Liever iemand met buikpijn

In het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam werken 7.000 mensen en 2.400 studenten volgen er hun opleiding. Het ziekenhuis heeft 50 kilometer gang, 25 duizend opnamen per jaar, 29 duizend dagbehandelingen en 350 duizend polikliniek-bezoeken....

Corine Koole fotografie en  Henk Wildschut

Donderdag 20.30 uur. Een half uur geleden was Jesse nog met zijn vriend Brian een beetje aan het dollen op de Amsteldijk, nu ligt de 18-jarige scholier op een brancard op de Eerste Hulp van het AMC. Rob had de telefoon opgenomen en kalm het personeel al op de hoogte gesteld. Een scooterongeluk. Met 15 kilometer per uur gebotst tegen een auto die 45 reed. De jongen kreunt en kermt. Zijn gezicht is verkrampt. De vrolijke afgetrapte DSquared-schoenen met de regenboogstrepen, de spijkerbroek en het T-shirt van G-Star in de klinische omgeving van een ziekenhuis, hebben iets ontzagwekkends. Alsof de voorzienigheid niet met zich laat spotten. Je kunt nog zo proberen met je leeftijd en eigentijdse kleren het eeuwige leven af te dwingen, wanneer het je tijd is, is verzet onmogelijk. Zoiets.

Het was, vertelt iemand van de ambulance, een dom ongeluk. Jesse was op weg naar wat vrienden, keek achterom, lachte naar Brian en zag de auto van rechts niet aankomen. Hij werd vol geschept en vloog 10 meter de lucht in. Hij droeg een helm met open vizier, heeft een enkelfractuur en kreeg 2 cc fentanyl. Zijn ouders zijn nog niet gewaarschuwd.

Rob luistert naar het verslag. Hij is een brede man van gemiddelde lengte met een laconieke en een beetje dwarse blik in zijn ogen. Hij werkt al twintig jaar als verpleegkundige op de Eerste Hulp, maar hij is niet dol op verkeersongelukken. Te veel protocollen. Rob houdt van vechten voor een leven, van adrenaline. Als dat er niet is, heeft hij liever iemand met bijvoorbeeld acute buikpijn. Met zo iemand kan hij praten, hij kan vragen stellen, contact maken. Met een paar simpele handelingen en onderzoeken kan hij soms de patiënt al geruststellen. Hij tast af, denkt na, net zolang tot zich in zijn hoofd een beeld begint te vormen. Voor een patiënt met buikpijn moet je creatief zijn en beschikken over sociale vaardigheden.

Een verkeersslachtoffer als Jesse moet volgens een vast schema op allerlei functies worden getoetst. Eerst wordt de ademhaling gecontroleerd, dan worden de longen bekeken, dan de circulatie, en als die drie orde zijn, kan in een rustiger tempo, alweer volgens een bepaalde volgorde de rest van het lichaam worden bekeken. Doeltreffend, jazeker, maar voorspelbaar.

Jesse schreeuwt het uit. Hij heeft zijn bewustzijn ook onderweg naar het ziekenhuis geen moment verloren, hij weet precies wat er aan de hand is. Hij praat met de verpleegkundigen om hem heen, vertelt nog eens dat hij die auto niet had zien aankomen. Zijn armen hangen langs zijn lichaam naar beneden. Zijn hoofd is vastgemaakt in een oranje korset. ‘Niet bewegen. Als we je iets vragen alleen ja en nee antwoorden’, zegt iemand.

Jesse kreunt als een vrouw die moet bevallen, verontrust. De pijn in zijn been is van het soort dat zijn verstand te boven gaat, erger dan hij ooit heeft meegemaakt. ‘Au, au mijn been.’ Een mantra die hij blijft herhalen. Niemand reageert. Hij heeft al een opiaat gehad en zal even geduld moeten hebben. Rob en de andere verpleegkundigen praten kalm tegen hem, zoals een moeder tegen haar gevallen kind, in korte zinnen bestaande uit opbeurende woorden. Geen zorgen, drukt hun intonatie uit. Maak je niet druk. Je hoeft niets meer te doen, wij doen alles, houd je maar stil.

Maar Jesse kan niet stil zijn, hoe kan hij zich niet verroeren wanneer er de hele tijd mensen zo dicht zijn been naderen? Iemand stoot tegen de tafel waarop hij ligt, hij krimpt ineen. En weer roept hij; niet verwijtend, daarvoor ontbreekt hem de energie, maar lijdend, treurig en bijna verbaasd over wat hem overkomen is. Zijn vriend streelt zacht over het haar.

