Leven zonder Serviërs

Een halfjaar geleden werd in Pristina, hoofdstad van Kosovo, een soort vrede van kracht die sindsdien in leven is gehouden door een internationale troepenmacht....

Op een hoekje van de begraafplaats van Pristina, pal aan de weg, liggen de graven van Bajram Kelmendi en zijn twee zoons. Drie eenvoudige houten kruisen staan zo dicht tegen de hellende rand van de begraafplaats dat ze eraf dreigen te schuiven. Op de kruisen zijn kleine Albanese vlaggetjes geprikt - de rode met de zwarte tweekoppige adelaar.

Overal zie je die vlag. In nieuwe grafstenen is hij ingebeiteld naast levensgrote foto's van de overledenen, op oudere is hij erop geschilderd. De vlag beheerst de wereld van de doden hierboven op de top van de heuvel Dragodan zoals hij ook de stad beneden beheerst, waar hij van gebouwen wappert, aan autospiegeltjes hangt, in winkels, op kraampjes.

'Ik word er ziek van', zegt Jehona. 'Ik was zo trots op onze vlag. Het is de mooiste vlag van de wereld. Maanden lang kon ik er geen genoeg van krijgen. Maar nu hangt hij mij de keel uit. Ik kan hem niet meer zien.' Alleen voor de drie geïmproviseerde vlaggetjes op de kruisen maakt zij een uitzondering. Zij zijn te klein om schreeuwerig te zijn, te bescheiden om ergernis te wekken. Ze zijn kennelijk in eerbied op de kruisen bevestigd, als een postuum eerbetoon aan de Kelmendi's.

En Jehona kende de Kelmendi's persoonlijk. Dat scheelt ook. Ze zwijgt als ze de graven ziet. Ze heeft samengewerkt met Kastriot. Kushtrim was een vriend van haar broer. Zo kennen de mensen in Pristina elkaar. Het is een dorp. Bajram Kelmendi kende iedereen: hij verdedigde als advocaat de Albanezen in Kosovo tegen Servische willekeur.

Kelmendi stond op de dodenlijst van de Serviërs. Hij was gewoon thuis toen ze hem kwamen zoeken, en werd het eerste slachtoffer in de eerste nacht van de oorlog, als we de oorlog laten beginnen in de nacht dat de eerste navo-bommen vielen.

Bloemkransen liggen nu verkleurd en bemodderd op de graven. De kransen hebben in een jaar tijd dezelfde kleur gekregen als de vuile aarde eromheen: de kleur die alles in Pristina krijgt als je de tijd er ongestoord overheen laat gaan. Niemand heeft de bruingeworden bloemwerken vervangen. Niemand legt ze recht. Alsof de doden meteen na hun haastige begrafenis zijn vergeten - achtergelaten als afval van een vuile oorlog.

De Kelmendi's zullen hun monument nog wel krijgen, en er zal een Bajram Kelmendistraat komen, als die er al niet is. De straten van Kosovo hebben hun Servische namen al verloren. Ze zijn omgedoopt en genoemd naar Albanese helden als Zahir Pajaziti, de gesneuvelde commandant van het uck, die met twee anderen een gloednieuwe marmeren erezuil deelt aan de hoofdweg weg Mitrovica-Pristina, en bovendien de hoofdstraat van Podujevo (de voorheen-Maarschalk Titostraat) heeft gekregen.

Ongetwijfeld is ook in Pristina wel een straat naar hem vernoemd. Maar geen taxichauffeur zal weten waar die is. Niemand weet meer de weg in de omgedoopte straten van Pristina. Alleen de Moeder Theresastraat weet iedereen, omdat dat de hoofdstraat is - voorheen Vidodanska, voor-voorheen Maarschalk Titostraat. De weg vragen naar kleinere straten leidt tot pijnlijke momenten. De chauffeur kent ze niet, niemand kent ze nog, maar het noemen van de oude Servische naam is iets wat in het gealbaniseerde Pristina nog altijd gelijk staat aan verraad. Zoals de nieuwe namen gelijk staan aan vrijheid.

