Lezers van het eerste uur: Ik kan echt niet zonder

Drie lezers over hun lange relatie met de Volkskrant. Veranderingen in de koers van de krant waren nooit aanleiding om op te zeggen....

Het zijn mannen van de bond. Altijd geweest. En het zijn mannen van de krant, de Volkskrant. Altijd geweest. Nou ja, bijna altijd. Jan ter Elst (1930) was zeventien toen hij een abonnement nam. Zeventien. Hij werkte bij Stork in Hengelo voor ‘weinig guldens’ en hij moest en zou de Volkskrant. ‘Mijn ouders zeiden: het is een mooie krant, maar we kunnen het niet betalen. Toen heb ik gezegd: dan betaal ik hem zelf wel.’

Waarom? ‘De Volkskrant was een loot aan de stam. Ik kom uit een katholiek nest. Mijn vader werkte ook bij Stork, hij was actief in de KAB (de Katholieke Arbeiders Beweging) en lid van de KVP. Direct na de oorlog ben ik meteen actief geworden bij de Katholieke Arbeiders Jeugdvereniging (‘de Kajotters’) en ik werd ook lid van de KVP. De Volkskrant hoorde daar bij, het was het katholieke dagblad van Nederland, de krant van onze vriend Romme. En de krant voor de katholieke arbeider.’

Servaas van Bijsterveld kan het nog sterker vertellen. Op de dag van zijn geboorte, 11 augustus 1924, verscheen Volkskrant-nummer 962, weet hij. ‘Mijn ouders waren abonnee. Mijn vader was lid van St. Anthonius, de horeca en kelnersbond. Ik kwam later in dienst van St. Willibrordus, de arbeidersbond. Ik ben altijd abonnee gebleven. Dat was niet meer dan logisch. De Volkskrant stond voor de emancipatie van de katholieke arbeider. De Volkskrant zelf was een product van die emancipatie. Daar hoorde ik bij.’

Ton van Lieshout (1927) weet niet meer precies hoe en waarom, maar zeker is dat hij vlak na de oorlog, onder de schaft op de werkbank bij Stork in Haarlem, de Volkskrant zat te lezen, dat hij dat dagelijks deed en dus abonnee was. ‘Ik moet achttien zijn geweest, of negentien. En het werd toen wel gezien als iets vreemds. Ik was een van de weinigen. Pas later, toen de strijd kwam met de communistische bond, de EVC, kwam er meer belangstelling. Ik was lid van St. Eloy, de metaalbewerkersbond van de KAB. En op mijn 27ste kwam ik in dienst van St. Eloy als adjunct-bestuurder. In de Volkskrant stond toen nog een berichtje dat ik was aangenomen. De bond en de krant, dat zat heel dicht bij elkaar.’

Die intense band met de krant, in de jaren veertig en vijftig, dat had veel van doen met de verzuiling. Vooral bij Jan ter Elst speelde de katholieke factor een belangrijke rol. Dat kwam wellicht doordat hij uit Hengelo kwam. ‘In Hengelo was eenderde van de bevolking katholiek, eenderde was socialist eenderde was protestant of algemeen. Wij woonden in een katholieke wijk, een enclave. Als je daar woonde, dan zat je ook overal in. Alles was er katholiek: de kerk natuurlijk, de voetbalvereniging, de jeugdvereniging, de scouting, de Kajotters-afdeling. Spelen met socialistische of protestantse kinderen, dat kon echt niet.’ Actief zijn voor de katholieke arbeiderszaak betekende in het gezin Ter Elst vooral het ‘te vuur en te zwaard’ bestrijden van socialisten.

