Lof voor een literaire goudsmid

A.F.Th. van der Heijden won dit jaar al vier prijzen en dinsdag werd bekend dat ook de grootste literaire prijs van Nederland aan hem is toegekend. Het oogstjaar van een letterengigant.

Gedreven door een drang naar uitbreiding en het lef om grandioos te durven mislukken, is Van der Heijden schepper van een koninklijk oeuvre.

ARJAN PETERS

Soms zegt Adri van der Heijden (Geldrop, 15 oktober 1951) thuis tegen zijn vrouw Mirjam Rotenstreich dat hij met iets korts bezig is; laten we zeggen een novelle. Dan antwoordt zij automatisch: 'Ja ja, totdat je de mogelijkheden ziet.'

Zo gaat het bij hem vaak, dat hij met een klap een manuscript op tafel laat vallen, en het ineens in drie afzonderlijke delen uiteen ziet vallen. Waarop de auteur meteen drie nieuwe delen van zijn romancyclus De tandeloze tijd aankondigt.

Voordat we daar iets van te zien hebben gekregen, is Van der Heijden gisteren de P.C. Hooftprijs (60 duizend euro) toegekend, die hem in mei 2013 zal worden uitgereikt. De oeuvreprijs vormt de bekroning in een ongekend oogstjaar: in januari kreeg Van der Heijden de Constantijn Huygensprijs, waarna zijn laatstverschenen boek, Tonio. Een requiemroman (2011) werd bekroond met achtereenvolgens de Docententrofee, de Libris Prijs en de NS Publieksprijs.

Het hele oeuvre van de auteur die in 1978 debuteerde onder het pseudoniem Patrizio Canaponi met de verhalenbundel Een gondel in de Herengracht, wordt aangedreven door het verlangen naar uitbreiding. Niet binnen de mogelijkheden blijven, maar grandioos durven mislukken, zoals hij het zelf ooit noemde: 'boven jezelf uit grijpen', met een compromisloze inzet.

Zo was het ook allemaal begonnen, met een groot manuscript in 1972, toen Van der Heijden in Nijmegen een tijdje psychologie en filosofie studeerde. Dat was 'het boek waar Alles in zou staan', getiteld Kermis in de hel, later omgedoopt in Bejaardentehuis op het Dak van de Wereld. Eén uitgever kreeg de tekst toegestuurd, Thomas Rap, die de jeugdige debutant liet weten dat het boek 'niet in het fonds paste'. Wat ongetwijfeld waar was. Van der Heijdens eerste en nooit gepubliceerde roman, waarin de mensheid werd aangeraden zichzelf op te heffen, noemde hij later een interessante mislukking.

Over hoe het na zijn debuut zou gaan, had de 21-jarige Adri ook al fantasieën. Vanaf de zomer van 1973 zou hij, de alweer uitgeschreven schrijver, in een wit pak langs caféterrassen flaneren, en de fans die smeekten om een vervolgdeel beleefd maar afwerend antwoorden: 'Waarom? Alles staat er al in.'

Zwierig debuut

Op de valse start volgde het zwierige debuut van de maniërist Canaponi, de barokke kant van dit schrijverschap. Daarop volgde de beduidend realistischer romancyclus die Van der Heijden na zijn wervelende entree in de letteren aanving, en onder zijn eigen naam publiceerde: De tandeloze tijd (vier delen en een proloog, 1983-1996), waarin Adrianus Franciscus Theodorus zijn initialen verdeelde over de personages Albert, Flix en Thjum. De jaren zeventig, die van de matheid en stilstand, probeert alter ego Albert Egberts (Geldrop, Koninginnedag 1950) te lijf te gaan door te 'leven in de breedte', een opvatting die hij in Vallende ouders (1983) ontvouwt: 'een truc om tijd te winnen... oneindig veel tijd te winnen en te ontginnen... Tijd die niet aan je vreet... die je niet ouder maakt. Integendeel! Het is een tijd die je het eeuwige leven kan geven... (...) Aangezien het leven zich nietsontziend in de lengte ontrolt, moet je proberen het zo breed mogelijk te maken... moet je proberen het in de breedte te laten uitdijen.'

