Lisette - waar ben je?

Lisette Vroege verdween 20 jaar geleden in Haarlem. Als beginnend verslaggever volgdeJohn Schoorl de zaak. Nooit is er meer iets van haar vernomen. Morgen zou ze 47 zijn geworden. Een coldcaseteam onderzoekt de zaak nog één keer. Want de frustratie is groot: hoe kan iemand als Lisette zomaar verdwijnen? 'In die 7.300 dagen die voorbij zijn getrokken, zijn er altijd momenten dat haar naam door mijn hoofd spookte.'

VAN ONZE VERSLAGGEVER JOHN SCHOORL

Ik sta op een plein waar een meisje woonde dat er opeens niet meer is. Ik moet haar leren kennen. Ik moet begrijpen hoe zij denkt, wat ze denkt en waarom ze zo denkt. Of dacht, dat kan ook. Dat ze er allang niet meer is, dat ze is omgebracht, en haar gedachten alleen nog maar boven ons zweven, als aandenken aan wie ze was. Maar aan de dood wil ik niet denken, niet nu, nu ik hier op dit Haarlemse plein sta, als beginnend verslaggever, op deze junidag in 1992.

Ik moet aan haar denken, aan haar Elisabeth Margriet Vroege, van 16 maart 1965.

Lisette.

Zo heet ze, kortweg. Ze is nog maar net verdwenen en vermist, en ze is voor zo veel mensen niet meer uit te wissen. De hele stad en omgeving maakt zich ernstige zorgen, en dat is echt niet overdreven. Er zijn meisjes die zomaar verdwijnen, maar daar hoort zij niet bij. Zij hoort niet te verdwijnen. Je ziet het aan haar donkerbruine ogen. Dat zijn ogen om in te verdrinken.

Ik zou er nog vaak staan, de afgelopen twintig jaar, op dat Haarlemse plein, dat plein dat doorsneden wordt door een weg. Daar staan, voor dat ijzeren hekje, en bedenken hoe het gegaan is, en hoe het haar anders zou vergaan, haar leven.

Want dat is het enige wat je kunt doen, alles erbij bedenken. Het verhaal is niet klaar, het is een onvoltooid leven, ze is nog steeds niet gevonden, er is geen enkel spoor - geen enkel spoor, het is bijna niet voor te stellen.

Het is een mysterie - en dat heb je met mysteries: ze laten je nooit meer los. In die twintig jaar, in die bijna 7.300 dagen die voorbij zijn getrokken, zijn er altijd momenten dat haar naam door mijn hoofd spookte.

Lisette.

Als er een onbekend lichaam was gevonden in een bos, of botten in een boerensloot in Groningen, beenderen in Utrecht, een dode vrouw in België of in de hak van de Italiaanse laars, of waar dan ook op aarde. Een romp, zo maar een tennisshirt, alles kan in verband staan met haar - en met haar verdwijning.

Alles is een puzzelstuk.

Ik weet dat er vele toenmalig betrokken rechercheurs en ex-rechercheurs ook zo denken. Er is gelijk contact, nog steeds, er wordt ge-sms't, gebeld, navraag gedaan, tevergeefs altijd, zonder resultaat. Net als veel mensen uit de Haarlemse regio die de zaak op de voet hebben gevolgd, en nog steeds volgen nu de zaak weer in onderzoek is, heropend is, als een coldcasezaak.

Of vrienden van Lisette die in de zomer van 1992 een posteractie hebben gehouden. Of de leden van de Overveense tennisclub WOC, waar ze als laatste is gezien.

Afgezanten van de Rotary in Alphen aan de Rijn, die hebben meegeholpen bij de zoektocht, na aanwijzingen van helderzienden. Leraren en leerlingen van het Groene Hart Lyceum in Alphen aan de Rijn, waar ze ooit op school zat, en waar een grootschalige geldinzameling werd gehouden voor de stichting Lisette Vroege die zich in India inzet voor kansarme kinderen. Of veertien mannen van de Haarlemse hengelvereniging die in het najaar van 1992 de sloten in de buurt hebben nagelopen.

Lisette - waar ben je?

Ik ga in juni 1992 als verslaggever van huis naar huis op het Haarlemse plein, bel aan, probeer een afspraak te maken, spreek iedereen aan op straat, om de hoek, op de fiets, urenlang, dagenlang; ik rij naar de tennisclub aan de Zeeweg waar ze de avond van haar verdwijning nog was geweest.

Ik hoor dat ze gesproken heeft met een makelaar uit de buurt, omdat ze op zoek is naar een nieuw huis - ik spreek de makelaar. Ze moet weg uit haar huis, aan het plein, aan de Kleverparkweg, zoals het plein eigenlijk heet. Niet dat de etage aan het plein haar niet aanstaat of dat ze niet met haar buren kan opschieten. Met die kamer op de eerste etage, niks mis.

