Leven zonder zorgpakket

'Waarom heb je hem dan niet eerder laten repareren?', vroeg de vriendin tegenover me verbaasd...

'Nou', zei ik, 'dat zal ik je vertellen.'

'Het begon allemaal in de jaren zeventig van de vorige eeuw', zei ik. 'Met het gesprek over de maakbare samenleving. Dat gesprek werd en wordt nog steeds gevoerd door intellectuelen: door filosofen en politici, sociologen en journalisten. Natuurlijk verschilden ze onderling van mening, maar ze verschilden vooral op theoretisch vlak van mening. Zelden bracht iemand naar voren dat het maken van een samenleving in eerste instantie afhangt van het arbeidsethos onder timmerlieden, gemeentelijke administratiemedewerkers, servicemonteurs, verzekeringsagenten en technici.'

'Zo las ik vorige week nog een aanval van een hoogleraar op de academische geslotenheid van Cambridge. En een kritiek van een schrijver op de pretenties van schrijvers. En wat anti-intellectuele verslagen van een intellectuele conferentie. Maar geloof me', sputterde ik, 'het zijn niet de intellectuelen die de wereld te gronde richten. Het zijn de mensen van de praktijk die wat beter hun best moeten doen. Ga maar eens naar een willekeurige lezing van een groot denker: theorieën en verheven gedachten genoeg - maar de microfoon doet het niet.'

'Hoe dan ook', zei ik. 'Toen ik vorig jaar een gloednieuwe computer kocht, een laptop van een gerenommeerd merk, had ik daarop dus gemakkelijk een boek kunnen schrijven en de wereld kunnen redden, ware het niet dat het apparaat al binnen een maand kapot was. Dat wil zeggen, er bleef een stuk metaal steken in de floppy-drive, en dat stuk metaal wilde er niet meer uit. Nu vond ik het nog niet eens zo erg dat dit buiten de garantie bleek te vallen; en het was nog tot daar aan toe dat de mij sterk aanbevolen, peperdure verzekering niet toepasselijk was - ''verzekering? u had een care-pack moeten hebben!'' - het ergste was dat de reparatie minstens zes weken zou gaan duren.'

'Goed', zei ik. 'Ik stelde de reparatie dus even uit, en schreef intussen een artikel over mensenrechten. De computer deed het namelijk nog wel; ik kon alleen geen back-up meer maken. En echt, ik zou het ding een week later beslist op mijn vrije dag hebben weggebracht, als ik niet de hele dag aan huis gekluisterd was, wachtend op de timmerman. Die om zeven uur 's ochtends kwam zeggen dat het later werd, 's avonds opdook om even ''een plafonnetje uit te tikken'' en daarna voor eeuwig verdween. Zijn laatste woorden waren: ''Dat plafonnetje moet u er wel weer even inzetten.'''

'Het was het begin van een lange stoet mannen die door mijn huis trok. De man die het plafonnetje kwam maken, klom op het dak en gooide geërgerd al mijn dakpannen naar beneden, en de man die het dak kwam repareren, sloopte om duistere redenen het balkon, en de man die een blik op het balkon kwam werpen, brak vastberaden de muur uit mijn wc, en stuk voor stuk zeiden ze: ''Dat is niet best, mevrouw, daar kunt u maar beter even iemand naar laten kijken.'''

'Intussen schreef ik stug door. Over de grondwet. Over de beschaving. En omdat tijdens al dat stugge werken een schroefje uit mijn bril viel, liep ik binnen bij de opticien, die mij vaderlijk het optometrische traject van de oogzorg binnenloodste. Ik kreeg verkeerde contactlenzen voorgeschreven. En toen een nog verkeerdere bril. En na maanden van meten was de optometrist tevreden. Nu zat ik in een huis dat steeds grotere gaten begon te vertonen achter mijn werktafel met een zwart lapje voor mijn rechteroog. Ik schreef inmiddels over vrede.'

'Natuurlijk zou ik nog altijd mijn computer gaan wegbrengen, maar ik durfde steeds minder goed van huis. Door een vergissing van mijn toenmalige verzekeringsagent bleek ik onverzekerd. Door een vergissing van een rijksambtenaar bleken mijn autopapieren niet in orde. Mijn enige houvast in deze dagen was mijn schrijftafel, waarachter ik onverzettelijk verder werkte aan de verbetering van de wereld, op een laptop die zich zo nu en dan in al die verheven gedachten verslikte.'

'Wacht, ik ben er bijna', zei ik. 'Vorig weekend fietste ik eindelijk weer eens naar de familie op de boerderij. In de keuken keek ik televisie en hoorde toevallig een kunstenares vertellen dat de diepe welving op de rug van koeien ''hazenleger'' wordt genoemd. Natuurlijk was het vreemd naar een televisieprogramma over koeienkunst te kijken, terwijl de koeien honderd meter verderop stonden, maar ik was de kunstenares toch innig dankbaar voor dat geweldige woord "hazenleger". En zo kwam ik op het idee deze week in de krant een vlammend betoog te schrijven over de superioriteit van het woord.'

'Geloof het of niet', zei ik. 'Ik schreef inderdaad het mooiste stuk dat ik ooit heb geschreven. In één grote greep vatte ik al mijn gedachten samen van het afgelopen jaar: over het belang van kunst en onderwijs, over de noodzaak van theorievorming en principes. Ik schetste de problemen die ontstaan door het tekortschieten van de praktijk, en aan het eind van het stuk gaf ik voor alle wereldproblemen een oplossing. Toen begaf mijn computer het. De reparatiedienst - ''wát? heeft u geen care-pack?'' - kon al mijn teksten niet meer achterhalen. En zo, begrijp je, ben ik dat boek dat de wereld zou redden, kwijtgeraakt. Maar het allergrootste verlies is misschien nog wel mijn volmaakte stukje voor de krant van deze week.'

'Toch is het al met al een beetje dom van je', zei de vriendin tenslotte peinzend.

'Jawel', zei ik. En ik liep naar mijn werkkamer, haalde mijn oude laptop te voorschijn en begon gewoon weer van voren af aan. Op de eerste nieuwe pagina beschreef ik hoe ik naar de boerderij fietste, me in de stal tussen de koeien neervlijde en mijn hoofd te ruste legde op de plek waar 's nachts de hazen slapen. En als ik erin slaagde mijn tranen te bedwingen, dan was het alleen doordat ik op schrift de illusie kon koesteren dat mijn hoofd zowaar precies paste in die diepe welving van de koeienrug.

Meer over