Liever een lelijk eendje

Alle foto's van Koos Breukel bij elkaar zijn één groot zelfportret. Zijn verdrietige moeder, zijn dodelijk zieke vriend, een slachtoffer van de Faro-ramp, een studente die knoeide met een Davino-ijsje....

HET begint al bij het aanbellen: oops voorzichtig ik-ben-er-niet kort, of tadá Hier-Bén-Ik! lang. Deur open. De handdruk. Slap, stevig, te joviaal. 'Loop maar even door naar achteren', zegt Koos dan. 'Ik kom er zo aan.' En hij kijkt: slenteren ze door zijn huiskamer naar de studio achterin, sluipen ze, of, ook dat, stámpen ze? Kijken ze rond, zijn ze zenuwachtig, aaien ze Willem, de hond?

En dan komt Koos Breukel, en gaat hij een foto maken.

Alles telt mee, 'onbewust toch eigenlijk wel'.

Bovendien: 'Ik ben nooit bezig iemands persoonlijkheid te fotograferen. Ik ben maar bezig met een fractie van een mensenleven. Het is niet hét portret van die persoon, het is die persoon in éénhonderdvijfentwintigste seconde. Het gaat om een moment, een ontmoeting tussen mij en hen.'

Dit is wat het is. En het is mooi meegenomen als anderen het leuk vinden. 'Ik voel me nog steeds geen fotograaf. Als ik ga fotograferen in het Vondelpark, voel ik me echt lullig. Het liefst ben ik anoniem.'

Koos Breukel (38) is gewoon die jongen uit Alphen aan den Rijn die tweeën en drieën voor wiskunde haalde, de jongen die sowieso een achterstand had opgelopen omdat hij een paar jaar in Engeland had gewoond, en bovendien ook nog eens Pfeiffer had gehad. Hij is de jongen die droomde dat hij een soort Ed van der Elsken was omdat die 'vrij' was. Al die reizen, al die beelden.

Niet omdat hij vier camera's met lange lenzen om zijn nek wilde hebben hangen, zoals zijn broer Adriaan, of fantaseerde over een wereld vol sportauto's en mooie vrouwen. Hij had geen 'zenuwachtige motordrive' op zijn camera, zoals al die andere jongens in de kantine van de School voor de Fotografie in Den Haag, en hij had evenmin een Panorama in zijn schooltas.

'Oké, dan ga je portretten maken', zeiden de leraren. 'Maar wat ga je er mee dóen? Kun je geen modefotograaf worden?'

'Ik wilde geen fotograaf zijn, ik wilde beelden vastleggen', zegt Breukel. 'Dat is het verschil.'

Wat begon met de loodzware Canon FTB die hij van zijn moeder, een amateurfotograaf, op zijn zestiende kreeg, is nu zijn leven. Of eigenlijk zijn 'te gekke' bron van inkomsten. 'Ik moet leven van mijn werk, ik ben niet bezig met het vergaren van roem. Fotografie zag ik ook nooit echt als serieuze kunstvorm. Totdat er ineens museumdirecteuren op de stoep stonden.'

Het Fries Museum vroeg Breukel een 'visie op Friesland' te geven (het werd een reportage over skûtsjesilers); Wim van Krimpen, de nieuwe directeur van het Haagse Gemeentemuseum, bracht hem onder in de tentoonstelling Pleidooi voor Intuïtie; in januari verschijnt zijn boek Photo Studio.

Een Koos-Breukelportret kan tegenwoordig zesduizend gulden doen, zo bleek vorige maand in Parijs. 'Maar dat kan volgende week weer zeshónderd zijn', wil de fotograaf zelf wel even relativeren.

Vroeger reisde hij om foto's te maken - India, Afrika, New York, Polen, zoals Van der Elsken het deed. Tegenwoordig reist hij vooral zijn eigen foto's achterna. Alleen dit jaar al vier keer voor exposities naar Parijs, Montreal tussendoor, en een keer naar Kyoto.

Nu even niet, vindt hij. Hij is 'leeggereisd'. Breukel wil in zijn huis/atelier in Amsterdam-Zuid, een voormalige Volvo-garage met lichtkoepel in het midden, 'lekker vaderen'. Zoontje Casper, acht maanden oud, heeft een compleet nieuwe wereld voor hem geopend. 'Ik heb een kind gemaakt, kijk nou toch. Wat leuk!' De foto van de geboorte is altijd bij de hand, de enige onscherpe foto die hij heeft ingelijst. Zijn tranen zaten in de weg.

