Loonmatiging belet innovatief ondernemen

Nu het met de economie weer minder gaat, luidt de traditionele reactie van de werkgevers dat de lonen moeten worden gematigd....

DE economische situatie van Nederland is niet goed. Voor het eerst sinds jaren is de werkloosheid gestegen. De economische groei is tot het nulpunt gedaald. De inflatie is hoog en lijkt niet erg te dalen. Uit berichten over de kabinetsformatie blijkt dat er weer gepraat wordt over bezuinigingen. En dan komen de traditionele reacties: de lonen moeten maar omlaag. Dat vinden wij geen goed idee. Eerder een kreet van een luie boekhouder dan de roep van een innovatieve ondernemer. En niet alleen omdat er nog allerlei kraptes op de arbeidsmarkt bestaan.

De sociaal-economische problemen van dit moment worden niet opgelost door loonmatiging. Er is meer aan de hand en er moet dus meer gebeuren. Je moet ambities formuleren. Concurreren op internationale markten - zo weten we allemaal - doe je niet alleen met prijzen. Je moet de beste willen zijn, niet de goedkoopste. Je concurreert ook met kwaliteit, met flexibiliteit, met innovatief vermogen.

Wanneer wij de Nederlandse economie vergelijken met die van de andere landen van de Europese Unie, dan blijkt dat ons land op tal van punten achterblijft. Het innovatief vermogen van de dienstensector blijft flink achter. En dan gaat het om de grootste sector in ons land. De investeringen in onderzoek en ontwikkeling laten nogal wat te wensen over.

Ons onderwijssysteem is nog steeds niet in staat leerlingen met voldoende beroepskwalificaties af te leveren, het aantal voortijdige schoolverlaters blijft hoog. Het blijkt dat werkgevers nog steeds huiverig zijn om te investeren in de employability van hun werknemers.

De ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in ons land is hoog, maar de groei is er uit, met alle gevolgen van dien. De innovatie van arbeidsorganisaties - eigenlijk gaat het daarbij om slimmer organiseren - staat nog in de kinderschoenen. Het aantal WAO'ers groeit nog steeds, nog steeds slagen wij er niet in gedeeltelijk arbeidsgeschikten een plaats in het arbeidsproces te geven. Het ziekteverzuimbeleid heeft nog niet echt tot duurzame daling geleid. En de reïntegratie van zieke of gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers kan veel beter.

Deze structurele problemen lossen we niet op door de lonen een pas op de plaats te laten maken. Daar is een andere aanpak voor nodig. Daar pleit het CNV de laatste tijd dan ook voor. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers om een agenda voor de toekomst op te stellen.

Een punt van aandacht daarbij is de relatie tussen het centrale niveau en het CAO-niveau. Sommige afspraken kunnen in Den Haag gemaakt worden. Andere kunnen beter tijdens het CAO-overleg aan de orde komen.

Maar hoe zorgen wij er voor dat beide niveaus goed op elkaar aansluiten. Welke structurele problemen zijn er dan? Welke doelen formuleren wij? Welke afspraken kunnen we maken om die doelen te bereiken? Het CNV noemt dat een sociaal contract. Het gaat wat ons betreft niet om vrijblijvende afspraken, maar om afspraken waar werkgevers en werknemers elkaar aan kunnen houden.

Het CNV wil dat ons land over vier jaar - aan het einde van de zittingstermijn van het nieuwe kabinet - tot de beste drie economieën van de EU hoort. Dat is geen eenvoudige opgave, maar wel een haalbare opgave. Een harde voorwaarde is dat werkgevers met de vakbeweging willen samenwerken. En dat lijkt nu niet het geval. De enige ambitie die zij onder woorden kunnen brengen, is dat de lonen gematigd moeten worden. En dat is bar weinig.

Het begin van het economisch herstel ligt eigenlijk bij werkgevers. Zij moeten hun comfortabele stoelen maar eens verlaten en met ons aan het werk gaan. Zij moeten - net als de vakbeweging - de moed hebben om ambities te formuleren, die verder reiken dan de kreet 'de lonen moeten matigen'. Die uitdaging toont inspiratie en die lijkt nu te ontbreken.

Het gaat ons om het formuleren van concrete doelstellingen. Bijvoorbeeld de doelstelling dat in de dienstensector de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling de komende vier jaar groeien van de huidige 1,6 procent naar 3,2 procent. Dan wordt in ons land net zoveel geïnvesteerd als in Duitsland, maar nog altijd minder dan in Groot-Brittannië. Bijvoorbeeld de doelstelling om tenminste 75 procent van de werknemers die onder een CAO vallen, het recht te geven op een persoonlijk scholingsbudget. Bijvoorbeeld de doelstelling om de komende vier jaar honderdduizend gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen.

Vervolgens moeten we samen aangeven op welke manier je die doelstellingen realiseert. En zonodig samen naar de politiek voor ondersteunend beleid. Bijvoorbeeld om met de overheid af te spreken om het aantal schoolverlaters met niet meer dan basisschool te verlagen van de huidige 17 procent naar 12 procent. Dat is dan nog altijd slechter dan in Groot-Brittannië, waar het percentage op 7 procent ligt.

Om met de overheid afspraken te maken over de fiscale ondersteuning van initiatieven van sociale partners in bedrijven en bedrijfstakken. Of over de kwaliteit van de collectieve sector.

Een goed functionerende overheid is onmisbaar voor een goed functionerende economie. Dat is een weg die perspectief biedt en op de toekomst is gericht. En als dan onderweg ook nog gesproken moet worden over de loonontwikkeling als onderdeel van die brede aanpak, dan is het CNV daartoe best bereid. Maar alleen praten over loonmatiging biedt geen toekomst. En daar gaat het om.

Meer over