Loopgravenoorlog tussen Britten

Voordat de oorlog in Irak begon, was Groot-Brittannië een verdeeld land. Eén miljoen Britten demonstreerden tegen de oorlog. Meer dan honderd Labourparlementariërs stemden tegen het plan van de eigen premier om samen met president Bush een einde te maken aan het bewind van Saddam Hussein....

Een jaar later is de verdeeldheid geëscaleerd. Voor-en tegenstanders zijn in de loopgraven gekropen. Hoe harder de tegenstanders roepen dat de oorlog illegaal was, hoe fanatieker de voorstanders zich te weer stellen. In tegenstelling tot Bush toont premier Blair nog geen spoor van twijfel over de massavernietigingswapens van Saddam.

De oorlog tegen Irak zelf was niet impopulair. Hij kostte weliswaar drie miljard euro, maar 'slechts' vijftig Britten verloren het leven. De nasleep heeft het land echter verdeeld in twee kampen die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden. De zelfmoord van wapenexpert David Kelly, de nietgevondenmassavernietigingswapens, de onrust in Irak zelf en de aanslagen in Istanbul en Madrid hebben de tegenstanders telkens nieuwe munitie gegeven om de legitimiteit van de oorlog aan te vechten.

Liefst 55 procent van de Britten voelt zich nu onveiliger dan vóór de invasie. Slechts 30 procent denkt dat de premier de waarheid heeft gesproken over Saddam Husseins massavernietigingswapens: 70 procent zegt dat hij overdreef of zelfs loog. Nog nooit is zo'n hoog percentage (57 procent) van de Britten ontevreden geweest over de premier.

Aan de andere kant noemt nog altijd 48 procent van de Britten de oorlog gerechtvaardigd en is Blair veruit de populairste politicus. Omdat de Conservatieve oppositie de oorlog heeft gesteund, loopt Blair weinig risico dat hij, net als de Spaanse premier Aznar, zal worden weggestemd na een eventuele aanslag op eigen bodem – een gebeurtenis die door de Londense burgemeester Ken Livingstone en Scotland Yard-baas Sir John Stevens onvermijdelijk wordt genoemd.

Meer over