, waar de aanwezigen geen gezicht meer hebben.

Het kan haar niet gewoon genoeg klinken. Dat levert soms wonderlijke vertalingen op; het is alsof Eva Gerlach Montale naar zich toe probeert te halen als zij van zijn Italiaans haar Nederlands maakt, alsof ze zich zijn gedichten wil toeëigenen: hij moet zijn Italiaanse oudere heren pak uittrekken en haar Nederlandse vrijetijdskleding aan. Dat kan verhelderend zijn, maar het is ook wel eens storend. Montale heeft het over de 'blabla dell' alta società'. Daar is geen woord Frans bij, maar Gerlach maakt er wel 'het gedaas van de beau monde' van. Dan gaat er niet alleen veel verloren, er komen ook onwenselijkheden bij: 'gedaas' is iets anders dan 'blabla' en wie het gebruikt, laat een van de beroemdste Nederlandse Macbeth-vertalingen meezingen ('a tale told by an idiot', het 'gedaas van een debiel'). Soms worden dergelijke drieste keuzes zelfs toevoegingen.

Dat kan de bedoeling niet zijn. Daarom alleen al is het een uitkomst, dat de Italiaanse originelen naast de vertalingen staan. Samen met de verklarende noten, maar zonder Gerlachs inleiding, waarin dikdoenerige onzin staat als 'een catastrofaal binnendringende werkelijkheid die het gevoel van identiteit onder de voet loopt', maken Gerlachs versies het mogelijk in Montale's regels te kruipen.

Dat is meer dan een alledaags genoegen. Om zijn toon, zijn humeurigheid, zijn wijze van verzet tegen het onvermijdelijke - en, natuurlijk, om al die regels, al die beelden, die je gaat verzamelen alsof het de dierbare kladblaadjes van een overledene zijn. 'Zo volg ik je/ ten minste een beetje, ik ga als jij op reis,/ gevangen in verband en gips. Maar zelfs/ het weten dat, heel of uiteengerukt,/ wij altijd één zijn, stelt mij niet gerust.'

Nu moet iemand maar gauw die integrale editie gaan maken.

Meer over