De katholieke factor speelde een belangrijke rol

Ton van Lieshout herkent daar wel iets in. Hij groeide in het overwegend protestantse Haarlem ook op in een katholieke enclave, in het Bavo-dorp. De katholieke identiteit, daar werd je iedere dag weer van bewust gemaakt. ‘Ik was best een katholiek ventje.’ Maar Van Lieshout begon het geloof al snel te relativeren. ‘Door mijn driejarige Indiëtijd ben ik wel wat afgedwaald. Het geloof speelde in Indië geen enkele rol, je werkte daar ook met mensen van allerlei gezindten.’ En toen hij eenmaal mocht stemmen, koos hij voor de Pvda. ‘Voor mij stond al snel het arbeidersbelang voorop. Het katholieke woog voor mij minder zwaar.’ Van Lieshout heeft opgezocht hoe de Volkskrant reageerde op het inmiddels beruchte Mandement (1954), waarin de bisschoppen de katholieken verboden steun te verlenen aan onkerkelijke, maatschappelijke organisaties, zoals de VARA en de socialistische vakbeweging. Het lidmaatschap van de PvdA werd ten sterkste ontraden. ‘De katholiek neemt het Mandement met eerbied en leest het in gehoorzaamheid’, schreef de Volkskrant.

Toch was het voor de goede verstaander duidelijk, volgens Van Lieshout, dat de Volkskrant toen al een veel liberaler koers voorstond dan de kerk. ‘Dat verklaart ook het succes van de Volkskrant. Je had De Tijd en De Maasbode, maar daar stonden allerlei geestelijken in. De Volkskrant was voor de zich emanciperende arbeiders, voor de groeiende middengroep, het was een moderne krant. De redactie zag op tijd in dat het katholieke volksdeel niet meer een uitsluitend katholieke krant wilde lezen.’

Servaas van Bijsterveld ziet het zo: ‘De Volkskrant was voor dubbele emancipatie. De krant stond voor de emancipatie van de katholieken in Nederland en voor de gelijkwaardigheid van de arbeiders. De krant keerde zich dus tegen de klassen- en standenmaatschappij. De Tijd was een heel andere krant. Die was er voor de pastoors. Het was een deftige, conservatieve krant.’ En Van Bijsterveld had van huis uit al wat liberalere opvattingen meegekregen. ‘Mijn vader was kelner en hij was veel in het buitenland geweest, om te werken, om talen te leren. Hij ontmoette mijn moeder in Brussel. Mijn ouders waren wel kerks, maar niet conservatief. Zij herkenden zich veel meer in de Volkskrant dan in andere katholieke kranten.’

De KAB was mede-eigenaar van de Volkskrant, veel Volkskrant-lezers waren KAB-lid, de verstrengeling was innig. Maar de bondsmannen herinneren zich toch de eeuwige spanningen tussen de bond en de krant, omdat de krant al in de jaren vijftig, onder hoofdredacteurschap van J.M. Lücker, weigerde ‘onbelangrijk vakbondsnieuws’ af te drukken. Ton van Lieshout: ‘Ik heb het Lücker zelf nog eens gevraagd op een vakbondsbijeenkomst: ‘‘Waarom staat er zo weinig in de krant over de vakbond?’’ Lücker zei prompt: ‘‘De Volkskrant brengt nieuws.’’ En daar had hij natuurlijk gelijk in.’ Van Lieshout herinnert zich dat later, in de jaren zeventig, toen hij districtshoofd van het NKV was in Brabant, altijd te maken had met Volkskrant-correspondent Cor van Heugten. ‘Cor was overal bij, maar er verscheen nooit een stuk in de krant. Ik vroeg hem wel eens hoe dat kon. Hij zei: ik kan schrijven wat ik wil, maar ze plaatsen het toch niet.’