Ik heb het zelf gezien, tenminste ik ben het pand heel even binnengelaten, maar verder mag ik niet.

Ze moet dus verhuizen, dat hebben de eigenaren van het kapitale herenhuis haar verteld - ik spreek de eigenaar. Dure appartementen moeten er in het pand komen. Ze mag blijven als ze instemt met een flinke huurverhoging. En daar heeft Lisette, net afgestudeerd als fysiotherapeute en net een baan bij de Arbodienst, geen zin in.

3 juni 1992

Ze heeft het koud, op de tennisbaan, zo heeft ze het gezegd, hoor ik, en gaat naar huis, op 3 juni 1992. Een huis kopen, dat zou zomaar de oplossing kunnen zijn. Ze moet het hebben gedacht en besproken met haar vriend, die ook op een andere baan aan het tennissen was. Misschien kan de makelaar, die om de hoek zijn kantoor heeft, haar wel verder helpen.

Ik probeer me voor te stellen hoe ze in een paars trainingspak met witte schoenen van de baan wegloopt, onder haar arm een Donnay-tennisracket in de hoes en een blikje tennisballen. Van het terrein van de tennisclub afwandelt, een recht paadje, op weg naar het parkeerterrein.

De auto in, haar blauwe Volkswagen Polo (kenteken JK-28-HJ) en legt het tennisracket op de passagiersstoel. De radio gaat vanzelf aan, dat zou zomaar kunnen, en de nummer-1-hit van dat moment is te horen: Guns n' Roses met hun versie van Bob Dylans Knockin' on heaven's door.

Mama take this badge from me

I can't use it anymore

It's getting dark too dark to see

Feels like I'm knockin' on heaven's door.

Ze draait het parkeerterrein af, steekt het fietspad over, en slaat rechtsaf de Zeeweg op. Ze rijdt rustig, ze weet hoe ze moet rijden, en dat ze binnen tien minuten thuis is.

Zeeweg. Militairenweg. Julianalaan.

Adriaan Stoopplein. Verspronckweg. Kleverparkweg.

Eén stoplicht, één keer oversteken, twee rotondes, klaar - kilometer of vijf, hooguit. Ritje van niks, op 3 juni 1992, een dag met een mager, waterig zonnetje.

Een buurmeisje kijkt op van haar studieboeken, en denkt: Lisette komt thuis. Een voorbijhollend meisje ziet haar ook thuiskomen.

Lisette parkeert de auto voor de deur, haalt de sleutel uit het contact en klapt de deur open. Loopt om de auto heen, staat voor het ijzeren hek en...

...en ja, en dan, wat dan. Wat dan - helemaal niks.

The Trial of the Incredible Hulk (1989) is op dat moment op televisie, een tweede film in een drieluik over een man die in een groen monster verandert.

Haar vriend - ik spreek haar vriend, die tijdens het gesprek om me heen danst als een neurotische bokser. Haar 26-jarige vriend komt een half uur later thuis, het is tien uur. Daar is haar auto, daar is haar fiets, maar er brandt geen licht in haar huis. Hij maakte de voordeur open en ziet ook niet haar tennisschoenen beneden staan, of haar tennisracket. De trap op, de deur is dicht. Er klopt iets niet, instinctief voelt hij dat zo, die vriend. Lisette doet niet iets wat afwijkt, ze doet altijd hetzelfde, min of meer.

Om elf uur belt hij de politie. Wacht maar af, zeggen ze hem daar. Wacht maar af, er zijn wel vaker mensen even weg om later weer terug te komen.

Om half twaalf belt hij nog een keer, net als om kwart over twee.

De familie Vroege - vader, moeder, zus en broer. Ik sprak ze in Haarlem, op een speciaal adres, en weer later in Alphen aan de Rijn, in de huiskamer. Lisette is een doodgewoon, lief meisje, dat altijd voor iedereen klaarstaat.

Dat ze verdwenen is, is onverteerbaar.

Ik hoor niks anders, ook niet van de twee rechercheurs, Ger en Nico, met wie ik na lang aandringen in een kamertje op het politiebureau spreek. Zomaar verdwijnen, zich in een onbekend avontuur storten, nee zeker Lisette niet. Haar chef vertelde nog maar kort geleden dat ze mocht blijven als bedrijfsadviseur.

