Leven in angst en verrukking

Als beginnend Volkskrant-correspondent wilde Alex Burghoorn weten waarom Jeruzalem al zo lang tot de verbeelding sprak. In zijn laatste verhaal, bij zijn vertrek uit het Heilige Land, probeert hij de werkelijkheid van het Israëlisch-Palestijnse conflict in woorden te vangen....

Aan de oevers van de tijd

Hing ik maar wat rond

In het zachte dode licht

Van de vreemde grijze zon

Tijd was vreemd was ik

En ergens tussen alle troep

Van toen en toen en toen en toen

Zingen stemmen in een zomer, in een jaar

(Spinvis)

Had de geest van het Heilige Land me dan toch te pakken? Ik stond op een heuveltop van de Westelijke Jordaanoever, omringd door religieuze joden op zoek naar een nieuwe nederzetting. Kijk, zei ik tegen hen, van daar heeft Mozes het beloofde land zien liggen. Ik wees naar de rotsige berg Nebo, aan de overkant van de Jordaan.

Terwijl we in de verte tuurden, begon de berg te scheuren. De top brak af, en het enorme rotsblok rolde van de helling.

Van het ene op het andere moment bevonden we ons in een woestijn, waar de bergtop op wonderlijke wijze bleef rollen over de zandvlakte. Traag voortgestuwd door een onbekende kracht. Recht op ons af. Wolken van zand stoven op.

De rots ging rakelings aan ons voorbij en kwam een meter of honderd verderop sidderend tot stilstand. De joden renden juichend op de rots van Mozes af en knuffelden die vol overgave. Ik stond erbij en keek ernaar.

Toen werd ik wakker.

Van het duiden van dromen heb ik weinig kaas gegeten. Maar na dit bizarre spektakel wist ik wat me te doen stond. Als ergens in mijn onderbewuste de gedachte was opgekomen dat de aarde op mijn aanwijzing kon splijten, was het de hoogste tijd om hier te vertrekken.

~


Dit is mijn laatste verhaal als correspondent in Jeruzalem, en de aandrang is groot om er een afrekening van te maken.

Steeds heb ik geprobeerd rustig en beheerst te blijven onder de verrukking en de hysterie die het Heilige Land eigen zijn. Ik heb geprobeerd voor u, geachte lezer, de werkelijkheid in het oog te houden, terwijl om mij heen volken in de ban van allerlei wanen raakten. Ik heb geprobeerd de Israëli’s en de Palestijnen zo goed mogelijk te begrijpen, en op te schrijven waarom ze doen wat ze doen. Ik heb geprobeerd koel te blijven in de hitte.

Maar na twee oorlogen, een burgeroorlog en de onophoudelijke bezetting zit er een piep in mijn oren van alle herrie. Als tegen middernacht de stilte Jeruzalem omhult, hoor ik de argumenten, de diplomatieke formules, de klaagzangen en de scheldpartijen doordreunen in mijn hoofd. Het is er een kakofonie van stemmen uit Gaza, Tel Aviv, Ramallah, Jeruzalem, Hebron, Haifa, Rafah en Sderot. De grondtoon is er een van verdriet, pijn, wanhoop en woede.

In deze laatste uren wil ik eigenlijk de longen uit mijn lijf schreeuwen. Na vijf jaar in Jeruzalem wil ik óók een keer onredelijk zijn en Israëli’s en Palestijnen flink de huid vol schelden. Hun uitmaken voor de klootzakken die ze zijn: al honderd jaar maken ze elkaars leven kapot, omdat ze allebei nou net diezelfde paar heuvels en olijfbomen willen hebben.

Maar ik doe het niet. Met zo’n scheldkanonnade is het net als met schreeuwen tegen de wind in: niemand hoort je, en het ziet er bespottelijk uit.

Vier jaar geleden schreef ik dat ik een vreemdeling in Jeruzalem was. Ik ben geen jood, geen christen en geen moslim. Toch trok de stad me aan, met zijn onmetelijke schat aan geschiedenis en cultureel erfgoed. Al drie millennia spreekt Jeruzalem tot de verbeelding, en ik wilde weten waarom.

