Literaire geweldenaar David Almond irriteert

De 14-jarige Liam Lynch beleeft de laatste vrije zomer van zijn leven. Boezemvriend Max is verliefd en wil geen fikkie meer stoken in hun geheime grot....

Pjotr van Lenteren

Slangenkuil, de zevende in Nederland verschenen jeugdroman van de internationaal bejubelde David Almond (1951), is zoals gebruikelijk overladen met personages, verhaallijnen en motieven. Daarmee raakt hij aan fascinerende en verontrustende dilemma’s rond geweld, opgroeien en je verantwoordelijkheid nemen. Maar de auteur slaagt er net als in zijn vorige boeken niet in al deze elementen geloofwaardig aan elkaar te knopen.

Dat roept de vraag op of het wel terecht is dat David Almond – eerder dit jaar in Bologna gelauwerd met de Hans Christian Andersen Prijs voor zijn hele oeuvre, de belangrijkste internationale prijs voor kinderboeken – tien jaar geleden met zoveel poeha werd binnengehaald.

Eigenlijk is alleen zijn eerste boek, vertaald als De schaduw van Skellig (Querido, 1999, Zilveren Griffel) indrukwekkend. En goed verkocht. Van zijn oeuvre is op dit moment in Nederland alleen Slangenkuil verkrijgbaar; van De schaduw van Skellig staat in verband met zijn bekroning een herdruk gepland voor komend voorjaar.

Zijn reputatie als literaire geweldenaar die ook nog moeilijke thema’s aandurft, maakt hij eigenlijk al jaren niet meer waar. Waar ligt dat toch aan? Aan zijn schrijfstijl en verteltechniek zeker niet. Zijn prachtige Engels is vertaald door oude rot-in-het-vak Annelies Jorna en ronduit een feest om te lezen.

Ook met het decor is niets mis. De rauwe leegheid van het Noord-Engelse Northumberland met zijn moors, ingestorte kastelen en lange geschiedenis van grensoorlogen is uitermate geschikt voor een gewelddadig verhaal, waarin de natuur bijna een net zo belangrijke rol speelt als de mens. Niets is toevallig in de boeken van Almond en een zwarte asielzoeker in dát landschap, ook nog eens de op een na witste regio van Engeland, is een goed gevonden beeld.

Toch doet precies die afwezigheid van toeval en spontaniteit de bewondering van de eerste hoofdstukken omslaan in irritatie. Almond is te duidelijk met symbolen en motieven in de weer. De meeste ontwikkelingen zijn daardoor voorspelbaar als regen in augustus.

Dit keer mogen we raden naar het verband tussen een gevonden mes, een kauw en een vondeling. Dat riekt naar een saaie literatuurles. En dat is het ook.

Erger is dat het verhaal en de personages domweg geen emoties oproepen. Het boek is veel te veel een artistieke constructie die tot de voorgekookte conclusie moet leiden: iedereen is in staat tot geweld.

Nergens vallen er onverwachte klappen, nergens krijgt het verhaal de bloederige ruwheid die collega’s Melvin Burgess en Floortje Zwigtman aan hun ruige adolescentenromans weten mee te geven.

Tegelijkertijd is Almond lang niet zo goed als zijn gevierde landgenoot Aidan Chambers, die in zijn beste jeugdromans wél meeslepende literatuur wist te maken.

Pas bij het einde, waar alle rondgestrooide puzzelstukjes in elkaar moeten passen, roert het verhaal enigszins. Niet iedereen blijkt te zijn wie hij zelf dacht te zijn. Natuurlijk speelt op de laatste bladzijde het op de eerste bladzijde gevonden snoeimes ‘Killer’ een hoofdrol. Dat is dusdanig flauw, dat de heftigheid van het moment ook meteen weer vergeten is.

David Almond is zo nadrukkelijk bezig met kunst voor jongeren maken, dat het lijkt alsof zijn boodschap is ‘Kijk, mensen, voor jongeren kun je ook kunst maken!’ Behalve dat dat nogal wiedes is, zou dat nooit de boodschap van kunst mogen zijn. Pjotr van Lenteren

Meer over