'Vrijheid voor mij is: leven zonder Serviërs', zegt Jehona. Ze is jong en ze is goed opgeleid. Jehona leert kleuteronderwijzers moderne onderwijsmethoden en leert ze tevens om te gaan met kinderen met oorlogstrauma's. En Jehona is ruimdenkend. Ze heeft samengewerkt met Serviërs - net zulke geschoolde, internationaal georiënteerde, moderne jonge mensen als zijzelf. Ze kon goed met hen overweg. Goed genoeg. Ze bedoelt dat ze hen niet echt haatte. 'Ik geef niks om ze, ze laten me koud. En ik vertrouw ze niet.' Geen enkele Serviër? 'Bijna geen. Het is goed dat ze weg zijn.'

Het leven zonder Serviërs in Pristina betekent vooral chaos. In Pristina staat een eeuwige file. De veel te grote jeeps van de duizend-en-een medewerkers van de meer dan tweehonderdvijftig hulporganisaties in de stad verstoppen de straten permanent. Verkeersregels bestaan niet, want de helft van de Albanezen die hun tijd in de auto doorbrengen, heeft geen rijbewijs. Op de grote kruis punten gelden de wetten van het gevoel: op de tast schuifelen de auto's door elkaar heen. Soms raken ze elkaar een beetje, maar van een kleine blikschade of een los hangende bumper ligt hier niemand meer wakker.

'Het leven is beter. Alles is beter. Wij zijn vrij, we kunnen weer slapen, en we kunnen gaan waar en wanneer we willen', zegt Jehona. Maar ook zij vervloekt de anarchie op vier wielen. Verkeerspolitie is in opleiding. De eerste paar vers-opgeleide (Albanese) lokale politiemannen zetten aan de hand van internationale collega's hun eerste stapjes met fluit en zwaaiknuppel op het asfalt. Soms. En lang niet overal. Op de meeste plaatsen is het verkeer aan zichzelf overgelaten.

Wie de vijfhonderd meter van de rotonde aan de ingang van de stad naar de kantoren van de vn of de ovse in het centrum zonder blik-contact weet af te leggen, geldt als een goede chauffeur.

Het is bitter koud. Min dertig graden in de nacht is gemeten. De wegen zijn bultige ijsvlaktes, de sneeuw is bevroren. De sneeuw is bruin: het bewijs dat 'Kosovo A' heeft gewerkt. Als Kosovo a werkt, is er stroom. Dat is elke dag wel een paar uur tegenwoordig, en soms zelfs bijna een hele dag. Dan hangt er boven Obilic, even buiten Pristina, een vuile rookpluim die door een zachte winterwind langzaam over de streek wordt uitgevouwen, zodat het geleidelijk overal een beetje bruin wordt.

De elektriciteitscentrale Kosovo a is een mastodont uit een ver Russisch verleden. Uit gescheurde betonnen koeltorens lekken watervallen die op hun weg naar beneden in ijspilaren veranderen. Overal stroomt, lekt en sijpelt water - water dat voortdurend storingen veroorzaakt. Veertig jaar communisme en tien jaar apartheid - sinds de Serviërs begin jaren negentig de banen van de Albanezen overnamen - hebben de centrale om zeep geholpen. Het is een wonder dat hij het af en toe toch doet, en zijn vette bruine walm over het land kan verspreiden.

'Kosovo b' is nieuwer, ooit gebouwd met westerse technologie, maar ook deze centrale kwakkelt. Regelmatig maakt de vn-missie in Kosovo bekend dat Kosovo b weer werkt, maar dat is niet waar. Op 17 januari werd Kosovo b lamgelegd door een brand, en sindsdien is er opnieuw te weinig stroom om de hoofdstad te voorzien.

