‘Liedeke staat naast me’

Bij het grote publiek zijn ze niet altijd even bekend, maar door hun collega-kunstenaars worden ze bewonderd – de artist’s artists....

Door Foto Rob Gollin en  Gabriel Eisenmeier

Moest ze het wel over haar gaan hebben? ‘Ik had Constantin Brâncusi kunnen nemen. Of Leonardo da Vinci. Eva Hesse. Grote kunstenaars, zeker. Inspiratiebronnen, ook waar.’ Maar de werkelijkheid is nu eenmaal zo dat ze de meeste energie krijgt van personen in haar directe omgeving.

Geen twijfel, nu. ‘Het is belangrijk. De kwaliteit van haar werk is zo bijzonder. Als ik een dag bij haar ben geweest, kan ik vaak niet meer slapen van de opwinding.’

Introducing Liedeke Kruk (Dieren, 1959). Fotografe. Vriendin. Vorig jaar exposeerde ze met 125 portretten uit de kunstwereld in het museum De Pont in Tilburg. ‘Je hebt het niet over iemand die dood is, of op verre afstand verblijft. Liedeke staat naast me, we werken geregeld samen. Dat maakt het kwetsbaar. Wil ze het wel, zo’n kijkje in de keuken? Ik hoop dat ik niks kapot maak.’

Een aselecte steekproef uit het oeuvre van beeldend kunstenares Maria Roosen (Oisterwijk, 1957) ligt gegroepeerd in haar atelier. Bollen, borsten, melkkannen, spermatozoïden van gekleurd glas vullen het badhuis van een voormalige kazerne aan de noordkant van Arnhem. Ze leest voor wat ze zelf ooit schreef over Kruk: ‘Intuïtief, vrouwelijk, eigenzinnig. Procesmatig, weerbarstig, tactiel.’ Het zijn beschrijvingen, zo beseft ze, die ook op haar werk van toepassing zijn. ‘Ja! Grappig, hè.’

Alsof er nog niet genoeg herkenning is. Bij beiden, stelt Roosen vast, ligt de focus niet op het eindresultaat. Wat telt, is het proces erheen. Roosen maakt wel een tekening of aquarel voordat ze naar de glasblazerij gaat, maar als daar in gasbrander of oven een onverwachte vorm ontstaat, of een niet voorziene sliert, hoeft dat niet tot correctie te leiden.

‘Je werkt met levende materie. Dan moet je goed opletten wat er onderweg gebeurt, en de juiste beslissingen nemen. Even kantelen. Nóg iets ronder. Ik vergelijk het altijd met sport. Wie alleen op de eindstreep let, red het niet. Maar als een schaatser zich concentreert op de slagen – deze zo, die zo – dan is hij bij de finish voordat-ie het weet!’

Ze ziet dezelfde mechanismen bij Liedeke Kruk. Altijd op zoek naar de essentie van het moment. Dat is nooit de pose, niet de enscenering. Het is de kunstenaar die iets gebaart, of nog iets rangschikt in zijn tentoonstelling. Het zijn de voeten van het publiek, dat stil is gaan staan bij het object. ‘Liedeke kiest altijd van die tussendoormomenten, zeg maar. Ze gaat mee. Liefdevol, geïnteresseerd, nooit voor de hand liggend. Ik word altijd blij verrast: heeft ze dát gefotografeerd?’ Dan is de druk op de knop van het toestel uitgemond in wat zij zelf ook altijd gebruikt om haar eigen werk te omschrijven: de gestolde beweging.

Ze volgden in de jaren tachtig dezelfde opleiding tot leraar tekenen, handvaardigheid en textiele werkvormen aan het Mollerinstituut in Tilburg. Een onopvallende, verlegen verschijning, zo herinnert Roosen zich Kruk, die fragiele installaties van draadjes maakte en kleine schilderijtjes. In 1990 begon ze te fotograferen.

‘Binnen dat wereldje van die stoere jongens in zwarte leren jekkies met schietkanonnen valt ze met die bescheidenheid juist op. Ik weet nog dat we in 1992 samen naar de opening van de tentoonstelling van Jeff Koons in het Stedelijk Museum in Amsterdam gingen. Sigmar Polke, de Duitse schilder die er ook exposeerde, schoot ons aan. Of Liedeke al van de fotografie kon leven? Nee, natuurlijk. Misschien helpt dit wel, zei hij, en hij ging samen met Koons voor haar camera staan. Je ziet aan die foto dat er iets is gebeurd, dat er contact was.’