Ooit vroeg ik de oude Kees Fens, de meesterlijke letterkundige en Volkskrant-criticus, of hij ooit in Jeruzalem was geweest. ‘Nee, ik denk niet dat ik dat aan zou kunnen’, zei hij. ‘Wie en wat wij zijn komt daar allemaal vandaan.’

Laverend door de stroom van Israëlisch-Palestijns nieuws moest ik vaak denken aan Marlow, de schipper uit Heart of Darkness van Joseph Conrad, die de rivier de Congo afvaart de jungle in, naar de verschrikking van het westerse kolonialisme. Nog onderweg, naar de vaargeul zoekend en zandbanken ontwijkend, zegt Marlow dit: ‘Als je aan dat soort dingen aandacht moet schenken, aan de gebeurtenissen aan de oppervlakte, dan vervaagt de werkelijkheid – ik zeg het je, de werkelijkheid.’

Wat is de werkelijkheid – de diepe werkelijkheid – van het Israëlisch-Palestijns conflict? Wat gaat er schuil achter de checkpoints, de muur, de aanslagen, de bombardementen, de schietpartijen, de bulldozers, de demonstraties, de onderhandelingen, de blokkades, de ontvoeringen, de arrestaties, de terreur, de oorlog, de vergelding?

In dit laatste verhaal wil ik in een aanzet geven tot een antwoord.

~


Als ik de deur uitga, zie ik ze liggen. Iedere dag. Aan de overkant van de vallei zijn ze zij aan zij gerangschikt op de hellingen – de doden. Jeruzalem is begraafplaatscity.

Het liefst kijk ik uit over de doden in het onbarmhartig scherpe zonlicht van het middaguur. Dan gaat het wit van de stad op in het wit van de hemel.

Toen zich hier een millennium of wat geleden de eerste mensen vestigden, deden ze dat niet omdat er vruchtbare grond te vinden was. Water is schaars. Ook zijn er nooit andere kostbaarheden gevonden – geen goud, geen zilver, geen olie. De mensen bleven maar om één reden: de hemel lijkt hier zo dichtbij. Hemel en aarde smelten samen in het verblindende zonlicht.

Zin geven aan het aardse bestaan is hier van begin af aan de core business geweest. Jeruzalem is geen stad, Jeruzalem is een verlangen. De plek verkeert in permanente staat van afwachting: van het moment waarop de Messias komt, of de wereldvrede aanbreekt – het moment waarop het einde der tijden daar is, het onderscheid tussen leven en dood verdwijnt, lijden overgaat in verlossing.

De bibliotheek van het Heilige Land grossiert in magisch-realistische spektakels met Jeruzalem als schouwtoneel. De aartsvader Abraham is hier bereid in opdracht van God zijn eigen zoon te slachten. De verlosser Jezus prevelt hier aan het kruis de laatste woorden tot zijn Vader in de hemelen. De profeet Mohammed begint hier aan een hemelreis te paard naar Mekka. Bij elkaar opgeteld maakt het Jeruzalem tot een lyrisch visioen tussen waan en werkelijkheid.

De christenen liggen recht tegenover mijn huis, op de Zionsberg; de joden liggen rechts, op de hellingen van de Olijfberg; en de moslims liggen om de hoek, aangeschurkt tegen de Tempelberg. Ze zijn klaar om uit de dood op te staan als de dag des oordeels is gekomen.

De grafstenen zijn allemaal gehakt uit de witgelige rots waar het omringende heuvelland rijk aan is. Uit die rotsen zijn ook alle muren, huizen, kerken, synagogen en moskeeën van de stad opgetrokken. De levenden en de doden schuilen hier onder dezelfde stenen. Jeruzalem is één groot memento mori. De voorgevel van mijn huis is gepokt en gebutst door oude kogels die hier rondvlogen tijdens een zoveelste gevechtsronde in de strijd om Jeruzalem – om een stoel te veroveren op de eerste rang voor het hiernamaals.

~

De Israëlische stadsdichter Yehuda Amichai schreef in het lange epische gedicht Jeruzalem 1967:

Jeruzalem. Een operatie die open is ge-bleven.

