Liefdadigheid in crisis

Humanitaire hulp staat onder druk. In noodgebieden maken militairen de dienst uit. Hulpverleners worden als handlangers gezien, met alle risico's vandien....

De tv-beelden gingen de hele wereld over: een bevoorradingsschip van de Britse marine met 230 ton rijst, linzen, kikkererwten, melkpoeder, tomatenpasta, medicijnen en dekens manoeuvreert met een zwaar bewapende escorte door de vaargeul op weg naar de haven van Umm Qasr.

Het schip heet niet helemaal toevallig Sir Galahad, naar de meest hoffelijke en onbaatzuchtige ridder van koning Arthurs ronde tafel. Naast een lading humanitaire hulp heeft de Sir Galahad ook een lading journalisten aan boord, die straks mogen filmen hoe Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hun woord gestand doen en de bevolking van Irak zullen voeden. Kort nadat het schip is afgemeerd, wordt in de stad onder leiding van de Royal Marines voor het eerst voedsel uitgedeeld. Een kluwen van mannen vecht om de pakketten en plastic flesjes water.

Sylvia Borren heeft met afschuw naar de beelden gekeken. 'Mensonterend.' Ze kon in één oogopslag zien dat het voedsel niet terecht zou komen bij de Irakezen die het dringendst hulp nodig hebben. 'Een typisch geval van de sterkste wint.'

Niet alleen dat de vrouwen, kinderen en bejaarden op die manier het onderspit delven wekt haar verontwaardiging. Dat militairen de hulp uitdelen, in plaats van de mogelijkheid te bieden aan hulporganisaties om dat op een efficiënte en rechtvaardige manier te doen, is bijna net zo erg. 'Onterend voor de branche, voor de hulpverlening.'

Borren is directeur van de NOVIB, een hulp- en ontwikkelingsorganisatie die als deel van Oxfam International veel ervaring heeft in humanitaire noodsituaties. Ze had gewaarschuwd voor de gevolgen van militair ingrijpen, de anti-oorlogsdemonstranten in Amsterdam toegesproken, en de Nederlandse regering bestookt met brieven. Tevergeefs.

In Irak staan Oxfam en de andere humanitaire hulporganisaties buitenspel. De Amerikaanse en Britse militairen hebben alle touwtjes in handen bij het verstrekken van de hulp en bij de wederopbouw, en tot verontwaardiging van de hulpverleners rechtvaardigen ze hun ingrijpen ook nog eens in humanitaire termen.

'Door zich van onze taal te bedienen, stellen ze ons werk in een verkeerd daglicht', vindt de NOVIB-directeur, die zich met veel andere hulporganisaties 'verschrikkelijk bezorgd' maakt over het vervagen van de scheidslijn tussen oorlog en humanitaire actie. 'Dan denkt de plaatselijke bevolking dat de hulporganisaties onder één hoedje spelen met de militairen, die ze vaak zien als onderdrukkers. Dat is levensgevaarlijk voor de Rode Kruizen, de Unicefs en de Oxfams van deze wereld. Er zijn in verschillende landen al hulpverleners vermoord.'

De hulporganisaties staan voor een dilemma: in het kielzog van het Amerikanen aan het werk gaan - met alle risico's van dien - of de hulp op een laag pitje zetten en de Irakezen aan hun lot overlaten. Nederlanders lijken sowieso weinig te voelen voor hulp.

De inzamelingsactie onder het motto 'Help de mensen in Irak' is volgens de directeur van een van de deelnemende hulporganisaties 'gewoon geflopt'. Er is 520 duizend euro binnengekomen. 'Het inkomstenniveau is dermate laag dat het in geen enkele verhouding staat met de ambities van de fondsenwervende organisaties.' Ter vergelijking: na de oorlog in Kosovo haalden de hulporganisaties 52 miljoen op.

Een paar jaar geleden was het morele gezag van humanitaire organisaties zo groot dat het meer dan eens lukte de bevolking van de westerse landen in beweging te brengen. Regeringen moesten terdege rekening houden met hun mening. De luchtbrug op Sarajevo, de bombardementen op het Joegoslavië van Milosevic, de vredesmacht voor Oost-Timor en de VN-missie in Congo waren er waarschijnlijk nooit gekomen zonder de hulporganisaties. Ze leken erin geslaagd de slachtoffers een stem te geven in de wereldpolitiek; een enkele optimist sprak zelfs van 'een revolutie van morele betrokkenheid'.