Koos Breukel portretteert zijn eigen leven. Ziet in anderen zijn eigen geluk, zijn eigen verdriet, zijn eigen onzekerheid, zijn eigen angst. Toen Caitlin zwanger was van Casper, lette hij voornamelijk op zwangere vrouwen, en hij vermoedt dat hij de komende tijd vooral naar kinderen kijkt.

'Het zijn van die fases in je leven, kennelijk. Ik ben nooit zo bezig met het publiek. Ik maak de foto's in de eerste plaats voor mezelf. Het is een bewijs dat ik besta, ik weet dat het geen wereldverbeterende producten zijn.'

'Alle foto's bij elkaar, dat is één groot zelfportret.'

In donkere tinten: bijna alles met een 80 procent grijs/zwarte achtergrond - de contouren zijn nog net te zien. 'Donker, ja. Ik weet niet precies waarom. Misschien om me af te zetten tegen Richard Avedon, die alles juist met een witte achtergrond doet. Of Rineke Dijkstra, die heeft vaak een strand. Ik weet het niet. Met donker ben je wel dingen aan het dramatiseren, dat klopt.'

Zijn moeder, vijf jaar geleden, anderhalve maand na de dood van zijn vader, een hartpatiënt. 'We liepen allebei met hetzelfde verdriet rond. Ik dacht: hoe kunnen we dat delen? En ik vond haar ook heel mooi.'

Zijn vader, in het mortuarium. 'Hij lag daar, en ik vond dat ie er zo gezond uitzag. Snel naar huis op en neer voor mijn camera en statief, door de zenuwen heb ik er een kleurenfilm in gedaan, dat doe ik anders nooit. Toen ik weer terug was, moesten ze hem uit de ijskast halen. Daar stond ook een krat bier in, serieus. Ik had het gevoel dat het klopte.'

Zijn 'kunstbroeder' Michael Matthews, de theatermaker die in 1996 overleed aan de gevolgen van aids en de aftakeling van zijn lichaam wilde laten vastleggen. 'Michael was een performer, het is eigenlijk een rare vorm van exhibitionisme. Hij zei: 'Oké, ik ga dood, en ik ga van mijn lichaam kunst maken.''

Zijn vriend fotograaf Eric Hamelink, enkele uren nadat hij te horen had gekregen dat hij een hersentumor had, samen met het hondje dat lijkt te weten dat het zijn baasje gaat verliezen. En, voor Breukel een van de moeilijkste, het portret op zijn sterfbed, in 1998. 'Zijn verhaal is veel treuriger dan dat van Michael. Eric schaamde zich verschrikkelijk voor wat er gebeurde. Zijn lichaam zwol steeds meer op van de medicijnen.'

D

E betekenis, altijd weer: 'Het gaat over de dood, maar misschien juist daardoor over het leven.'

Eén keer heeft Koos gedacht dat hij dood ging, en het scheelde dan ook niet echt veel. Zomer 1992, in de auto, onderweg naar Den Haag om Sylvia Tóth te portretteren. Zijn assistent verloor in de Schipholtunnel de macht over het stuur, ze ramden de auto van een Nieuw-Zeelands echtpaar dat op weg was naar het vliegtuig. De vrouw werd door de achterruit geslingerd - dood. Koos liep rugletsel op, kon voorlopig niet meer sjouwen.

Enkele maanden later - Koos was nog aan het revalideren - zag hij op tv de overlevenden van de Faro-vliegramp terugkeren op Schiphol, december 1992. 'Ze liepen met een doek of jas over hun hoofd. Het leken wel melaatsen, alsof ze een taboe aan het filmen waren. Dat is toch raar. Alsof je je niet mág voorstellen wat die mensen hebben meegemaakt. Ik moest daar iets mee, een soort antropologisch portret maken.'

En ja, het is 'pure projectie'. De portretten die hij in de jaren daarna maakte van overlevenden, onlangs tentoongesteld in het Museum of Modern Art in Kyoto, zeggen iets over dat ongeluk waarbij 56 mensen het leven lieten, maar ook over dat ongeluk in de tunnel. Dat moment van 'dat was het dan, adios!'.

'Het was wederzijdse herkenning', zegt Koos. 'Ze kwamen hier voor gesprekken en begrepen dat ik ook wat had meegemaakt. Ze zaten in een isolement; de mensen om hen heen raakten verveeld als ze weer hun verhaal vertelden. Ik haalde ze uit de anonimiteit. En het scheelde dat de portretten niet voor een tijdschrift waren, maar voor een museum. Dat nam veel angst weg.'

