'Leven was voor mij' overleven'

Nicolien Mizee (36) voelt zich van jongs af ongeschikt voor de maatschappij. Een leraar op de Schrijversvakschool veranderde haar leven....

'Ik heb altijd het idee gehad dat het mijn heilige taak was alles wat ik meemaakte op te schrijven. Als kind dacht ik: ''Alles is verschrikkelijk, en ik begrijp niet waar iedereen mee bezig is, maar ik moet heel goed opletten en alles onthouden, want later ga ik het opschrijven. Dan ga ik het systeem zien en begrijpen waar het allemaal goed voor is geweest.''

Leven was voor mij overleven. Ik was ervan overtuigd dat iedereen iets wist wat ik niet wist, dat iedereen was aangesloten op een onzichtbaar netwerk, behalve ik. Ik was bij geboorte overgeslagen.

Met de hele padvinderij in de bus Old Mac Donalds had a farm zingen en komische dierengeluiden maken. De hopman lachend voorin. Ik schaamde me verschrikkelijk en dacht: ''God wil niet dat wij zulke stomme liedjes zingen. Toch doet iedereen mee en ver wacht de hopman dat van mij ook. Heb ben zij nou gelijk of ik? Het zou wel heel toevallig zijn als ik de enige ben die weet dat dit niet Gods bedoeling is. En toch is het zo.''

Ik hield het nooit ergens uit, omdat ik zag wat er allemaal niet klopte in de wereld om me heen, maar ik wist niet hoe ik het weer in orde moest brengen. Dat is van begin af aan zo geweest. Ik moest van de kleuterschool af omdat ik van de zenuwen een dikkedarm ontsteking kreeg, en het is er later niet beter op geworden. School, studeren, werken, het is allemaal mislukt. Het lastige is dat er niets aan mij te zien is. Tijdens sollicitatiegesprekken voelde ik me altijd een bedrieger. Zat ik daar aardig, joviaal en representatief te wezen en intussen dacht ik steeds zenuwachtig: ''O God, ik moet die man waarschuwen dat het allemaal anders is en dat hij me niet moet aannemen.'' Maar ik werd altijd aangenomen en het ging altijd mis.

De verlossing kwam toen ik op Schrij vers vakschool 't Colofon scenariolessen ging volgen. De leraar kwam binnen en legde in vijf minuten uit hoe je een scenario moest schrijven. Hij zei: ''Er is iemand die iets wil. Dat gaat mis, en dan gebeurt er iets anders. Zo gaat elk verhaal.'' Hij zei nog wel meer, maar ik zat daar, helemaal verpletterd, en ik dacht: ''Zo is het. Er is helemaal geen allesoverkoepelend systeem. Er zijn alleen maar verhalen. We leven in een oceaan van verhalen. Het enige wat we kunnen doen is het verhaal dat naar ons toe zwemt zo goed mogelijk op papier zetten, en dan weer aan het volgende beginnen. Meer is er niet.''

Ik schaamde me, want ineens wist ik dat ik dat eigenlijk altijd geweten had. Hoe het nu kwam dat die leraar mij in één keer bevrijdde van dertig jaar verwarring, weet ik ook niet. Ik denk dat hij een heilige is. Ik heb het hem weleens gevraagd. ''Heb je nog meer leerlingen die denken dat je God bent?'' ''Dat denk jij helemaal niet'', antwoordde hij. ''Maar waarom zeg ik het dan steeds?'', vroeg ik. ''Dat is een stijlfiguur'', zei hij.

Toen ik was afgestudeerd, vroeg ik me af hoe het nu verder moest met ons. Ik belde hem op en vroeg: ''Mag ik langskomen en je in je natuurlijke omgeving bestuderen?'' ''Ja, dat is goed, ik pak even mijn agenda'', zei hij, zonder een spoor van verbazing. Dan ging ik een tijdje op de bank zitten kijken hoe hij de thee inschonk en de poes aaide. Het was evident dat dit de enig volmaakte manier van thee inschenken en poes aaien was, maar hoe dat nou kwam, weet ik nog altijd niet. Het is een mysterie. Ik denk er nu al zeven jaar over na, en zal dat de rest van mijn leven blijven doen.

Tijdens een etentje vertelde ik hem, zo achteloos mogelijk, dat ik hem voor mijn boek ging gebruiken. ''Maar je hoeft je geen zorgen te maken dat je herkenbaar bent'', zei ik, ''want ik verander van alles. Zo laat ik je een overspelige verhouding hebben met een politicus.'' Hij keek me heel ernstig aan en zei: ''Daar schrik ik van.'' Mijn hart begon te bonzen. ''Daar gaat mijn boek'', dacht ik wanhopig. ''Hoezo?'', vroeg ik. ''Kun je het allemaal niet precies beschrijven zoals het echt is?'', zei hij. ''Want dat kun je het beste.''