Rekken, verrijken, vergulden. Al sinds zijn 12de was Van der Heijden, zoon van een drankzuchtige lakspuiter bij Philips, geobsedeerd door alcoholisme als erfelijke belasting. Pas op zijn 18de nam hij zijn eerste biertje. Wat hij nooit zo zou formuleren. Bij hem heet het: 'Net achttien verzilverde ik, nergens op bedacht, zelf de eerste coupon van mijn erfenis.' (uit Asbestemming, 1994). Bij die ene coupon zou het niet blijven. Maar ook die verkenning voerde hij uit met een grondigheid die weer leidde tot literatuur, zoals de roman Advocaat van de hanen (1990), die opent met de welbespraakte bekentenis van kwartaaldrinker mr. Ernst Quispel.

Zo'n royaal bewerktuigd stilist waren we sinds Lodewijk van Deyssel en Louis Couperus niet meer gewend, in het land dat minder vaak méér noemt en schrijvers uit het 'Gilde der Kleine Krabbelaars' pleegt te roemen. Van der Heijden voegt juist van alles toe, zo verbazend veel dat verfilmingen van zijn werk alleen maar flets konden uitvallen. In De tandeloze tijd past hij historische gebeurtenissen (krakersrellen, een moordzaak) in zijn welhaast mythologische cyclus in, en hij houdt zich dan meestal niet in. 'Een korte roman kan gebrek aan compactheid beter verdoezelen dan z'n omvangrijker broer, want die zou bij zo'n tekort al snel instorten.'

Nog groter is de greep die Van der Heijden zich permitteert in de cyclus Homo duplex (tot nu toe vijf titels), die hij als A.F.Th. begon met De Movo Tapes. Een modern Oedipus-verhaal, rond Tibbolt Satink (1973) ofwel Movo (van 'moeilijke voeten'), met Apollo als verteller, die in de 20ste eeuw een tragedie probeert te ontketenen 'die vergelijkbaar is met zijn oude successen in Griekenland'.

Dat leidt tot huiveringwekkende scènes tussen hooligans van de rivaliserende voetbalclubs Adam en Erdam - wie in de novelle Mim (2007) heeft gelezen hoe Movo zijn hoofd in een frituurpan steekt, vergeet het sissen nooit meer -, een vocabulaire dat van bloemrijk naar straattaal schiet, en een verhaal dat zich behalve in de breedte ook in de lengte uitstrekt, van Sofokles tot Van der Heijden.

Mannelijke muze

Schrijven is geen schijnbestaan, maar een intensievere manier van leven. Dat merkte hij opnieuw toen hij zich na de dood van zijn zoon Tonio (21, ten gevolge van een nachtelijk verkeersongeluk) aan het requiem zette dat op 23 mei 2011 verscheen. Om hem nog even bij zich te hebben, moest hij de tijd andermaal terugbuigen. Een requiem, een detective, een ondoenlijke opgave (namelijk om de gestorven jongen met woorden te reanimeren) die niettemin wordt beproefd. De schrijver die zelf dacht dat Tonio een Fremdkörper in het oeuvre was, moest constateren dat er onder zijn handen toch symmetrieën en dwarsverbanden ontstonden, dat de neiging om te componeren in dienst van de opdracht, ook in deze inktzwarte levensfase, werkzaam bleef. De zin om te schrijven keerde door het requiem voor Tonio, zijn mannelijke muze, zelfs weer terug.

Onmogelijkheden kijkt Van der Heijden net zo lang in het gezicht tot hij de mogelijkheden begint te zien. De moeilijkste momenten heeft hij onvergetelijk verwoord. De glanzende wieldop in het Boekenweekgeschenk Weerborstels (1992) die na een dodelijk auto-ongeluk wegrolt, kantelt en tolt 'als een langgerekte bekkenslag in de stilte van de nacht', een oog dat alles weerspiegelt; de eenzaamste minuten uit de geschiedenis van de mensheid, in Het schervengericht (2007), als de hoofdpersoon zich verplaatst in het ongeboren zoontje Paul dat nog 20 minuten heeft doorgeleefd in de buik van zijn moeder Sharon als ze is doodgestoken; de reconstructie in Tonio van diens laatste fietstocht, waarbij de schrijver zijn zoon zacht toespreekt, zodat die zijn route alsnog verlegt. Niet naar de binnenstad, waar hem de dood wacht, maar naar het huis van zijn ouders.

Op zulke momenten is A.F.Th. van der Heijden een magische goudsmid. In veertig jaar schiep hij een koninklijk oeuvre. Alles staat er in.

undefined

Meer over