Daarom klinkt op straat in Pristina het lied van 'Kosovo c'. Kosovo c is de derde centrale van Kosovo: het koor van de kleine generatoren op wieltjes die grommend en ronkend op de stoepen staan en de winkels, cafés en restaurants van stroom voorzien. De rest van Pristina leeft bij kaarslicht. (Vraag: 'Wat gebruikten Albanezen voordat ze kaarsen hadden?' Antwoord: 'Elektriciteit.').

Water is er trouwens ook niet. Of in ieder geval niet vaker dan soms. Elke dag een paar uur, maar daaraan waren de inwoners van Pristina al gewend. In keukens, wc's en badkamers staan altijd emmers en tonnen klaar, die altijd op peil worden gehouden voor het geval dat. Ook toen de Serviërs er nog waren was er zelden een hele dag stromend water.

De vn-missie probeert net zo wanhopig haar greep op de stroom en het water te krijgen als op de rest van het leven in Kosovo. Het gaat beter. Altijd gaat het beter, als je het de vn vraagt. Er is vooruitgang. Er gebeuren dingen. Kleine stapjes in de goede richting. Op 24 januari wordt de eerste bank in Kosovo geopend. Dezelfde dag worden 137 strafrechters, officieren van justitie en burgerrechters be ëdigd, die de nieuwe wetgeving moeten handhaven die de vn voor Kosovo heeft ingesteld. Een wetgeving die sinds kort de Servische vervangt, die formeel nog altijd gold omdat Kosovo formeel nog altijd een Servische provincie is. Dertig belastinginspecteurs hebben de cursus van een week voor belastinginspecteur voltooid.

Het klinkt bijna alsof Kosovo de weg naar normaliteit heeft ingeslagen. Er is zelfs een regering. 'Nee, het woord regering gebruiken we niet', verbetert Nadia Younes haastig. Younes is de belangrijkste woordvoerster van Bernard Kouchner, de Hoge Vertegenwoordiger van de vn in Kosovo. De vn-resolutie voor Kosovo verbiedt het woord regering. 'Kosovo is geen onafhankelijk land, dus kan het geen regering hebben.' De vn balanceert langs dunne lijnen.

Natuurlijk is de iac, de Interim Administrative Council, een regering, en elke week begint Kosovo meer op een onafhankelijk land te lijken - met zijn eigen betaalmiddel (de dmark) en eigen wetgeving (de wetgeving is losgemaakt van die van Servië). Maar het mag niet zo heten. Niets in Kosovo mag heten hoe het heet, inclusief de oorlog zelf, die hardnekkig nog altijd 'crisis' wordt genoemd. Elke keer schuift de unmik (de vn-missie in Kosovo) een stukje verder op in de richting van een onafhankelijk Kosovo. 'We rekken de resolutie telkens weer op tot aan zijn uiterste grens. Maar alles wat hier gebeurt, wordt vervalst door de onzekerheid over de toekomstige status van Kosovo.'

De oprichting van de iac (spreek uit: jak) geldt in vn-kringen als een meesterzet van Kouchner. In deze interim bestuursraad delen de vn de macht met de drie belangrijkste politieke leiders van de Albanezen en - in theorie - de Serviërs, en alleen al het feit dat die Albanezen samen aan een tafel zitten wordt beschouwd als een groot succes.

De raad zou een einde maken aan het politieke deel van de chaos in Kosovo: sinds de oorlog fungeerden hier twee minister-presidenten naast elkaar: de nieuwe, zelfbenoemde Hashim Thaqi, politiek leider van het voormalige Kosovo-bevrijdingsleger uck, en de voorheen in Zwit serland gevestigde regering-in-ballingschap van premier Bukoshi. Beide regeringen hielden er hun ministeries op na en bovendien nog een president (Ibrahim Rugova) met zijn omvangrijke bureau en hofhouding, en een parlement.

Dat waren de restanten van de tien jaar waarin de Albanezen in Kosovo hun 'parallelle structuren' hadden: hun eigen onofficiële regering, en eigen huiskamer-universiteiten en -scholen naast de officiële, Servische instituten.

