Libé en het afscheid van mei '68

Na 25 wilde jaren komt Libération nog altijd geld tekort. De krant heeft crisis na crisis overleefd maar moet nu alles doen om niet op concurrent Le Monde te lijken....

DE Parijse namiddag is smoorheet, en de omgebouwde parkeergarage die het dagblad Libération tot redactieruimte dient, heeft geen airconditioning. Jean-Michel Helvig geniet als redactiechef van een raam dat open kan. Baten doet het weinig en geld om een nieuwe ontluchting aan te leggen ontbreekt - uiteraard, zou je bijna zeggen.

De eerste krant verscheen in 1973 met als kop 'We hebben nog 23 miljoen nodig om te verschijnen'. Ook na 25 wilde jaren hoort chronisch geldgebrek bij Libération als de Eiffeltoren bij Parijs. De krant waaraan de filosoof Jean-Paul Sartre bij de oprichting in 1973 zijn naam leende, die ooit tijdens een pausbezoek verscheen met gratis wierooklucht, en die nog steeds elke dag uitkomt met een onstuimige illustratie op zijn voorpagina, lijkt weinig prat te gaan op zijn jubileum.

Heel anders dan vorig jaar, toen er een boek zo groot als een theetafel verscheen met facsimile's van 24 (!) jaar bijzondere voorpagina's. 'Nee, nu geen boek', puft redactiechef Helvig. 'Er zijn zoveel crises geweest, dat valt met geen pen te beschrijven. We zijn de laatste ternauwernood te boven.'

De tragiek van Libération - in meer of mindere mate van alle dagbladen in Frankrijk - is dat je nog zo'n mooie krant kunt maken, de Fransen lezen 'm niet. Helvig: 'Wat betreft krantenlezen bevindt Frankrijk zich op de 23ste plaats, ergens tussen Portugal en Noord-Korea.' Na een kwart eeuw sappelen brengt de eigenwijze linksbuiten van de Franse pers nog altijd niet meer dan 170 duizend exemplaren aan de man. De Volkskrant verkoopt ruimschoots het dubbele, en mist bovendien de dwang om dagelijks alle Maisons de presse te bedienen in een land dat veertien maal zo groot is als Nederland.

Wie Libération zegt, zegt Serge July. De hoofdredacteur is lang, blond, vaak op de televisie, schrijft nog altijd veel en in een vloeiende stijl - momenteel een serie over mei '68. In de jaren dat ook July's verbeelding met hem op de loop was gegaan, noemde hij zich maoïst en schreef hij op Cuba de tekst 'Op weg naar de burgeroorlog' (Vers la guerre civile).

Die burgeroorlog kwam er niet van, maar wel stond July aan de wieg van Libé, dat begon met zevenduizend exemplaren. Voor het nageslacht belangwekkender dan het gedachtengoed is het feit dat de krant als eerste in Frankrijk gebruik maakte van fotozetters, wat de visuele mogelijkheden aanmerkelijk vergrootte én betekende dat de communistische zettersbond kon worden omzeild. Sartre deed zich gelden doordat hij hamerde op een eigen Libé-schrijfstijl die hij 'schrijfpraat' noemde, 'parler écrit' - een destijds ongekend vlotte schrijfwijze die inmiddels journalistiek gemeengoed is geworden.

De grote sprong voorwaarts kwam in 1981. Frédérique Goursolas werkte toen ook al bij de krant - nu is ze 'directeur artistique' en dagelijks verantwoordelijk voor een aansprekende voorpagina, ten burele 'La Une' genoemd. Tot 1981 - iedereen was gelijk en verdiende hetzelfde - werd Libé opgemaakt door twee secretaresses. Met instemming van de redactie legde Serge July de krant drie maanden stil, om pas ná de verkiezingen waarmee François Mitterrand aan de macht kwam, met een fonkelnieuw Libé tevoorschijn te komen.

De veranderde voorpagina sprong het meest in het oog. Goursolas: 'Het idee was een dagelijks magazine - opinieweekbladen worden in Frankrijk wél verkocht. Dus met een voorpagina die aan één hoofdonderwerp is gewijd, l'événement geheten. De volgende vier pagina's worden daaraan eveneens besteed.'

Zo is het tot vandaag gebleven. Deze week prijkte maandag bijvoorbeeld de Parijse burgemeestersvrouw Xaviere Tiberi op de voorpagina, venijnig getekend door karikaturist Willem. Op pagina twee stond een flinke grafiek waarin alle stadhuiscorruptie bij elkaar was gebracht, eronder een uitlegstuk en op pagina drie een analyse en een gesigneerd hoofdredactioneel commentaar.