De Volkskrant veranderde. De onderkop ‘Katholiek dagblad voor Nederland’ verdween, de krant werd uitgesproken links in de jaren zeventig en maakte opnieuw een ommezwaai in de jaren tachtig, in de keuze voor kwaliteit en professionaliteit. Maar de drie lezers van het eerste uur zagen daarin nooit een aanleiding om de krant op te zeggen. ‘Dat komt’, meent Van Lieshout, ‘doordat je zelf ook meegroeit.’ Jan ter Elst: ‘We hebben dezelfde gang gemaakt als de krant. Wij gingen ook samenwerken met de socialisten van het NVV. Ik merkte dat het fijne collega’s waren. Daar heb ik zelfs mijn moeder van kunnen overtuigen. Tegen de fusie (in 1979, red.) met het NVV zag ik wel op, maar ook dat viel me achteraf mee.’ De nacht van Schmelzer (waarin de KVP-voorman het kabinet met de PvdA opblies) was, in 1966, voor de drie mannen een keerpunt. Ter Elst: ‘Sindsdien ben ik politiek zwevend. Alleen het katholieke heb ik langer volgehouden dan de Volkskrant. Pas toen met bisschop Gijsen de restauratie kwam, zijn bij ons de kruisjes van de muur verdwenen.’

Servaas van Bijsterveld bleef wel lid van de KVP en, later, van het CDA. ‘Maar dat stond helemaal niet haaks op het lezen van de Volkskrant. Het gaat mij nog altijd om een rechtvaardige samenleving en een eerlijke verdeling van de welvaart. Dat stond bij de Volkskrant ook voorop. Misschien zou dat zelfs wel weer wat meer voorop kunnen staan.’

Van Bijsterveld en Van Lieshout bleven de krant stug trouw

Wel trokken de heren een enkele keer de wenkbrauwen op. Zoals bij de verslaggeving over de kroningsrellen in 1980, toen de revolutionaire stemming in Amsterdam oversloeg naar de burelen van de Volkskrant, wat de volgende dag ook te lezen viel. Jan ter Elst: ‘Dat kon ik echt niet volgen. Die rellen, dat kon gewoon niet, vond ik. Aan de andere kant: hier in Nijmegen hadden de krakers, in 1982, groot gelijk. Hier had je te maken met CDA-politiek van het slechtste soort.’

Ter Elst is de enige van de drie die de Volkskrant uiteindelijk toch opzegde. Hij koos, na zijn pensionering bij de bond, voor één krant, De Gelderlander. Wel leest hij de Volkskrant op internet en soms op zaterdag.

Van Bijsterveld en Van Lieshout bleven de krant stug trouw. ‘De Volkskrant is een vast gegeven’, zegt de eerste. Dat een ideologisch richtsnoer de laatste tien jaar is verdwenen, kan hun niet echt deren. Van Lieshout: ‘Dat zie je overal. Hoogstens vind ik dat de Volkskrant alles wat de vakbeweging doet wel erg relativeert. Ik heb er ook de pest aan als mensen zeggen: ach, die jaren zeventig, wat stelde dat nou eigenlijk voor. Zoals ik het moeilijk kan verkroppen dat Wouter Bos nu opeens bejaardenbelasting wil gaan heffen. Maar gelukkig kan ik mijn mening dan in de column van Marcel van Dam teruglezen.’

Jan ter Elst ziet niet alleen bij de Volkskrant een ideologische leegte. ‘Het is overal vlees noch vis, ook bij de vakbeweging. Ik denk soms met weemoed terug aan Arie Groenevelt.’ Ook Ton van Lieshout bewaart warme herinneringen aan de tijd van Arie Groenevelt. In een adem noemt hij het verdwijnen van Jan Blokker bij de Volkskrant ‘een klap’. En zijn vrouw, zegt hij, moppert altijd op ‘die saaie stukjes’ van Martin Bril. Maar zelfs dat kan hen niet van de krant scheiden. ‘Ik kan echt niet zonder. En dat geldt al helemaal voor mijn vrouw. De krantenjongen in dit dorp brengt drie kranten rond. Soms maakt hij een vergissing, dan krijgen we opeens De Telegraaf of Trouw in de bus. Dan is het huis hier te klein. We hangen dan meteen aan de telefoon bij de ouders van die jongen.’

Meer over