De chirurgen zijn een dutje gaan doen in verafgelegen hemelen,

maar haar doden hebben geleidelijk aan

een kring gevormd, helemaal rond haar,

als stille bloembladeren.

Alles wat in het Heilige Land gebeurt, resoneert in een klankkast van doden. De doden van toen, de doden van nu, en de doden van straks – ze zitten allemaal in het collectieve geheugen van de levenden.

Het maakt Israël/Palestina tot een spookhuis, waarin de zes miljoen Joden die vergast, vermoord, verhongerd en vernietigd zijn in het Derde Rijk van Adolf Hitler, in een danse macabre zijn verenigd met de Palestijnse doden van de bloedbaden in Deir Yassin (1948), Sabra en Shatilla (1982), en Gaza (2009). Je-saja, Jeremia en de andere oudtestamentische doden gaan hand in hand met de martelaren van Masada (73 na Christus), terwijl ook de 12de eeuwse Arabische veldheer Saladin en de in 1935 gesneuvelde verzetsheld Izzedin al-Qassam zich aansluiten.

Snelwegen, natuurparken, wandelroutes, uitkijkpunten en schaduwrijke bankjes zijn in Israël naar de doden vernoemd. Palestijnse muren zijn beplakt met posters van martelaren: als een gelaat in de zon onherkenbaar is verbleekt, neemt een volgende dode zijn plaats in. Mijn straat heet HaMefakked – Hebreeuws voor ‘De officier’ –, een eerbetoon aan de Israëlische commandant die hier tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 is gesneuveld.

‘Tegenover de levenden bezitten de doden een verpletterende overmacht’, schreef Milan Kundera eens. ‘Niet alleen de doden van het einde van de oorlog, maar alle doden van alle tijden, de doden van het verleden, de doden van de toekomst; zeker van hun overmacht drijven ze de spot met dat kleine eilandje in de tijd waarop wij leven.’

De tijd legt je in Jeruzalem in de luren. Van de talrijke metaforen die in de loop der eeuwen voor de stad zijn verzonnen, spreekt deze, opnieuw van Yehuda Amichai mij het meest aan: ‘Een haven aan de oever van de eeuwigheid.’

Normaal gesproken is de eeuwigheid niet besteed aan journalisten. Het gaat ons om het nieuws van vandaag – om wat er nu gebeurt en wat er straks komen gaat. Wie zo’n kortademig besef van tijd heeft, voelt zich aanvankelijk snel thuis tussen de Israëli’s en de Palestijnen. Elke dag telt voor hen – elke dag kan hun fataal zijn. Elke bom, elke aanslag en elke oorlog is daarmee de belangrijkste bom, misdaad of oorlog uit de geschiedenis van de mensheid. Dat levert spannende kopij op.

Maar na verloop van tijd overvalt iedere correspondent hier het gevoel van herhaling – en waarschijnlijk overvalt ook iedere lezer van die kopij dat gevoel. De zoveelste bom, de zoveelste aanslag, de zoveelste oorlog. De tekenaar-journalist Joe Sacco maakte daar onlangs het prachtige boek Footnotes in Gaza over. Als hij in Khan Younis op CNN ziet dat er weer een zelfmoordaanslag in Jeruzalem is gepleegd, schrijft hij: ‘Een volgende voetnoot, een volgende bladzijde. Hier waar de inkt nooit droogt.’

De oorlog tussen Joden en Arabieren, Israëli’s en Palestijnen, is een eindeloze herhaling van zetten, waarbij tot nog toe niemand in staat is geweest de genadeklap uit te delen. Als twee oude boksers hangen ze tegen elkaar in de ring, bij elkaar steun zoekend tegen de vermoeidheid, terwijl ze uit alle macht met links en recht blijven doorstoten – en omdat ze al zoveel beurse plekken hebben, blijft het pijn doen.

Het idee van de eindeloze herhaling ligt aan de basis van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, de beroemde roman van Milan Kundera. In zijn eenmaligheid is een mensenleven per definitie vluchtig. De schrijver noteert dat ‘een voor altijd verdwenen, nooit meer terugkerend leven op een schaduw lijkt, gewichtloos is, bij voorbaat dood is, en al was het huiveringwekkend, prachtig of verheven, de huiver, de pracht of die verhevenheid is van geen betekenis’.

