Lijden tussen de boeddha's

Vandaag begint de Maand van de Spiritualiteit. Geen stroming mag zich in zo'n gestegen westerse populariteit verheugen als het boeddhisme. De Nederlandse kunsthistorica Mariëlle Hageman gaf al haar spullen weg en vertrok naar Nepal. Door Olaf Tempelman

Tot de profetische voorspellingen van de Britse historicus Arnold J. Toynbee (1889-1975) behoort de opkomst van het boeddhisme in de westerse wereld. Het boeddhisme hangt tussen een godsdienst en een levensfilosofie in, het is op individualistische leest geschoeid en het kent geen collectieve dwang. Daarbij komt het van ver en heeft het (bij ons) geen besmeurd verleden. Het is dus aantrekkelijk in een gebied waar het en masse afgevallen christendom een spiritueel vacuüm achterlaat.


Of al die boeddhabeeldjes bij Blokker en Ikea de opkomst onderstrepen, valt nog te bezien. Tekenend zijn de massa's die uitlopen bij lezingen van de Dalai Lama en de miljoenen exemplaren die zijn verkocht van Het Tibetaanse boek van leven en sterven van Sogyal Rinpochee. Ik vond dat geen fijn boek. Deze Tibetaanse meester ziet zijn westerse lezers erg als hulpeloze slachtoffers van een verkeerde manier van leven en heeft weinig oog voor westerse merites.


Overtuigender en beter van toon is het werk van de Franse boeddhistische monnik Matthieu Ricard, zoon van de beroemde Franse filosoof Jean François Revel (Ni Jésus ni Marx). In het gesprekkenboek met zijn vader, De monnik en de filosoof, legt Ricard de vinger op flink wat zwakke plekken van de westerse cultuur en duidt hij de soorten ongeluk die de aan de zijn illusoire Zelf gehechte westerse mens over zich afroept. Ook belangwekkend is het door Ricard, van oorsprong moleculair bioloog, met de Vietnamese astrofysicus Trinh Xuan Thuan vervaardigde De monnik en de wetenschapper. Uit dit werk ontstaat een prachtig beeld van wat de wetenschap vermag - én niet vermag. De westerse mens is op weg tweehonderd jaar te worden met zijn eigen tanden, maar zijn spirituele gezondheid blijft steeds verder bij zijn fysieke achter.


De Nederlandse kunsthistorica Mariëlle Hageman (1971) voelde zich als velen in deze tijd door boeddhistische inzichten aangesproken, in het bijzonder door Ricard. Het effect van meditatie op zijn hersenen was zo positief dat hij in een onderzoek naar geluk van alle deelnemers de hoogste score behaalde. 'Zulk wetenschappelijk bewijs deed het bij mij, als voormalig academicus, goed. Dat sprak me aan in het boeddhisme: uiteindelijk is het helemaal niet zweverig maar is het juist heel nuchter (...), een filosofie met beproefde methoden.'


Hageman wilde niet bij al die westerlingen horen die vrijblijvend aan het boeddhisme snuffelen, spulletjes kopen in de Tibet-winkel en af en toe in kleermakerszit op een kleedje plaatsnemen, wierook erbij. Getrainde boeddhisten vergelijken dit 'spiritueel winkelen' wel met het op vele plekken graven van putjes zonder ooit het grondwater te bereiken. Je moet ergens doorgraven. In 2007 gaf Hageman al haar spullen weg en vertrok naar Nepal. Drie jaar lang werkte zij daar in het klooster van Ricard. Overal Boeddha's - En hoe ik geen verlichting bereikte heet het verslag van dit spirituele avontuur dat, de titel verraadt het, niet goed afloopt, althans niet in de buurt van 'de Monnik' zoals Ricard in het boek heet.


Dat de meeste westerlingen het niet ver schoppen op het boeddhistische pad, wordt vaak verklaard uit het feit dat ze moeten functioneren in een competitieve omgeving die gericht is op het versterken van het Ego, op onze hechting aan ons Zelf. Voortdurend wordt er ingespeeld op verlangens. Om ervan los te raken moet je weg uit de ratrace, zoals een gewond hert zich terugtrekt op een rustige plek om te herstellen.