Rob pakt onaangedaan een grote schaar en begint de spijkerbroek open te knippen. Ook dat zijn de voorschriften. Kleren worden altijd opengeknipt, dat gaat sneller dan uitkleden en je hoeft een patiënt niet onnodig op te tillen en te verleggen. Hij haalt het losse geld uit de broek, een iPod, een aansteker, een pakje Marlboro en een bos sleutels waarvan één verbogen is door de val. Hij stopt alles in een plastic zakje. Dan knipt hij ook het T-shirt door.

‘Wil je de neuroloog bellen?’, vraagt chirurg Abdel aan Rob. Jesse heeft een grote hoofdwond, zijn gezicht is bijna onherkenbaar door het geronnen bloed. In geval van hoofdwonden wordt de neuroloog altijd gewaarschuwd. Rob knikt, hij belichaamt kalmte en oplettendheid. Zelfs wanneer hij met zijn handen over elkaar wacht op een nieuwe opdracht, drukt zijn houding geen vermoeidheid uit of verveling, maar verwachting. Hij draait een nummer. ‘Of het acuut is?’, herhaalt hij met een beetje korzelig de reactie van de neuroloog. ‘Ja, redelijk. Hij ligt op de traumakamer.’ Hij buigt zich voorover naar Jesse in zijn blauwe Björn Borg-onderbroek. ‘Je doet het hartstikke goed, Jesse. Ik geef je zo nog 2 cc tegen de pijn, maar als we te veel geven, weten we niet waar de pijn zit.’ Jesse ontspant een beetje, maar antwoordt niet. Zijn vriend, een jongen van een jaar of twintig in een leren jasje, staat een beetje verslagen naast hem. Jesse is niet in levensgevaar. Maar verder is er nog niks bekend: hoe de beenfractuur eruit ziet, of het geopereerd moet worden, of er iets aan zijn nek mankeert, of zijn hersenen beschadigd zijn.

Jesse wordt op zijn zij gedraaid en de plank waarop hij ligt, wordt onder hem vandaan getrokken. ‘Je hoeft niks te doen, wij doen alles’, herhaalt Rob. ‘Ik ga nu op je wervelkolom drukken,’ zegt de chirurg en terwijl hij bezig is komt de neuroloog binnen, die razendsnel wordt bijgepraat: jongen, scooter, geschept door een auto, helm met open vizier.

Een paar jaar terug was er een klein meisje dat onverwacht stierf op de Eerste Hulp. Daar denkt Rob nog weleens aan. Het was mooi om de familie te begeleiden, hij heeft de broers en zusjes laten spelen met het dode kind. Een van hen liet hij een pluk haar afknippen, de ander vroeg hij een afdruk van de hand te maken. Het aanraken hielp om het eerste rauwe ongeloof te overwinnen en de dood enigszins acceptabel te maken. De jaren erop kreeg hij steeds op de sterfdatum van het kind een bedankbriefje van de familie. Ertoe doen, het verschil maken, is wat iedereen wil en de reden waarom Rob na een omzwerving langs de zeevaart, en later het verzekerings- en bankwezen, de verpleging is ingegaan.

Hij loopt met rechte rug naar de ouders die inmiddels gearriveerd zijn en met een bekertje zwarte koffie in een kamertje wachten. Een vrouw van middelbare leeftijd in een blauwe trui en spijkerbroek en een man in een wit overhemd en een zwarte broek, met tatoeages op zijn onderarmen. Rob geeft ze een hand, vertelt dat de uitslag van de belangrijkste onderzoeken goed is en dat de foto’s en de scan nog zullen worden gemaakt. De ouders tonen geen emotie, nemen een slok, staan op en lopen zwijgend achter Rob aan. Wanneer de vader zijn zoon ziet, begint hij zijn kind over het gezicht te strelen. De moeder, aan het voeteneind, kijkt alsof er elk moment een bus kan stoppen die haar meeneemt.

Dan gaat opnieuw de telefoon en opnieuw is het een verkeersongeluk. Binnen twintig minuten wordt de ambulance verwacht. Een man die in volle vaart met zijn auto tegen een tram is gereden. Hij zit onder het glas. Rob kijkt op zijn horloge. Om 11 uur zit zijn dienst erop. Hij loopt naar de kamer achter de traumakamer en hoort dat de uitslag van Jesse’s hersen- en nekscan goed is. De ouders reageren gelaten, kijken elkaar niet aan en zwijgen.

Meer over