Er komen nog meer rechercheurs bij, later, en ook nog een bij de FBI in Amerika opgeleide analist. De eerste jaren houdt de politie een logboek bij - ik heb dat logboek, en het verhuist al jaren mee. Erin lezend zie ik wat er allemaal tot de politie komt aan vreemde en krankzinnig reacties en hopeloze maar fascinerende tips, aan opmerkingen en brieven. Er zijn aanzetten tot interessante dingen, die onderzocht worden, en weer verzanden.

Maar nergens de moedeloosheid, cynisme of gebrek aan hoop van de rechercheurs, zelfs niet na twee jaar. Soms staat er opeens in hoofdletters de hoop dat er nu een echt goed spoor is.

In 2002, tien jaar verder, zegt een rechercheur dat ze in het begin niet ijverig en alert zijn geweest en te weinig mensen hadden ingezet, in de gouden uren van het recherchewerk, toen het spoor nog vers was.

Was er dan helemaal niks?

Er was haar tennisracket dat op 28 oktober 1992 werd gevonden, op een plek grofweg tussen haar huis en de tennisbaan in. En in een sloot verderop werd haar tennisschoen aangetroffen.

Sloten werd uitgegraven, rioleringen nageplozen, vijvers leeggepompt, en nog eens vierhonderd buurtbewoners ondervraagd. Niks. Ook onderzoek in het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk van racket en schoen leverde geen sporen op.

In 1994 waren er opeens twijfels over haar toen 26-jarige vriend, en zijn rol in deze zaak. Zijn verklaring over het tijdstip van zijn thuiskomst, op de avond van de verdwijning, was onduidelijk. Was hij naast slachtoffer ook dader, zo vroegen de rechercheurs zich in het logboek af. Het bleef een vraag zonder antwoord.

maart 2012

Nu staat ik hier weer, op het plein, voor haar huis, op een heldere dag in maart 2012. De zaak is heropend, want de onderzoeksleider van de Haarlemse politie en de officier van justitie willen er nog één keer hun schouders onder zetten. De zaak die in de regio zo'n enorm impact had en heeft, nog een keer helemaal opnieuw onderzoeken, alsof het gisteren gebeurd is. Terwijl er toch geen keiharde en fonkelnieuwe aanknopingspunten zijn, en dat is merkwaardig. Want een coldcase-onderzoek heeft doorgaans een aanleiding.

Op 16 maart zou ze 47 jaar zijn geworden, daar denk ik aan, als ik het ijzeren deurtje opzijduw. Was ze misschien moeder geweest van twee kinderen, en had ze een leidinggevende functie bij een gezondheidsinstelling.

Ze ging nog steeds om met de meiden met wie ze in een trainingsgroepje zat, maar het tennissen had ze erbij gelaten, dat was niks. Met haar gezin woonde ze in een jarendertighuis, in een gewilde wijk. Ze leefde intens, zo voelde ze het, en zo had ze het in haar dagboek geschreven, dat ze nog steeds bijhield.

De voordeur wordt geopend door de vrouw die er na die verbouwing nog steeds woont. In augustus 1992 namen zij en haar man het over, en negen maanden lang werd er verbouwd, het hele huis gestript. Tien laadbakken puin leverde het op.

Twee jaar na de verbouwing vroeg de politie een keer of ze ook tussen plafonds hadden gekeken. Of zij de tuin weleens hadden omgespit.

Ze zeiden dat het allemaal grondig was gedaan. Als ze Lisette hadden aangetroffen, hadden ze dat echt wel verteld. Ja, waarom was de politie niet bij de verbouwing geweest? Hadden de rechercheurs het met eigen ogen kunnen bekijken.

Een halletje, mooi betegeld, tussendeur open, en dan de trap op, naar de oude kamer van Lisette. Zeventien treden, rechtsaf haar kamer aan de voorkant (ongeveer acht bij vier meter), en een achterkamer van twee-en-een-halvemeter bij vier. Een balkonnetje. Toen een keukentje, en een toilet en douche.

Ik sta in haar kamer, en probeer me net als twintig jaar geleden in te beelden wat zij dacht, als zij hier stond.

Ik sta in haar kamer, na twintig jaar, waar ze uitzicht had op het plein, al zag het er toen een stuk minder gelikt uit, net als het huis zelf.

Het enige wat aan Lisettes huis intact is gebleven, is het ietwat gammele verouderde ijzeren hekje aan de voorkant van het huis. Een stille getuige van haar thuiskomst. Of zij het piepende deurtje van dit hek heeft opengeduwd op die avond van 3 juni 1992, en toch even naar binnen is gegaan, weet niemand.

De nieuwe bewoners hebben het hek daar al die twintig jaar gelaten. Ze hebben wel de scherpe punten er afgezaagd.

Ze moesten er niet aan denken dat hun kinderen zich aan dat hek zouden bezeren.

undefined

Meer over