De iac zou aan dit alles een einde maken. Alle parallelle 'ministeries' en diensten zouden worden afgeschaft en ondergebracht in negentien ministeries onder het iac, ministeries (die geen ministeries mogen heten maar 'administratieve departementen').

Maar alleen Thaqi blijkt zich loyaal aan de afspraken te houden. De twee andere leiders, Rugova en Bukoshi, hebben daar tot nu toe grote moeite mee. Rugova - de lieveling van het Westen - beschouwt zichzelf nog steeds als president en weigert afstand te doen van zijn kantoren en zijn staf. Totdat het parlement daarover heeft beslist, zegt hij. Maar omdat niemand dat parlement bijeenroept, blijft hij aan als president. De Albaneestalige krant Koha Ditore schildert hem in een commentaar af als de man die de iac laat mislukken.

Maar ook Bukoshi houdt de boel op. Het probleem van Bukoshi - jarenlang leider in ballingschap - is geld: zijn 'regering' zit op de tientallen miljoenen dollars (schattingen lopen uiteen van 70 tot 300 miljoen dollar) die de Kosovo-Albanezen in de diaspora de afgelopen jaren aan 'belasting' hebben afgedragen. Al dat mooie geld wil hij niet zomaar aan de iac overdragen. Dus blijven het parlement en zijn regering in functie tot het geld in een fonds in veiligheid is gebracht.

'We hebben goede vooruitgang geboekt', zegt Kouchner op 25 januari opgewekt. Eind van de maand zullen alle hoofden van de negentien 'departementen' zijn benoemd, voorspelt hij, en ook de vertegenwoordigers van de Serviërs in Kosovo staan op het punt eindelijk hun zetel in het iac te zullen innemen. Twee dagen later vertrekt hij naar Japan om fondsen te werven voor de vn-missie in Kosovo. Als hij een dag of tien later terugkeert, hoopt hij dat alles in orde is, en hij met de Serviërs een overeenkomst kan tekenen, zegt hij.

Maar zoals steeds is ook nu de vn weer te optimistisch. Kouchner is nog niet weg, of de Servische leiders in de enclave Gracanica laten weten nog minstens een maand nodig te hebben voordat ze hun plaats in het iac zullen innemen.

En als Kouchner terugkeert, staat Kosovo opnieuw in brand. Een aanslag op een vn-bus vol Serviërs, waarbij twee doden vallen, heeft geleid tot een golf van geweld: in Mitrovica doden Serviërs zeven Albanezen en raken zeventien Serviërs gewond bij aanslagen op twee cafés. Een onbekend aantal mensen, inclusief een aantal Franse militairen van kfor, de vn-vredesmacht, raakt gewond bij rellen na de aanslagen. Vijfhonderd Albanezen ontvluchten het overwegend Servische noordelijke deel van de stad.

'Alles wat we kunnen doen is de Serviërs in leven houden', zegt Younes een week voor de rellen. En zelfs dat blijkt een te grote opgave voor de vn, die in juni nog Kosovo binnentrok met het idee de 'multi-etnische samenleving' te herstellen.

Rond zes uur stopt een bus voor het gebouw van de ovse in Pristina. Een groep jonge mannen en vrouwen die binnen achter de spiegelruiten hebben staan wachten, haast zich naar buiten. Bewakers kijken links en rechts de drukke straat in. De straat verstomt, alsof het beeld even is stilgezet. Mensen blijven staan wachten en kijken zwijgend toe. Het instappen duurt niet langer dan een minuut. Dan rijdt de bus weg en met de bus verdwijnt ook de drukkende stilte voor het gebouw.

De bus brengt de laatste Servische medewerkers van de ovse (vertalers, chauffeurs) naar Gracanica, de Servische enclave tien kilometer buiten Pristina. Daar zijn ze veilig: achter zwaar bewapende vn-controleposten die om acht uur 's avonds de enige toegangsweg tot het dorp hermetisch afsluiten. Als de bus weg is, is de binnenstad van Pristina weer Albanees. Ook café Kukri, het enige café dat nog Serviërs bedient, heeft na zessen geen Servische klanten meer.