Cora, een verminkte vrouw, vond haar trots terug. Sjors deed mee, de jongen die naast zijn (omgekomen) vader zat in het vliegtuig en van Martinair de hoogste schadevergoeding kreeg. En de nu achtjarige Rijk, destijds als baby met stoel en al het toestel uit gestuiterd, had het eigenlijk liever over zijn nieuwe drumstel willen hebben.

Wat Koos zichzelf vooral realiseerde: 'Dat auto-ongeluk is misschien wel een van de beste dingen die me is overkomen.'

Hij is 'rustiger' geworden, vindt hij zelf. 'De confrontatie is eruit. Ik ben me bewust van het belang van de ontmoeting.' Hij zal niet zo snel meer een sigaar uit de mond van Hans Wiegel proberen te trekken ('mislukt overigens'), of het volle bureau van de Wehkamp-directeur op de gang zetten ('zijn identiteit lag ineens op straat; dat was even nodig').

Sowieso, hij doet niks meer voor tijdschriften. De jaren dat hij voor 'mooie bladen' wilde werken zijn voorbij. Geen Oor, Blvd., Quote of Elsevier meer. Geen Onno Rudings meer, die eigenlijk geen minuut de tijd wilde nemen voor een portret. Maar ook geen idolen meer als Keith Richards, Herman Brood en John Hiatt. 'Ik heb geen zin meer om achter al die mensen aan te rennen. Ik heb ook helemaal niks meer met beroemdheden.'

'Een meisje dat gewoon is langsgekomen' kan net zo interessant of mooi zijn. Of die studente van de Rietveld - Breukel geeft er al acht jaar 'fotografie coaching' - die in het park heeft geknoeid met een Davino-ijsje. En niet Sylvia Kristel, maar juist de hartsvriendin die toevallig meekwam naar de studio. Want 'je kon zien dat ze zich het lelijke eendje voelde'.

Gewone mensen die nét iets unieks hebben, die mensen zoekt Breukel. Hij is 'nieuwsgierig naar mensen', altijd al geweest. 'Het is een soort voyeurisme. Zonder camera was ik heel verlegen, te geblokkeerd. Ik deed eerst landschappen, of ik fotografeerde de maan met de telelens van mijn broer. Later begon ik voorzichtig portretten te maken: mijn vrienden, een meisje dat ik leuk vond. Het was een manier om mensen te leren kennen.'

H

IJ gaat ze opnieuw leren kennen; de gemeente Alphen aan den Rijn heeft hem gevraagd 'iets met de Alphense burgerij' te doen. Daarin zullen een hoofdrol vervullen: de juf van Koos' kleuterschool, die nu in het bejaardentehuis zit; aannemer Slingerland die vroeger zúlke handen had en nu een zacht handje geeft; de twee klasgenootjes die op de Gezusters Hamster leken, en de biologieleraar die de les seksuele voorlichting doodleuk begon met 'Hé Karin, heb je al haar op je kutje?'

Zó'n vent, vond Breukel dat. Ook iemand die iets had dat 'blijft hangen'.

Kwart eeuw later. 'Veel is er eigenlijk niet veranderd. Ik schaam me nog steeds als ik iemand moet fotograferen, zo'n schaamte die een gynaecoloog ook ongeveer moet hebben. Maar als je die niet meer hebt, moet je er mee ophouden.'

Wat wél is veranderd: de zekerheid. Binnen een half uur is Koos Breukel klaar. 'Dan weet ik ook precies welke foto de beste is. Het is niet iets emotioneels, het is toch een technische handeling. Net als bij de tandarts. Dat moet met die boor gewoon goed gaan, je moet er niet aan denken dat ie in je keel schiet.

'Je moet ze het gevoel geven dat je straight bent. Dat wil dus niet per se zeggen dat ze zich bij mij op hun gemak voelen. Maar ja, als iemand hunkert naar liefde, kan ie dat krijgen.'

Het masker valt altijd, is Breukels ervaring. Want hij werkt met een 8 bij 10 inch negatief (een Sinar-camera in de studio en een Deardorff voor buiten). 'Je moet dan heel lang stilzitten. Juist dan kun je een masker niet vasthouden. Op de foto zie je een verstarring, het worden wassen beelden.

'De foto's van vroeger, echt die oude foto's, waren veel onschuldiger. Nu jezelf fotograferen is veel meer jezelf presenteren.'

Soms roept hij: 'Ik ben de fotograaf van 150 jaar geleden!' Dan duikt hij onder het zwarte doek, de ander begint wat te lachen. Dé foto is dan waarschijnlijk al genomen.

Het boek Photo Studio van Koos Breukel (een selectie door Willem van Zoetendaal) verschijnt in januari bij Basalt.

Meer over