Na de val van de Muur was de hoop ontstaan dat een combinatie van humanitaire hulp, diplomatieke druk en, in het uiterste geval, militaire interventie zou leiden tot een beter bestaan voor iedereen. De wereld leek maakbaarder dan ooit.

De hulp - een bonte verzameling regeringsinstanties, VN-agentschappen en vooral van tientallen particuliere organisaties - had de beschikking over meer geld en kreeg beter dan ooit toegang tot conflictgebieden. De westerse landen, Nederland voorop, verdrievoudigden in de jaren negentig hun uitgaven aan humanitaire hulp tot zes miljard dollar per jaar.

Dat optimisme is vervlogen. Teleurgestelde hulpverleners die van het ene naar het andere conflict vliegen en oorlogsverslaggevers die de idealen van de humanitaire organisaties in de praktijk zien verzanden, stellen kritische vragen.

Het 'morele universalisme van de mensenrechtenkampioenen' heeft de wereld er niet veiliger op gemaakt en de 'slachtoffers alleen valse hoop' gegeven, schrijft de Amerikaanse journalist David Rieff in zijn boek A Bed for the Night. Erger nog: hulporganisaties hebben niet kunnen voorkomen dat het humanitaire ideaal wordt misbruikt als rechtvaardiging voor militair ingrijpen. De 'humanitaire aanpak' verkeert in een crisis.

Nederlandse hulporganisaties zullen het woord 'crisis' niet in de mond nemen. Ze vinden dat de humanitaire aanpak werkt, al zijn de resultaten misschien minder dan ze hadden gedacht of gehoopt. Maar ze hebben het wel over 'rolverwarring' tussen militairen en hulporganisaties (NOVIB); 'een toestand van mission confusion' (Artsen zonder Grenzen); 'een stadium van reflectie' en 'een stukje heroriëntatie' (Cordaid).

De humanitaire hulporganisaties werden ooit opgericht om eenvoudigweg het lijden van slachtoffers te verzachten. In de jaren negentig was een deel niet meer tevreden met 'een pleister op de wonde'; ze wilden met humanitaire hulp-nieuwe-stijl de oorzaken van het lijden aanpakken. Daarom hielden ze zich naast het verschaffen van water, voedsel, medische zorg en onderdak meer en meer bezig met bescherming van de mensenrechten en bevordering van de democratie.

Met de grote ideologieën dood verklaard, bood humanitaire actie een nieuwe weg naar een betere wereld. Het kwam tegemoet aan de diepe behoefte van veel westerlingen om 'iets te doen'. Humanitaire organisaties werden het geweten van een nieuwe wereldorde, en de hulpverleners die in oorlogsgebieden hun leven waagden om mensenlevens te redden, werden door media afgeschilderd als halve heiligen.

De Adviesraad voor Internationale Vraagstukken signaleerde enkele jaren geleden al dat het begrip 'humanitair' gevaarlijk ver was opgerekt. Nog geen derde van wat er op de overheidsbegroting onder de post 'humanitaire hulp' stond, werd besteed aan eerste levensbehoeften voor slachtoffers van oorlog en crisis.

De hulporganisaties brachten steeds meer onder de noemer 'humanitair', zegt Oda van Cranenburgh, één van de leden van de raad en hoogleraar politicologie in Leiden. Uit idealisme èn uit eigenbelang.

'Aan de ene kant hebben ze net als elke organisatie de neiging hun werkveld uit te breiden. Juist omdat ze uit ideële motieven handelen, is de drive om méér te doen heel sterk. Aan de andere kant was er voor humanitaire actie veel geld beschikbaar dat zonder de gebruikelijke lastige procedures kon worden binnengehaald.'

De raad waarschuwde dat de humanitaire hulp wordt gepolitiseerd als die wordt vermengd met bevordering van de mensenrechten en preventie van conflicten.

Maar hoe invloedrijker het humanitaire ideaal werd, hoe vager de definitie. Toen de NAVO in 1999 luchtaanvallen uitvoerde op Joegoslavië heette dat een 'humanitaire oorlog' en werd pas goed duidelijk hoever de term 'humanitair' van zijn oorspronkelijke betekenis was verwijderd.

Humanitaire hulp met militaire middelen? Bommen met het doel menselijk leed te verzachten? Humanitaire actie bleek meer gemeen te hebben met het imperialisme van vroeger dan op het eerste gezicht leek: beiden zijn de overtuiging toegedaan dat hoge morele doelen - nu 'democratie en mensenrechten', vroeger 'orde en beschaving' - het recht of zelfs de plicht geeft in te grijpen.