Misa Popovic zit in zijn doorrookte leefkeuken op een divan. Op zijn schoot staat een plastic zak vol foto's, op tafel staat de fles rakija, uit de cassetterecorder klinkt Ser vische muziek. Misa is alleen. Zijn vrouw is net voor een week naar Belgrado vertrokken om hun kinderen te bezoeken, die daar studeren. Daarom heeft hij de foto's tevoorschijn gehaald: om niet zo alleen te zijn. De Misa op de divan lijkt nauwelijks meer op de atletische jongeman die op de oude foto's een sierlijke zweefduik maakt, trouwt, voetbalt - in het eerste van Hajduk Split.

Misa is in Pristina gebleven. Hij bewoont een stukje van de flat van zijn gevluchte buurman: de keuken. Zijn eigen flat heeft hij verhuurd aan een politieman. Van het geld dat dat oplevert leeft hij. De laatste keer dat hij buiten kwam, is nu twintig dagen geleden. 'Ik ben naar Gracanica gegaan om boodschappen te doen.' Hier verkoopt niemand meer aan een Serviër. De soldaten van kfor doen de boodschappen voor hem, zegt hij.

Hij is gebleven, ook toen de Albanezen 's nachts aan zijn deur kwamen kloppen en schreeuwden: 'Ga naar Servië!' Vijf families uit zijn flatgebouw zijn wel vertrokken. De achterblijvers - zeven families in twee flats - worden nu permanent bewaakt door een groot ijzeren hek en vier Britse KFOR-militairen die in een van de flats zijn ingekwartierd.

Sunny Hills 1 heet de wijk waar Misa woont.

Vulnerable people, kwetsbare mensen, heten Misa en de andere niet-Albanezen in het jargon van de Green Jackets, het Britse KFOR-contingent in Pristina. Green Jackets lopen nonchalant tussen de flats van de wijk Sunny Hills ii. Op hun patrouilles gaan ze alle elf kwetsbare adressen langs - zij zijn de enige visite die Nevanka Miljanovic, Milorad Milosevic, de eenarmige Ljubica en haar dochter Zorica krijgen. Strijdbare Serviërs die vertrouwen op de soldaten omdat dat het enige is wat ze kunnen doen - behalve vertrekken.

'Ik heb hier 24 jaar geleefd, en ik zal hier sterven', zegt de 63-jarige Nevanka. Zij komt alleen nog haar appartement uit om haar Servische buren te bezoeken die op de elfde verdieping van hetzelfde gebouw wonen. Dat is haar enige bewegingsvrijheid. En zonder de kfor-bescherming zou ze zelfs dat hebben verloren. 'Zonder kfor was ik hier niet meer.'

Ook Ljubica is al zeven maanden niet meer buiten geweest. 'Mijn leger brengt me eten', zegt ze, terwijl ze met haar ene arm een Britse soldaat omhelst. Er is een granaat in haar flat gegooid, de deur is een keer opengebroken. Nu hebben ze een massief ijzeren deur. Zorica wil naar Servië om daar werk te zoeken, maar dat durft ze haar moeder nog niet te vertellen. Zorica kwam nog wel eens buiten. 'Ik spreek een beetje Albanees.' Maar sinds december komt ook zij de deur niet meer uit. De geruchten over ontvoeringen van jonge vrouwen en meisjes houden haar binnen.

Niemand weet waar de geruchten vandaan kwamen. In december had ineens iedereen het over die 'ontvoeringen'. Meisjes zouden 's avonds van de straat worden geplukt en ontvoerd. Getallen deden de ronde. Honderd meisjes zouden al zijn verdwenen. Meegenomen door criminelen uit Albanië die ze als prostituees verkochten.

