Leven op de rand van de vulkaan

De ene thrillerschrijver krijgt zonder bergen research geen woord op papier, een ander zal het allemaal een zorg zijn. De laatste categorie is van oudsher oververtegenwoordigd en je kunt het nog ver schoppen, mits je je fantasie niet helemaal op tilt laat slaan....

Joseph Wambaugh was politieman in Los Angeles, hij putte uit eigen ervaringen en die van naaste collega's, en tapte toen hij fulltime schrijver was geworden ex-collega's af: 'Ze praten graag en als je er geld voor over hebt, vertellen ze alles.' Toch lijkt hij te zijn drooggevallen. In zijn droomhuis in het Californische Rancho Mirage loopt hij al jaren te ijsberen. Een andere ex-speurder, A.C. Baantjer, verzint ze waar u bijstaat. De best verkochte schrijver van Nederland heeft een aansprekende formule ontwikkeld; de deeltjes 61 en 62 liggen al bij de uitgever. Het politiebureau van waaruit De Cock opereert bestaat niet langer, het politiewerk is bijzaak, maar Baantjer kan vanuit Medemblik nog jaren voort. (Uit het recente deel 60, De Cock en geen excuus voor moord: 'Is het waar. . ., heeft Derk ongeveer een maand geleden tijdens overwerk Marga ter Braak verkracht?')

Frederick Forsyth geldt als grondlegger van de moderne faction-thriller. The Day of the Jackal (1971) sloeg in als een bom, het hád zo kunnen lopen, die zorgvuldig voorbereide afrekening met De Gaulle. Maar ook Forsyth liep zichzelf voorbij. In The Devil's Alternative (1979) trakteert hij op bijzonderheden over de supertankervaart die weinigen voor hun lol lezen. Ook voor Elmore Leonard zijn de feiten heilig, maar 'Dutch' gaat zelden zelf op pad, hij blijft in zijn suburb van Detroit, hoewel veel van zijn boeken zich elders afspelen, in met name Florida. Leonard heeft een mannetje in dienst, een researcher die foto's voor hem maakt, plattegronden voor hem verzamelt, spoorboekjes, hotelfolders, knipsels uit lokale kranten. Meestal pakt dat goed uit, maar Cuba Libre, een 'historische' thriller, verdrinkt in bijzaken (tot en met het exacte aantal klinknagels in een bepaald oorlogsschip).

Robert Harris was journalist, net als ooit Forsyth, en tv-reporter voor de BBC. Hij werd onlangs uitgeroepen tot Brits columnist van het jaar. Is schrijver van pure non-fictie (Selling Hitler, over de vervalste dagboeken; The Making of Neil Kinnock), iemand met respect voor feiten - ook in zijn thrillers. Waarschijnlijk is er geen auteur in het genre die zich zo nauwgezet voorbereidt, zich zo grondig verdiept in (historische) achtergronden en toch kan blijven boeien.

Fatherland (1992) heeft als achtergrond het door Albert Speer heringerichte Berlijn van 1964, dat de 75ste verjaardag van de Führer uitbundig luister gaat bijzetten. De onoverwinnelijke Hitler is niet dood bij Harris, het Derde Rijk harde realiteit, alleen achter de Oeral vinden wat schermutselingen plaats. In Enigma (1995) is WO II nog volop gaande en treedt de (fictieve) briljante wiskundige Tom Jericho voor het voetlicht. Hij is de man die op Bletchley Park moet proberen de gewijzigde code te kraken waarmee de Duitsers berichten voor hun onderzeeërs versleutelen. Jericho's vriendin verdwijnt, en intern is er iets niet pluis op die afgeschermde werkplek op het platteland.

Als de dagboeken van Hitler te vervalsen zijn, kun je met geringere inspanningen een dagboek van Stalin verzinnen - Harris deed het in Archangel (1998). Een Britse historicus krijgt tijdens een congres in Moskou bezoek van een oude man die hem in vertrouwen neemt, ongeveer zoals in Siegfried van Harry Mulisch een Duits echtpaar de grote Nederlandse schrijver Rudi Herter in Wenen een ongehoord geheim over Hitler komt onthullen.

Allemaal nog dicht bij huis, die drie onderwerpen, en de setting kun je eigentijds noemen. Maar in Harris' vierde thriller heet de hoofdpersoon Marcus Attilius Primus, beroep aquarius, en hij heeft een probleem zonder weerga. De watertoevoer via de negentig kilometer lange Aqua Augusta, een honderd jaar oud aquaduct dat tienduizenden mensen voorziet van drinkwater, begint zonder aanwijsbare oorzaak te stokken. Zijn voorganger Exomnius is spoorloos verdwenen, niemand kent zijn lot, de voortekenen zijn alarmerend en de jonge expert staat er vrijwel alleen voor.

Harris reikt, het zal duidelijk zijn, bijna tweeduizend jaar terug. Het is dinsdag 22 augustus van het jaar 79, 'twee dagen voor de eruptie' - de boektitel kan dus haast niet anders luiden dan Pompeii. In een van de beginpassages wordt een slaaf gevoerd aan monsters van palingen. Hij wordt verdacht van het verwaarlozen van de kweekvis van de rijke Numerius Popidius Ampliatus. Flinke schadepost: een mul was 'vijf keer zoveel waard als één slaaf'. De aquarius ontdekt dat het bassin een onverklaarbaar hoge concentratie zwavel bevat. Je weet waartoe het allemaal leidt, maar een Harris leg je niet zomaar weg.

Meer over