LIBERALEN SCHRIJVEN GESCHIEDENIS

DE geschiedschrijving van het Nederlandse liberalisme, zo merkt de historicus Gerrit Voerman op in zijn bibliografie van de VVD en haar voorlopers, is lange tijd vooral voor rekening gekomen van sympathisanten....

In die situatie is verandering gekomen. Voerman zelf deed al in 1988, op verzoek van de VVD, met twee andere buitenstaanders een studie over de volkspartij het licht zien. En de afgelopen jaren heeft een aantal niet als liberalen bekend staande historici en politicologen een reeks boeiende boeken over het vaderlandse liberalisme gepubliceerd.

Voor het schrijven van het geschiedenisboek ter ere van haar vijftigjarig jubileum heeft de VVD echter toch weer een uitgesproken insider gevraagd, namelijk Henk Vonhoff. Het vervullen van zijn taak moet de auteur van het zaterdag gepresenteerde Liberalen onder een dak niet eenvoudig gevallen zijn. Het boek is zeker de moeite waard, maar kent ook duidelijke gebreken.

Vonhoff probeert de ontwikkeling van zijn partij te schetsen door diverse beleidsterreinen te behandelen, waardoor een totaalbeeld ontbreekt. De opzet werkt hier en daar verwarrend. Wie geïnteresseerd is in het beleid van Eegje Schoo en de denkbeelden van Bolkestein over allochtonen, moet het hoofdstuk over defensie raadplegen.

Ook de keuze van onderwerpen wekt soms verbazing. We lezen over de prestaties van de staatssecretaris van CRM in het kabinet-Biesheuvel (die H.J.L. Vonhoff heette), maar niets over het werk van de milieuministers Ginjaar, Nijpels en Winsemius. We vernemen dat een VVD-kamerlid (genaamd H.J.L. Vonhoff) de polemoloog Tromp kritiseert en worden vijf (!) volle pagina's getrakteerd op een briefwisseling over een actie van de burgemeester van Utrecht (inderdaad: H.J.L. Vonhoff), terwijl de ellende in de partij eind jaren tachtig in twee zinnen wordt afgedaan.

Vonhoff besefte dat hij geen memoires aan het schrijven was en toont zich terughoudend met het uitspreken van waarde-oordelen. Toch meent hij hier en daar als progressief geweten van de VVD te moeten spreken. Het kan geen toeval zijn dat het Europa-hoofdstuk wordt afgesloten met uitgebreide citaten van de Eurofielen Nord en De Vries. Een bespreking van Bolkesteins bijdrage aan het minderhedendebat gaat gepaard met de waarschuwing dat taboedoorbreking bedreigend kan zijn voor de liberale uitgangspunten.

Kwaad is Vonhoff nog altijd over de weigering van de meerderheid van de VVD-Tweede-Kamer de P.C. Hooftprijs aan H. Brandt Corstius toe te kennen. Hij acht het uiterst liberaal om het voortdurend schofferen van bewindslieden te belonen met een fors bedrag gemeenschapsgeld. Een historische bondgenoot meent hij te hebben in Thorbecke. Had deze staatsman immers niet voor reisbeurzen voor jeugdige talenten gepleit? Vonhoff constateert tevreden dat de VVD in de Eerste Kamer het 'liberale blazoen zuiver' hield, omdat daar senator mevrouw L. Vonhoff-Luyendijk (wiens echtgenote zou dat zijn?) malle Hugo steunde.

Vonhoff toont zich herhaaldelijk gecharmeerd van het 'ontplooiingsliberalisme'. Het gaat hier om een term uit een, mede door Bolkestein opgesteld, rapport van de Teldersstichting over liberale filosofie. Het complexe verschil tussen de twee varianten die in de studie uit 1988 werden onderscheiden, ging de meeste VVD'ers boven de pet. Maar wel ontstond bij velen de indruk dat de 'utilitaristische' variant waar Bolkestein en de zijnen voor pleitten, hard en rechts was, terwijl het ontplooiingsliberalisme sympathiek aandeed en de rechtvaardiging leek te bieden voor veelomvattend overheidsingrijpen.

Wat dit liberalisme inhoudt, is bij Vonhoff onduidelijk. Wat is dat eigenlijk, ontplooiing? Moeten alle menselijke neigingen ontplooid worden? Wie bepaalt hoe iemand zich dient te ontplooien? Hoe ver moet de staat gaan met het stimuleren of zelfs dwingen tot ontplooiing? Als deze vragen niet worden gesteld, laat staan beantwoord, blijft het ontplooiingsliberalisme een vaag begrip dat slechts gehanteerd wordt omdat het zo warm en vooruitstrevend klinkt.

De vraag is of de VVD er verstandig aan doet zich te laten leiden door het streven warm en vooruitstrevend over te komen. De meeste vooruitgang, moet Vonhoff met enige tegenzin vaststellen, heeft de VVD geboekt onder Oud, Wiegel en Bolkestein.

Deze leiders, die verantwoordelijk zijn geweest voor de liberale doorbraak, zijn niet bepaald de exponenten van de vrijheid-blijheid, leve-de-jaren-zestig, wees-gewoon-jezelf, hoera-voor-het-homohuwelijk-stroming in het liberale kamp. Zij hebben zeker ook niet gekozen voor de angstvallige middenkoers waarvoor Vonhoff geporteerd is.

De VVD boekt het meest succes als zij zich manifesteert als conservatief-liberale, als rechtse partij. Als zij dat succes wil continueren, kan zij zich dan ook wellicht beter niet veel aantrekken van linksige aanhangers van een of ander vaag 'ontplooiingsliberalisme'.

Meer over