Korte tijd was het uitgaansleven in Pristina verlamd. Mensen bleven thuis, zoals ze een jaar geleden thuisbleven als er weer een aanslag op een café was gepleegd. Maar openluchtconcerten tussen Kerst en Nieuwjaar lokten de Albanezen weer naar buiten. Ze bleven uitgaan, en niets gebeurde. De ontvoeringen waren voorbij - als ze ooit al hadden bestaan. Zelfs kfor weet achteraf niet zeker of er inderdaad meisjes zijn ontvoerd. Onderzoeken hebben nooit een bewijs opgeleverd. Maar Green Jacket Ken is niet zeker. 'Ik weet niet of het alleen maar geruchten zijn geweest. Misschien zijn er echt meisjes verdwenen.'

De cafés puilen weer uit. Het is er warm en er is licht, dank zij de generatoren. Ook is er muziek. Geen Albanese, zoals in het begin van de vrijheid. Niemand betaalt ook meer met Albanese Lek's. Dat is voorbij. De dmark en de Engelstalige muziek hebben het voorlopig weer gewonnen.

In een van de straatjes van de stad staat nog steeds de kleine orthodoxe kerk met de lichtreclame die niet meer brandt maar die nog altijd 'christos' zegt. Ook hier staan Green Jackets voor de deur: drie jongens bij een huisje van zandzakken. Het huis van de zigeunerfamilie aan de overkant is uitgebrand. Hoger op de heuvel is een hele groep Servische huizen met de grond gelijk gemaakt. Onder aan de heuvel lossen Albanezen een vrachtwagen met vensterglas - gouden handel in een land in opbouw.

Het huis naast de kerk - het huis met het balkon waar altijd de Serviërs zaten en waarvandaan soms werd geschoten - is de ene dag nog intact. De volgende dag zijn alle ruiten kapot. Er is brand geweest. De Green Jackets hebben dat niet kunnen verhinderen. Niemand kan dat verhinderen.

'We kunnen de Serviërs alleen beschermen in hun enclaves', zegt Nadia Younes. 'We zullen ze daar een leven moeten bieden, de voorzieningen moeten geven.' Dat is alweer zo'n dunne lijn waarlangs de vn moet balanceren: de Serviërs worden meer en meer teruggedrongen in hun enclaves. Die enclaves krijgen steeds meer voorzieningen, en krijgen daardoor een steeds permanenter karakter. Dat is wat in vn-termen 'kantonisering' van Kosovo heet: de definitieve afsplitsing van Servische gebiedjes in Kosovo, geconcentreerd rond historische plaatsen als de kloosters van Velika Hoca en Gracanica, en delen van enkele steden, zoals Orahovac en Mitrovica.

'We willen koste wat het kost een kantonisering van Kosovo voorkomen', zegt Youne, 'maar we moeten naar de realiteit kijken, en de realiteit is, dat we de Serviërs nu moeten beschermen op de plek waar ze wonen.'

'Er zal niet één Serviër overblijven', zegt Beni, een jonge

journalist. 'Ze zijn al weg. De mensen die gebleven zijn, zijn allemaal ouder dan honderd.' Vlora, receptioniste: 'Mijn beste vriendin is een Servische. Ze is naar Servië vertrokken en woont nu in Nis. Daar bel ik haar regelmatig. Ze klaagt nu dat ze geen werk heeft, geen geld en geen huis, en dat de Serviërs haar behandelen als een tweederangs burger. Ik heb haar gezegd: "Je moet niet klagen. Je bent vertrokken, en je kunt niet meer terug. Je kunt hier niet meer wonen, de mensen hier willen jullie niet meer. Nooit meer. Dus moet je het nu daarachter maar zien te redden".'

Jehona: 'De Serviërs hebben geen reden om terug te komen. Ze hebben zoveel mensen gedood. We zullen nooit samen kunnen leven. Dat heeft de geschiedenis geleerd. Honderden jaren hebben we naast elkaar geleefd, en in al die tijd hebben onze volken zich nooit gemengd. Het zit in ons bloed. Dat klinkt misschien gek, maar ik weet zeker dat er iets in ons bloed zit dat maakt dat Serviërs en Albanezen nooit echt samen zullen kunnen leven.'

Meer over