Liever zoetwatervissen dan diplomatie

Vorige maand kreeg hij de Erasmusprijs voor zijn 'uitzonderlijke boeken over vis'; dinsdag overleed ex-diplomaat Davidson (1924) in Londen...

Zijn stationering in Tunesië betekende het begin van het einde van de diplomatieke loopbaan van de Schot Alan Davidson. Zijn Amerikaanse vrouw Jane ervoer het als een handicap dat zij vrijwel geen van de vissoorten kende die dagelijks in Tunis vers werden aangevoerd. Een gids, liefst een overzicht met afbeeldingen, bleek nergens verkrijgbaar. De energieke Davidson stelde er zelf een samen en gaf het uit in eigen beheer. Meteen ook zette hij de namen erbij die in de omringende landen in zwang zijn – de Tunesische skoumbri is in Frankrijk een maquereau. Het overzichte groeide uit tot een inmiddels ook vertaald naslagwerk: Mediterranean Seafood (1972).

Vissen, schaal- en schelpdieren, zeker ook hun per regio vaak net weer andere bereidingswijzen, lieten Davidson, die in Oxford klassieke talen had gestudeerd, niet meer los. Voor zijn Noord-Atlantisch viskookboek droeg hij opnieuw een overweldigende mix aan van wetenschappelijke feiten, anekdoten, eigen waarnemingen, citaten en recepten. Ze zijn zo gerangschikt dat je het vaker oppakt om je door hem te laten meeslepen dan om eruit te koken. Vanuit Laos, hij schopte het daar nog tot ambassadeur, idem dito: een boekje over de inheemse zoetwatervissen. 'Aldaar een groot succes', zei hij in een interview. 'Ik was meteen miljonair.' In kip dan, de munt van Laos.

Met zijn vrouw vertaalde hij een selectie uit de Grand Dictionnaire de Cuisine van Alexandre Dumas, père (met een recept voor olifantspoten). Ruim twintig jaar deed hij over het samenstellen van wat zijn magnum opus zou worden: The Oxford Companion to Food (2000), negenhonderd pagina's dik. Met een keur van medewerkers verzamelde hij 2650 lemmata, die licht werpen op de smaak van albatros, de ontstaansgeschiedenis van Liederkranz en funistrada, een fraai voorbeeld van ghost food. Dit niet-bestaande voedsel scoorde op een vragenlijst van het Amerikaanse leger hoger dan limabonen en aubergines.

Met jongensachtig plezier leidde Davidson ook zijn Interspi, 'het jongere zusje van Interpol', een club van bekende (kook)schrijvers die obscure ingrediënten moest proberen thuis te brengen. In Nederland, waar hij als diplomaat nog een aantal jaren met plezier werkzaam was, had hij nog geen spion kunnen aanstellen. Zijn vrouw opereerde als Troubleshooter Numero Uno, zelf bekleedde hij de bescheiden functie van bibliothecaris.

Bij al zijn belangstelling voor eten en drinken, bleef hij allergisch voor het vocabulaire van wijnschrijvers. Niets moest hij hebben van 'een vuursteenharde (of fluweelzachte, of zachte maar vuurstenige, of paarse en sponsachtige) neus van een Château Quelquechose'.

Meer over