Lommerd krijgt 't steeds drukker

Het is vorig jaar veel drukker geworden in de pandhuizen. Ook hogere inkomens komen spullen belenen in ruil voor cash.

'Hebt gy noch geld, noch goed, gaa deeze deur voorby. Hebt gy het laatste, en mist gy 't eerste, kom by my. Geef pand, ik geef u geld.' De tekst op de gevel van de Stadsbank van Lening aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal geeft ook na bijna vier eeuwen het principe van een pandhuis prima weer. Bij deze gemeentelijke dienst kan iedereen vanaf 18 jaar geld lenen als hij waardevolle - en waardevaste - spullen in onderpand geeft. Voor iedereen die even contant geld nodig heeft en zijn spullen - in de praktijk vooral gouden - even kan missen. Uiterlijk binnen negen maanden kunnen ze weer worden teruggekocht of worden herbeleend, anders eindigen ze op de maandelijkse veiling.

Het pandhuis van de uit 1614 daterende Amsterdamse Stadsbank van Lening voorziet nog steeds, of weer, in een behoefte. Vorig jaar trokken de vier filialen van de Amsterdamse Stadsbank 53 duizend klanten, bijna eenvijfde meer dan een jaar eerder. De omzet kwam uit op 155 miljoen euro, voor dit jaar wordt 180 miljoen euro verwacht.

Die groei heeft vooral te maken met de aanhoudend hoge goudprijs, maar natuurlijk ook met de economische crisis, zegt directeur Rob Jeursen. 'Mensen zitten krapper bij kas en hebben vaker geld nodig. Niet alleen mensen met een uitkering of met een laag loon, maar ook steeds meer hogere inkomens. Die beginnen de crisis nu ook te voelen. Bovendien schaamden mensen zich vroeger om hun spullen te belenen, maar dat is niet meer zo. Ik kom even wat brengen, want ik heb geld nodig, zeggen ze dan. En het principe is voor de hogere inkomens niet anders: als je voldoende bezit hebt, kun je het belenen.'

Hoe werkt het? Iedereen die ouder is dan 18 jaar kan spullen in onderpand geven in ruil voor contant geld. Ook mensen met schulden, want er wordt niet gecheckt bij het BKR. In de praktijk gaat het vrijwel altijd om gouden sieraden. 'Dat is 98 procent van wat we binnen krijgen', zegt Jeursen. 'Voor de rest is het 1 procent diamanten en 1 procent gebruiksvoorwerpen, in de praktijk vooral elektronische apparatuur zoals mobiele telefoons, TomToms, iPads en iPods. Die dalen snel in waarde, dus hebben we daar een bepaalde methode van afschrijving voor. Dit soort spullen is goed voor een paar tientjes. Vroeger accepteerden we ook kunst en bontjassen, maar dat doen we niet meer. Het kost te veel tijd en moeite om de waarde ervan te taxeren en het bewaren gaf ook allerlei logistieke problemen.' De spullen die niet worden opgehaald of herbeleend worden maandelijks geveild. Met het bepalen van de opbrengst wordt uitgegaan van de beleensom van het artikel, want winst maken hoeft de Stadsbank niet.

De waarde van de ingeleverde sieraden of iPads wordt getaxeerd, waarop mensen een beleenovereenkomst krijgen en hun geld. De gemiddelde beleensom bedraagt zo'n 400 euro, met uitschieters naar enkele duizenden of zelfs 10 duizend euro. De klanten van het pandhuis betalen beleenkosten oftewel rente. Bij de Amsterdamse stadsbank is dat 1,05 procent per maand, dus 12,6 procent op jaarbasis. Dat is veel lager dan de vele commerciële pandhuizen. De vastgestelde termijn voor de belening is negen maanden, maar mensen mogen hun spullen ook na een week weer komen terugkopen. De rente wordt normaal gesproken over de vastgestelde beleenperiode betaald, maar als men eerder terugkoopt betaalt men natuurlijk minder.

Amsterdam is voor zover Jeursen weet met Den Haag de enige stad die nog een gemeentelijk pandhuis heeft. Veel gemeenten hebben wel een kredietbank waar mensen met geldzorgen toch een lening kunnen krijgen, of waar ze worden geholpen met schuldsanering of gunstige kredieten. Maar een ouderwets pandhuis of lommerd van overheidswege is er dus alleen nog in Amsterdam en Den Haag.

De pandhuizen werden vroeger opgericht om te voorkomen dat woekeraars konden toeslaan, die mensen alleen maar dieper in de ellende brachten door enorme rentes in rekening te brengen. Eigenlijk is er ook wat dat betreft nog niet zoveel veranderd. 'Waar wij op jaarbasis 12,6 procent rekenen, is het bij commerciële pandhuizen soms 70 tot wel 200 procent per jaar. Dan moet je heel goed nadenken voor je iets beleent, want de kans dat je het niet kunt terugkopen is dan groot.'

Dat soort ouderwetse woekerpraktijken wordt, als het goed is, binnenkort aan banden gelegd. Er ligt een nieuwe Pandhuiswet klaar - die ergens volgend jaar moet ingaan - waarin het onderscheid tussen gemeentelijke en commerciële pandhuizen verdwijnt. Voor alle partijen gaan dezelfde regels gelden. Die houden onder meer in dat in de wachtruimten van pandhuizen de beleenvoorwaarden helder en duidelijk te lezen moeten zijn, dat er een beleenovereenkomst moet worden gesloten op naam en dat de beleenvergoeding (rente) niet hoger mag zijn dan 54 procent. 'Voor ons allemaal vanzelfsprekende zaken', zegt directeur Jeursen van de Amsterdamse Stadsbank van Lening. 'Voor de commerciële pandhuizen ligt dat anders. Ik heb begrepen dat de nieuwe wettelijke regels voor veel van hen het einde gaan betekenen.'

undefined

Meer over