De ingreep werd een voor Franse dagbladbegrippen daverend succes, ook omdat de wedergeboorte van Libération samenviel met de roes van links Frankrijk over de eerste socialistische meerderheidsregering sinds Léon Blum. De oplage die vóór 1981 was blijven steken op veertigduizend, groeide tot eind jaren tachtig de tweehonderdduizend was bereikt. Frédérique Goursolas: 'Ons zelfgeschapen probleem was meteen dat het publiek van ons eist dat we anders zijn. Wanneer wij hetzelfde zijn als Le Monde, kopen ze ons niet en Le Monde wel. Wij zijn een ochtendkrant, nerveuzer, een journal de transport. Voor ons is een metrostaking rampzalig. Le Monde is een avondkrant en veel gezapiger, institutioneler. Le Monde ziet er elke dag hetzelfde uit, die kopen ze niet op de voorpagina.'

Libération bereikte in 1991 zijn top, tijdens en na de Golfoorlog. Terwijl de oplage afkalfde, begonnen er interviews met Serge July te verschijnen met als titel 'op weg naar de vijfhonderdduizend'. Dat leidde tot de crisis van 1995. Helvig: 'Uit lezersonderzoek bleek dat onze trouwe lezers, de linkse soixante-huitards ons in de steek begonnen te laten. De nieuwe, jonge lezers interesseerden zich voor van alles, maar niet voor politiek. Zij verwachtten van Libé een ruim geïllustreerd dagblad met veel aandacht voor muziek en dagelijks leven.' Hoofdredacteur Serge July hoopte het onverzoenlijke te verzoenen met wat Libé III ging heten: een 'encyclopedische krant' van dagelijks tachtig pagina's, waarin voor elk wat wils, acht pagina's politiek, acht buitenland, acht life-style en acht media.

Libé III werd een drama. Precies op het moment van de lancering explodeerde de papierprijs. Nieuwe lezers kwamen niet en de oude voelden zich bekocht met zo'n dikke krant. Helvig: 'Ze voelden zich verstikt door papier.' De oplage bleef stabiel en binnen een half jaar ontstond een schuld van 60 miljoen gulden. Begin 1995 dreigde het faillissement en Libération, dat tot dat moment eigendom van de redacteuren was geweest, kon niet anders dan zichzelf te koop aanbieden.

Drie jaar later is de krant nog voor eenderde van de redactie. Bioscoopexploitant Pathé mag zich eigenaar van tweederde noemen. De resultaten - deze week bekend gemaakt - heten 'très satisfaisant'. Libération maakt een bescheiden winst van 2,5 miljoen gulden op een omzet van iets meer dan 150 miljoen. Met Pathé is redactiechef Helvig zeer content. 'Ze hebben ons maar één opdracht gegeven: geen verlies maken. Nee, ingrijpen in het redactiebeleid doen ze beslist niet.'

Zeker is niettemin dat Libé niet meer zo 'tegen de stroom in' zwemt als Serge July wil doen geloven in zijn voorwoord voor het theetafelboek over 'La Une'. De krant heeft meer oog voor commercie gekregen. Vroeger was het ondenkbaar dat de persmap over Libération informatie zou bieden over het percentage Libé-lezers dat whisky drinkt (70 procent) of dat zich dagelijks parfumeert (mannen 40 procent, vrouwen 66 procent). Bij de vijanden van Le Monde wordt 4 procent minder whisky gedronken en besprenkelt 3 procent meer van de dames zich, tegen 5 procent minder van de mannen.

Ook Libération is een instituut geworden, en heeft zijn standpunten dienovereenkomstig gematigd. De krant ziet wel wat in de euro, ofschoon hoofdartikelenschrijver Laurent Joffrin lang heeft volgehouden dat de koppeling van de franc aan de mark de belangrijkste oorzaak was van de Franse werkloosheid. En hoe lastig het is om afscheid te nemen van de actiejournalistiek bewees de krant nog deze week dinsdag, toen op de voorpagina in een stevige letter werd beweerd dat de door de regering gedecreteerde 35-urige werkweek begint aan te slaan - met een uiterst karige bewijsvoering als je de bladzij had omgeslagen.

Redactiechef Helvig betreurt dat zijn Libé en Le Monde zo op elkaar zijn gaan lijken. Maar hij is toch trots op z'n krant. 'Het is een mirakel dat we nog bestaan. De laatste dertig jaar zijn er tientallen kranten opgericht. Wij zijn als enige over.'

Martin Sommer

Meer over