Humanitaire hulp berust op handjeklap: de partijen die zijn verwikkeld in de strijd geven hulpverleners de kans om de slachtoffers te helpen, en in ruil daarvoor kiezen de hulpverleners geen partij en doen ze niets dat de strijd beïnvloedt. Als hulporganisaties hun neutraliteit opgeven, is de kans levensgroot dat ze zelf een doelwit worden of hen de toegang tot het strijdtoneel wordt ontzegd. Groot idealisme kan zelfs het kleine beetje dat humanitaire hulp in de praktijk kan bereiken in gevaar brengen.

Artsen zonder Grenzen-directeur Austen Davis verzucht dat verstrekken van voedsel, water en medische zorg al genoeg praktische problemen met zich meebrengt. Neem vandaag: straks moet hij beslissen of ze een team terugsturen naar het levensgevaarlijke Bunia in Congo.

'Waardoor wordt de humanitaire hulp gecorrumpeerd?' vraagt Davis. 'In de eerste plaats door politici die er hun beslissingen mee proberen te vergoelijken; dan door de Verenigde Naties die voor eigen eer en glorie werken; en door de verwarring die is geschapen door meer en meer organisaties met allerhande doelen die allemaal beweren dat ze humanitair werk doen.'

De humanitaire hulporganisaties hebben de strijd om hun onafhankelijkheid verloren, vindt Davis. 'Net als elke beweging die de moeite waard is, zijn wij ingekapseld en zijn onze bedoelingen verdraaid. Iedereen zou willen dat zoiets niet gebeurt, maar dit was een periode dat het humanitaire ideaal de politici zo goed van pas kwam, dat ze hun kans wel moesten grijpen.'

In Irak is duidelijk geworden hoever die ontwikkeling is voortgeschreden. 'We moeten erkennen dat de hulp een onderdeel is van de Amerikaanse strategie. We hebben er een tijd tegen gevochten. Dat hebben we opgegeven. We moeten erkennen dat we zijn ingekapseld. Voor honderd procent.'

Gevolg is dat humanitaire hulporganisaties vooral in islamitische landen steeds meer worden gezien als afgezanten van het Westen. In Afghanistan, waar de Amerikaanse B-52's zowel bommen als voedselpakketjes dropten, maakt het gros van de mensen nauwelijks meer onderscheid tussen een hulpverlener en een soldaat. Het zijn westerlingen, ze rijden rond in fourwheel-drives, praten door satelliettelefoons, delen voedsel uit en hebben de mond vol over wederopbouw en democratie.

Natuurlijk zijn de hulpverleners niet bewapend, maar als de toestand uit de hand loopt, worden ze wel geëvacueerd door legerhelikopters. Geen wonder dat hulpverleners het doelwit zijn geworden van fundamentalistische milities. De afgelopen maanden zijn een medewerker van het Rode Kruis en een mijnenruimer van de VN vermoord; een deel van de hulporganisaties reist sindsdien rond met gewapende escorte.

'De gemiddelde burger in Afghanistan - en hetzelfde geldt voor Irak - maakt heus geen onderscheid tussen een Nederlander en een Amerikaan', weet Hans Kruijssen. Hij is directeur van Cordaid, de organisatie waarin Memisa, Mensen in Nood en de Vastenaktie zijn gefuseerd.

'Ze denken niet: die soldaten met die stars and stripes zijn hartstikke slecht, maar die Hollandse hulpverleners, die hebben het wel goed begrepen. Voor hen is het één pot nat. Is dat een goede ontwikkeling? Nee, natuurlijk.'

Toen de Nederlandse mariniers op VN-missie in Cambodja tien jaar geleden wilden meedoen met een humanitair project, werd er door de hulporganisaties nog gefronst. Gaandeweg heeft een deel van de hulporganisaties samenwerking met het leger geaccepteerd.

De regering heeft een speciaal potje met vijftigduizend euro voor hulpprojecten tijdens vredesoperaties in het buitenland, zoals nu in Afghanistan. Maar Defensie steekt niet onder stoelen of banken dat die projecten geen liefdadigheid zijn: 'force protection' en 'force acceptation' staan voorop, blijkt uit de brief over 'civiel-militaire samenwerking' die het ministerie onlangs aan de Tweede Kamer schreef.