Herhaling geeft het leven zwaarte, betekenis. Geen wonder dat de drie grote religies hun volgelingen dagelijks herhaalde rituelen voorschrijven – zoals de gebedsuren – die de belofte in zich dragen van een tweede leven in het paradijs.

~


Het is precies die zwaarte die Israëli’s en Palestijnen met hun herhalingsoefening zoeken. Zolang ze strijd voeren, bestaan ze nog. De oerangst van de Israëli’s is dat ze de zee in worden gedreven, de oerangst van de Palestijnen is dat ze de woestijn in worden gejaagd. Hun oerangst is dat ze over de rand van de geschiedenis worden geduwd. ‘De aarde sluit zich over ons, duwt ons door de laatste doorgang en wij rukken onze ledematen af om erdoor te kunnen’, schrijft de Palestijnse nationale dichter Mahmoud Darwish. ‘De aarde knijpt ons fijn. Ik wens dat we haar graan waren geweest, zodat we zouden kunnen sterven en opnieuw leven.’

Een gewichtloos leven, schrijft Milan Kundera, kunnen we ‘voor kennisgeving aannemen, net als een oorlog van twee Afrikaanse staten in de 14de eeuw, die het gezicht van de wereld niet verandert, ondanks het in onbeschrijflijk lijden creperen van driehonderdduizend zwarten’. En dan: ‘Verandert er iets aan die oorlog van twee Afrikaanse staten in de 14de eeuw wanneer die zich ontelbaar herhaalt in de eeuwige terugkeer? Er verandert wel iets: de oorlog wordt een omhoog stekend blok dat blijft, en de stupiditeit ervan zou onherstelbaar zijn.’

Zou dat de reden zijn waarom ik me als correspondent in Jeruzalem vaak een chroniqueur van het menselijk tekort heb gevoeld?

Het idee om het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan op te delen in een Israëlische en een Palestijnse staat is al zo oud als het Verdeelplan van de Verenigde Naties van 1947. Zo moeilijk is een oplossing verzinnen niet. Maar voor het uitblijven van de vrede bestaat geen rationele verklaring. Uit angst hun bestaan te verliezen hebben Israëli’s en Palestijnen daar met religie en geschiedenis te veel betekenis aan gegeven. Ze hebben zichzelf en hun wereld overladen met symboliek.

Beiden zijn bang met een vrede meer te verliezen dan te winnen. Wat is er van de Israëlische identiteit over zonder Hebron? Wat van de Palestijnse zonder Jaffa? Wat zijn de Israëli’s of de Palestijnen zonder Jeruzalem?

De werkelijkheid is dat het bestaan in het Heilige Land ondraaglijk zwaar is. Mark Twain schreef halverwege de 19de eeuw in het verslag van zijn reis door het Heilige Land: ‘Hoe afmattend is het om bij elke kilometer honderden bladzijden geschiedenis te moeten lezen.’

De drieduizend jaar aan geloofsbeleving en veldslagen die het Heilige Land met zich mee torst, is Israëli’s en Palestijnen te machtig. Hoe zich van die zwaarte te ontdoen is de grote vraag. Maar hoe af te rekenen met de geest van het Heilige Land?

~


Yallah, het is volbracht. Het was een voorrecht om in Jeruzalem te wonen. Maar na alle gesprekken met Israëli’s en Palestijnen over dood, verlies, haat, wanhoop en pijn is het tijd om mijn botten op te warmen. Beck zingt het in Volcano zo, traag als het door de woestijn voortrollende rotsblok uit mijn droom.

I don’t know what I’ve seen

Was it all an illusion?

All a mirage gone bad?

I’m tired of evil

And all that it feeds

But I don’t know

And I heard of that Japanese girl

Who jumped into the volcano

Was she trying to make it back?

Back into the womb of the world?

I don’t know where I’ve been

But I know where I’m going

To that volcano

I don’t want to fall in though

Just want to warm my bones

On that fire a while

Jeruzalem, mon amour, het ga je goed.