Ik wist meteen weer waarom hij een heilige was, want een heilige maakt zijn eigen persoon ondergeschikt aan wat hij denkt dat er moet gebeuren. Daarom vind ik Vincent van Gogh ook een heilige. Mensen denken weleens dat Van Gogh zelfmoord pleegde omdat hij geen erkenning kreeg, maar het ging juist echt mis met hem toen hij die wél dreigde te krijgen. Sinds mijn boek uit is, begrijp ik dat, geloof ik, beter. Je maakt iets omdat je het beste van jezelf naar buiten wilt laten komen. Enerzijds is er de angst dat dit niet wordt opgemerkt, maar als dat wel dreigt te gebeuren, is het ook onverdraaglijk.

Toen Voor God en de Sociale Dienst werd gepresenteerd in een boekhandel en ik het zag liggen in een stapel, dacht ik: ''Ver schrik kelijk, wat heb ik gedaan? Ik ben helemaal gek geweest. Niemand gaat dat boek natuurlijk kopen. Er liggen hier een heleboel boeken. Hoe weten ze nou dat ze mijn boek moeten kopen?'' En ik wist het helemaal zeker: mijn boek komt over een jaar in de krant als het eerste waar nul exemplaren van zijn verkocht. Gelukkig is het anders gelopen, de eerste druk is al bijna uitverkocht.

Dat ik nu mijn leven heb opgeschreven, geeft me het gevoel dat het nog ergens goed voor is geweest allemaal. Ik heb gemerkt dat anderen er wat aan hebben. Uiteindelijk is het me daar om te doen geweest. Ik heb al vijftien jaar een uitkering en op deze manier kan ik wat teruggeven aan de maatschappij. Al die keren dat ik gespannen en zenuwachtig was en niet kon genieten terwijl dat wel de bedoeling was, voelde ik me zondig. Als je op een bootje op de rivier vaart, moet je van het landschap genieten en niet denken: ''Als het bootje nou maar niet zinkt.'' Of: ''O jee, ik moet naar de wc, maar de anderen misschien niet, en dan moeten we speciaal voor mij helemaal gaan aanleggen.''

Als een van de 22 genomineerden voor de Libris-prijs had ik een brief gekregen. De dag waarop bekend werd welke zes schrijvers op de shortlist zouden komen, kon er een televisieploeg komen. Ze konden onverwachts aan bellen, vanaf negen uur 's ochtends. Ik sta nooit voor tienen op dus alleen dat was voor mij al de pure hel. Vervolgens dacht ik: ''Ik heb misschien wel een raar huis en de tekening van die blote vrouw, die moet toch maar weg. In de vensterbank staat een speelgoedlammetje. Dat vinden ze misschien stom dus dat haal ik ook maar weg.'' En zo ging het maar door, tot ik in een totaal onttakelde kamer zat.

Toen er om drie uur 's middags nog niemand was geweest, wist ik dat ik er niet bij zat. Ik heb zitten huilen van opluchting. Dat ik niet op televisie hoefde en dat ik niet blij hoefde te zijn. En bovendien, als ik bij die zes had gezeten, was de ellende weer helemaal opnieuw begonnen. Mensen die zeggen: ''Te gek, meid. Je gaat ervoor hè, voor die ton.'' Die ton kon me niets schelen. Ik had 'm waarschijnlijk meteen bij het gak moeten inleveren.

Als ik een interview moet geven, zie ik daar vreselijk tegenop. Soms vraag ik me af of ik niet gewoon nee moet zeggen, want ik ben van tevoren dagenlang gespannen en na afloop depressief. Dan maak ik een kosten-batenanalyse en doe het ten slotte toch omdat ik wil dat mensen mijn boek lezen.

Lange tijd heb ik gedacht dat het mijn opvoeding was die mij gemaakt heeft zoals ik nu ben. ''Doe alsof je niks bent en hoop maar dat je wordt opgemerkt'', was het motto. Maar het dochtertje van mijn oudste zus is precies hetzelfde als ik. School reisjes, spreekbeurten, alles vindt ze een ramp. Ze wil eigenlijk alleen maar met rust gelaten worden. Terwijl ze toch heel anders wordt opgevoed dan wij vroeger. Het zit kennelijk in onze genen. Het wordt in onze familie van generatie op generatie doorgegeven. Daar gaat mijn volgende boek over.'

Meer over