Het was de tentoonstelling This is the show and the show is many things in 1994 in Jan Hoets Museum voor Hedendaagse Kunst in Gent, het latere SMAK, waar het fundament voor samenwerking werd gelegd. Roosen verbleef met andere kunstenaars, onder wie Luc Tuymans, Jason Rhoades en Mark Manders drie maanden onafgebroken in het gebouw om er te werken en op elkaar te reageren. Zij had Kruk meegevraagd.

‘Daar ontdekte ze Polaroid. Ze kon meteen laten zien wie met wat bezig was. In elk vertrek, nee, in elke hoek gebeurde wat. De een was zand aan het scheppen, de ander verfde stoffen, een derde maakte een maquette. Liedeke hield ons op de hoogte. Er was ineens een functie.

‘Het is ook bijzonder materiaal, dat Polaroid. Er is altijd overbelichting, te veel contrast, het is wat smoezelig. Het is niet precies te voorspellen wat eruit komt, maar op een gegeven moment weet je wel zo’n beetje hoe het zich gedraagt.’ Weer een parallel: ook glas laat zich niet tot de laatste bolling manipuleren.

Ze laat een portret zien van Luc Tuymans, gemaakt in die dagen in Gent. ‘Het is ook de foto die op de aankondiging van de expositie in 2008 in De Pont stond. Tijdloos. Je ziet Luc eigenlijk alleen van de achterkant, maar je weet meteen dat hij het is. Je ziet dat er een band is met de fotograaf. Ze zal toen hebben ontdekt dat mensen haar binnen lieten.

‘Op deze foto zit ik, met een grote kan op de trap. Je ziet wat angst op mijn gezicht. Dat klopte wel. Ik, tussen al die grote kunstenaars. Waar moet ik heen met dat ding? Moet er chocomel in? Eerst vond ik de foto confronterend. Nu is-ie prachtig.’

Als Roosen aan het werk is, is Kruk met haar lens geregeld getuige, maar ook actief meedenkend. Als Roosen de van haar bekende spiegelborsten aan de muur hangt, komt zij met een suggestie: waarom gaan we er niet mee naar buiten? Het resultaat vormt uiteindelijk een pruimenboompje waarin de glazen borsten hangen; het zou een sleutelwerk in haar oeuvre worden. ‘Ze geeft mij ogen. Het werk heeft een dimensie meer gekregen. Lucht, aarde, bladeren; alles wordt weerspiegeld. Dat is nogal een verschil met binnen, hè.’

Leert ze van Kruk? ‘Die onbevangenheid is bij haar sterker. Voor foto’s op de uitnodiging voor de uitreiking van de Singer Prijs dit jaar, wilde ik de fysieke relatie met mijn werk weergeven. Hoe zwaar die kannen zijn, bijvoorbeeld. Ik hou ze vast als boodschappentassen. Maar ik had een witte badjas meegenomen, en ik wilde met blote voeten. Het werkte niet. Te vooringenomen, toch weer. Je ziet maar één voet, in een kous, een stuk van mijn rok, en het is een heel krachtig beeld geworden.’

Ze hoort het volgende wel vaak over Kruks werk. Dat het kiekjes zijn, technisch krakkemikkig, soms nog onscherp ook. ‘Wie dat zegt, kijkt niet goed. Dat onscherpe geeft juist schilderachtige kwaliteit. Ze begint nu pas een beetje bekend te worden. Eind van het jaar komt er een boek. Ze heeft echt een schatkamer aan beelden uit de kunstwereld. Kunstenaars, museumdirecteuren, tentoonstellingsmakers.’

En zelfs als er dan personen ontbreken op de foto’s, dan weet ze volgens Roosen nog compassie te vangen. In Museum Boijmans Van Beuningen had ze een installatie met veel kannen; dikke buiken, kleine oren, lange tuiten. Wat doet Kruk? Ze stelt scherp op enkele kannetjes rondom een platgesmolten exemplaar. De associatie: een familie ontfermt zich over een ziek kind. Roosen citeert uit de brochure van De Pont: hier komen model, fotograaf en medium samen.

Meer over