Limburgs wielertalent is zoek

De wielersport leeft in Limburg. De hellingen rondom Maastricht vormen het decor van de belangrijkste koersen én de fietstochten die tienduizenden wielerliefhebbers elk jaar maken....

door Mark van Driel

NIET LANG nadat Marc Lotz en Max van Heeswijk de top van de Cauberg zijn gepasseerd, trotseert een groepje jonge amateurs de regen en wind op de populairste helling van Limburg. Ze klimmen voor het oog van de slinkende haag toeschouwers, de meesten moeizaam maar vastberaden, een enkeling met de lichte tred van een geoefende renner. Misschien zit er talent tussen. Maar een Limburgs talent?

Van Heeswijk, Limburger en Domorenner, acht die kans zonder het groepje te hebben gezien klein: 'Na mijn generatie is niets meer gekomen.'

Lotz, Limburger en Raborenner, is net zo somber: 'Ik snap niet waarom ze in Noord-Holland wel kunnen fietsen en hier niet.'

Frans Maassen, juniorencoach bij Rabobank: 'Het is pijnlijk om toe te geven. Maar ik kan het Limburgse talent niet vinden.'

Maassen, de laatste Limburger die de Amstel Gold Race (1991) won, verbaast zich al jaren over het geringe aantal renners uit zijn geboortestreek. Nergens in Nederland leeft het wielrennen als in Limburg. De belangrijkste Nederlandse wedstrijden, waaronder de Amstel Gold Race, hebben er plaats. En tienduizenden liefhebbers testen elk jaar hun krachten op de hellingen die de profs beklimmen. Een inspirerender omgeving voor jonge renners is nauwelijks denkbaar, zo lijkt het.

Dus waarom lukt het de Limburgers niet om talent voort te brengen?

Voordat Maassen mogelijk verklaringen geeft, grijpt hij naar de cijfers. Sinds hij zeven jaar geleden bij Rabobank werd aangesteld als juniorenploegleider heeft hij 65 renners begeleid, vermoedelijk de meest getalenteerde jeugdrenners in Nederland. Uit Limburg zijn welgeteld twee renners tot zijn selectie doorgedrongen. 'Twee! Dat is matig, op zijn zachtst gezegd.'

Maassen (37) geeft meer cijfers. Toen hij bij de junioren reed, streden nog honderdvijftig jongens tussen de zestien en negentien om het kampioenschap van Limburg. In de tijd van Lotz (28) was dat gezakt naar zestig. Bij de laatste editie melden zich krap twintig deelnemers. 'In andere regio's zijn het er soms wel vier keer zoveel.'

Maar een verklaring?

Van Heeswijk, (zondag 71ste in de Amstel Gold Race): 'Het is hier prachtig fietsen. Er is weinig verkeer, er zijn prachtige bergen. Het zal wel een gebrek aan motivatie zijn.'

'Misschien gaan ze in Limburg liever naar de disco', oppert Lotz (zondag 12de) vrolijk. 'Misschien is hier meer afleiding dan elders.'

En Maassen: 'Misschien speelt de reputatie van wielrennen een rol. In de jaren negentig is veel te doen geweest over doping. De plaatselijke krant heeft heel negatief over wielrennen geschreven, misschien wel terecht. Het kan natuurlijk dat veel ouders hebben gedacht dat hun zoon beter op voetballen konden. Maar dat kan ook te gemakkelijk gedacht zijn. Wellicht is het een mentale kwestie. Om door te breken als renner moet je met je vuist op tafel durven slaan. Limburgers gaan vaak de confrontatie uit de weg. Ze blijven liever wat meer op de achtergrond.'

Gudo Kramer, woordvoerder van de wielrenunie KNWU, kent de keur aan theorieën waarmee het geringe aantal Limburgse toppers wordt verklaard. Maar erg bevredigend vindt hij ze niet. Onderzoek van de fietsbond heeft een volgens hem betere verklaring opgeleverd.

De rijke Limburgse wielercultuur staat de opkomst van talent in de weg.

Een paradoxale verklaring, erkent Kramer meteen. Maar daarom niet minder waar. Hij legt uit. In tegenstelling tot wat lang is gedacht, leiden de successen van profrenners niet automatisch tot navolging. 'In de meest succesvolle jaren van het wielrennen, de periode van Zoetemelk en Raas, is het aantal jeugd renners snel afgenomen. Iedereen was bezig met de top. Maar als clubs zich alleen met de besten bezighouden, is de drempel om als beginner lid te worden veel te hoog. En als ze beginnen, raken ze snel gedemotiveerd.'

In de hoop de teloorgang van het jeugdwielrennen te stoppen, koos de wielerbond midden jaren negentig voor een nieuwe aanpak. Op basis- en middelbare scholen worden kinderen warm gemaakt voor wielrennen, onder meer door 'dikkebandenraces' te organiseren: koersen voor gewone fietsen of mountainbikes. Er worden circuits aangelegd en er zijn clubhuizen gebouwd.

Die aanpak werkt buiten Limburg. Het aantal jeugdrenners met wedstrijdlicentie vertoont een gestage stijging. De groep Nederlandse renners tot veertien jaar groeide tussen 1997 en vorig jaar van 735 naar 1093. De junioren gingen van 412 naar 481. Maar op het totaal van negenduizend Nederlandse renners met een wedstrijdlicentie wonen er niet meer dan 327 in Limburg. (Zuid-Holland is met 1525 het grootste wielerdistrict).

Kramer: 'Hoewel het verenigingsleven in Limburg sterk is, lijkt dat voor wielrennen niet op te gaan. Iedereen denkt bij fietsen aan tweehonderd kilometer over de hellingen. Daardoor worden simpele dingen vergeten. Er zijn nauwelijks clubs en behalve de grote wedstrijden worden er bijna geen koersen georganiseerd.'

Guus Groen herkent het beeld dat Kramer schetst. De voormalig inwoner van Almere is onlangs door de KNWU aangesteld om de jeugd in Limburg enthousiast te maken voor de wielersport. 'In het westen bedenk je een plan en zet je je schouders eronder. Hier is men wat lankmoediger. Er is een plan. Vervolgens wacht iedereen af wie er mee gaat beginnen.'

Groen verwacht geen wonderen van zijn aanpak. Wielrennen is duurder dan voetbal en vraagt meer betrokkenheid van ouders. Maar als het bezoeken van scholen en de aanleg van circuits elders werkt, waarom dan niet Limburg? Dat een opvolger van Frans Maassen ('Ik voel me niet geroepen om zelf nog op de fiets te klimmen!') zich niet vanzelf aandient, is inmiddels wel duidelijk.

KNWU-woordvoerder Kramer: 'Iedereen wil wel graag tegen de Cauberg op fietsen, maar wedstrijden rijden leer je daar echt niet van.'

Meer over