Het is voor de hulpverleners even slikken nu hulpgeld onder het mom van humanitair werk ten bate komt van militairen. Het nieuwe kabinet trekt die lijn door: als de mariniers nog eens worden uitgezonden - naar Irak bijvoorbeeld - zal het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking daar hoogstwaarschijnlijk aan moeten meebetalen.

Ondertussen komt de nieuwe wereldorde waar de hulporganisaties naar streven niet dichterbij. Humanitaire interventies hebben op hun best gemengde resultaten gehad en zijn in de ogen van veel hulpverleners een vijgenblad waarachter de VS hun machtszucht verbergen.

Humanitaire hulp-nieuwe-stijl heeft niet kunnen voorkomen dat er in grote delen van Afrika nog steeds oorlog en honger heersen. De hulporganisaties zelf zijn zich daar terdege van bewust. 'Ik denk dat we met een te groot optimisme naar de toekomst hebben gekeken', bekent Kruijssen. 'Het is mogelijk resultaten te bereiken en de positie van mensen te verbeteren, en er zìjn ook dingen bereikt, maar de werkelijkheid is veel ingewikkelder dan we dachten.'

Cordaid maakt even pas op de plaats. 'Hulpverleners zijn doeners, want zolang er nog één arme op de wereld is, hebben ze nog werk. Misschien hebben we te weinig tijd genomen voor reflectie, een stukje heroriëntatie, de oogkleppen afzetten, om ons heen kijken. Als je blik niet wijder wordt, kom je in een fase waarin je minder relevant wordt.'

Over hoe het verder moet verschillen de hulporganisaties van mening. Sommigen, zoals Artsen zonder Grenzen, pleiten voor meer bescheidenheid. Ze willen dat humanitaire hulp strikt neutraal blijft en zich beperkt tot het lenigen van directe nood. Anderen, zoals Novib en Cordaid, willen juist dat humanitaire organisaties op zoek gaan naar nieuwe bondgenoten en een internationaal burgernetwerk creeëren dat sterk genoeg is om op wereldschaal een factor van betekenis te zijn.

'Ben ik strijdbaar? Ja', beantwoordt NOVIB-directeur Borren haar eigen vraag. 'Ben ik een optimist en denk ik dat we een dusdanige machtsfactor zijn dat we alles even kunnen rechtzetten? Nee. Schrik ik daar erg van? Ik vind het vervelend, maar het is een deel van de realiteit.'

Het publiek merkt ondertussen weinig van de haken en ogen die er aan de humanitaire hulp zitten. Nog steeds worden ze gevraagd een girootje uit te schrijven voor een betere wereld. 'Help hongerend Afrika nù! Help de mensen in Irak!'

Niet dat de hulporganisaties de werkelijkheid proberen te verbergen. Voor wervende campagneslogans is het verhaal over op welke manier het verder moet met de Irakese samenleving gewoon veel te ingewikkeld.

Cordaid-directeur Kruijssen: 'Ik wil niet zeggen dat we halve waarheden vertellen. Je geeft een aspect van de werkelijkheid waarvan je weet dat het de mensen aanspreekt. Je zegt: dit dreigt, en we hebben nu geld nodig. Want dat werkt bij het werven van fondsen, en die fondsen zijn op korte termijn heel hard nodig.'

Dus is het embleem van de Irak-actie noodgedwongen weer een meisje in een wit jurkje met een van angst vertrokken gezichtje tegen een achtergrond van dreigende rookwolken.

Op de lange duur kan die aanpak de vrijgevigheid van de mensen ondermijnen. 'Als het publiek de realiteit niet begrijpt en geld geeft in de verwachting dat ze daarmee oorlogen stoppen en democratie en gerechtigheid brengen, krijgen ze een verkeerde indruk van humanitair werk', waarschuwt Austen Davis van Artsen zonder Grenzen.

'Dan geven ze voor de verkeerde zaak, en raken ze teleurgesteld omdat vrede, democratie en algeheel respect voor de mensenrechten niet aanstaande zijn.' De principes waarop het werk van Artsen zonder Grenzen is gegrondvest hebben niets van hun geldigheid verloren, benadrukt hij, maar hij voelt dat de populariteit van de humanitaire organisaties terugloopt. Regeringen stellen minder geld beschikbaar, donateurs worden sceptischer. 'Ik geloof dat de glorietijd van humanitaire hulp voorbij is.'

Meer over