Vervolg op p2


Kathmandu is geen plek voor een gewond hert

Vervolg van p1


De suggestie in veel voor de westerse markt vervaardigde boeddhistische lectuur is dat dit makkelijk gaat in het gebied van oorsprong van de leer. Maar in Overal Boeddha's blijkt de realiteit weerbarstig. Een plek voor een gewond hert is de Nepalese hoofdstad in ieder geval niet. Kathmandu is gewoon een derdewereldstad met vervuilde straten en idioot verkeer. Ook Hageman wordt er ziek. De stroomstoornissen hebben als enige voordeel dat de harde muziek dan stilvalt, ook Britney Spears die een monnik op de kloostercomputer beluistert.


Een belangrijker obstakel op haar pad naar de verlichting blijken de westerse vrouwen die al jaren in en rond het klooster verblijven, en die ondanks oefenen in onthechten possessieve gevoelens koesteren ten opzichte van Ricard. De Monnik is beroemd, reist de wereld rond, schrijft boeken en leidt charitatieve organisaties en kan wel wat hulp gebruiken - maar hij wil geen assistent. Zonder ervoor betaald te krijgen ontfermt Hageman zich over steeds meer van zijn projecten. Een eer, vindt ze zelf. Maar ze wekt er de wrok mee van vrouwen met namen als Deborah en Veronique die 'Marilel' als een indringster zien en haar het liefst villen. Dat had Hageman niet verwacht. 'Dit soort taferelen, mensen die botsen, die zich laten leiden door jaloezie en irritatie, vind je natuurlijk overal. Maar ik dacht dat mensen die al zo lang mediteren, mensen die verbonden zijn aan een klooster, die zo dicht bij de Monnik en de lama's staan, dat die zich anders zouden gedragen. Als je geen vrede vindt in een boeddhistisch klooster, waar dan wel?'


Ja waar? Langri Thangpa, de boeddhistische monnik wiens duizend jaar oude verzen Hageman bestudeerde, schreef dat we degenen die ons leven onaangenaam maken moeten 'koesteren als een schat aan kostbare edelstenen'. Zij zetten ons aan tot oefeningen om het kwaad in onszelf te laten stoppen, we moeten hun zwarte rook inademen en schone lucht uitademen. Met woede reageren is hetzelfde als het werpen van een brandend stuk houtskool. Wie het gooit, brandt zichzelf het meest. Een prachtig beeld. Maar na vreselijke e-mails van Deborah en roddels van Veronique blijkt de wijsheid nog niet eenvoudig in praktijk te brengen. In zo'n omgeving is het niet alleen lastig mediteren, maar ook om je psychisch evenwicht te bewaren. Hageman krijgt huilbuien, en na verloop van tijd heeft de Monnik, de gelukkigste man ter wereld, de ongelukkigste assistente.


De Duitse boeddhist Franz verklaart de problematiek in het klooster op weinig boeddhistische wijze. ' Vrouwen hebben mannelijke energie nodig, en omdat jullie allemaal geen man hebben, proberen jullie dat soort bevestiging van de Monnik te krijgen.' Ga daar weg, denk je als lezer. Maar het duurt lang voordat Hageman de stap zet. Want behalve dat ze niet van opgeven houdt, hengelt ook zij, ze constateert het zelf, naar bevestiging van de Monnik. Een compliment is genoeg om haar lijdensweg te verlengen. Als ze ten leste vertrekt, knippen haar rivalen haar van een foto met een filmsterboeddhist in wie we Richard Gere herkennen.


De Monnik, Ricard, valt in Overal Boeddha's niet van zijn voetstuk: hij is wel druk, gestresst en verstrooid. Haar avontuur overpeinzend komt Hageman tot de conclusie dat ze als zoveel westerlingen misschien wel in een val is gestapt, die van het gebruik van het boeddhisme ter versteviging in plaats van ter ontmanteling van het Ego: kijk ons eens het boeddhistische pad opgaan. Uiteindelijk komt de auteur van dit werk waarin veel geworsteld wordt boven. In India leert ze van een lama dat het boeddhistische pad geenszins leidt naar geluk in westerse zin, naar geluk als synoniem voor succes en welbehagen. Het leidt tot inzicht in het wezen der dingen, tot vrijheid van een pijn die voortvloeit uit verkeerde voorstellingen.


Vier wereldse behoeften onderscheidt de wijze Langri Thangpa, die om het goed te hebben (rijkdom), die om ons goed te voelen (gezondheid), die om geprezen te worden (status) en die om vergezeld te worden (aandacht). Flink wat wanna-be-boeddha's uit dit boek hebben nog wat huiswerk. 'Het zijn net mensen', had Overal Boeddha's ook kunnen heten, maar die titel is al bezet.


Meer over