Letterenfonds komt niet meer op voor de kwaliteit van de literatuur

Een Fonds dat is opgericht om de literaire schrijver een zelfstandig bestaan te bieden, heeft geen boodschap meer aan het schrijverschap als levenskunst en -doel op zichzelf. Schrijven is een bijbaantje geworden, je wordt afgerekend per afzonderlijk 'product'.

GEERTEN MEIJSING

In 1965 werd het voor de hele wereld unieke Fonds voor de Letteren opgericht - vanuit de visie dat de kunsten, inzonderheid de literatuur van ons beperkte taalgebied, niet aan de markt overgelaten kunnen worden, omdat het daarbij niet gaat om gewone diensten of producten van vraag en aanbod, maar om een andere vorm van kapitaal, 'cultureel kapitaal', wel zo belangrijk voor de geschiedenis en identiteit van een land.

Omdat letterkundige kwaliteit-van-het-moment voor de overheid een hachelijk te hanteren criterium is, werd de beoordeling daarvan overgegeven aan dat onafhankelijk opererende, doch geheel uit de staatskas gefinancierde orgaan. Daarbij werd aangetekend dat het niet ging om een sociale vorm van ondersteuning, zoals de bijstand of de BKR, maar om het bevorderen, ook buiten de kleine landsgrenzen, van de Nederlandse literatuur en van de kwaliteit daarvan, door romanciers in staat te stellen zonder nevenarbeid tijd vrij te houden voor hun werk. Het schrijverschap is geen vak, eerder een levenswijze of -visie. De oprichting van het Fonds voor de Letteren betekende een enorme stap in de emancipatie van letterkundige auteurs.

Net als de andere kunsten is literatuur een hoger doch vanzelfsprekend bijproduct van elke cultuur - zij vormen het anker en het voortdurend om herijking vragende peillood van een maatschappij in beweging. Cultuur kan men definiëren als gezicht en ziel van een samenleving: in architectuur, musea, maar ook in kwaliteit van dienstverlening, van hoger onderwijs in de vorm van waardenvrij onderzoek, en uiteindelijk de levende kunsten, die als het ware de handtekening zetten onder voornoemde waarden en aldus de intrinsieke meerwaarde vormen van een maatschappij die niet louter handelt in grutterswaren, koffie en thee. Vanzelfsprekend laat die meerwaarde zich niet in normen vastleggen, maar is zij wel graadmeter voor de kwaliteit van het levensniveau in het algemeen. Dit nu noemen we beschaving. Waar we niet op zitten te wachten zijn hobby- of vrijetijdsschrijvers.

Eregeldje

Het Fonds voor de Letteren is voor het merendeel een groot succes gebleken. Wanbeheer, vriendjespolitiek of belangenverstrengeling zijn nauwelijks of niet voorgekomen. De leesbehoefte van het publiek heeft vroeger nooit voor mogelijk gehouden proporties aangenomen, de uitgeverijen hebben er garen bij gesponnen en voor het eerst hebben twee of drie generaties schrijvers een menswaardig, bijna normaal bestaan kunnen leiden; met toppen en dalen weliswaar, en zonder ooit een hypotheek te kunnen aanvragen - een 'vast inkomen' of pensioen hebben ze namelijk niet, aangezien de subsidies van jaar tot jaar al dan niet worden toegekend.

In 2001 bedroeg het jaarlijks aan auteurs toe te kennen budget van het Fonds voor de Letteren omgerekend 3,4 miljoen euro; in 2006 beschikte het fonds over 6 miljoen euro, waarvan 2,3 miljoen werd besteed aan subsidies voor schrijvers. (Waar de rest naartoe gaat? Natuurlijk naar personeels- en overheadkosten van het Fonds zelf.) Dit jaar schuift de staatscroupier de tot het Letterenfonds bijeengevoegde Fonds voor de Letteren en Productiefonds met moeite 2,5 miljoen toe voor auteurs. Vanaf 2013 gaat daar 20 procent van af!

Dat Fonds voor de Letteren hanteerde de verstandige vuistregel dat pas een aanvrage kon worden ingediend na twee aanzienlijke publicaties van letterkundig belang bij een erkende uitgeverij, en ontwikkelde geleidelijk aan een even verstandig 'continueringsbeginsel' - dat wil zeggen dat de echte oeuvrebouwers, 'bij gelijkblijvende kwaliteit en redelijke productie', meestal konden rekenen op een subsidie voor het volgende jaar, tot een periode van drie jaar.

Schrijversstipendia werden toegekend voor een of twee maanden, voor een trimester of semester, in weinige gevallen voor een heel jaar. Een jaarinkomen was doorgaans niet bij elkaar te schrijven zonder een prijstoekenning of redelijke verkoop. Veel schrijvers maakten naast oorspronkelijke werken ook literaire vertalingen en na een poos werden ook dergelijke vertalingen met een beurs gehonoreerd. Op deze manier werden schrijvers begeleid en in hun carrière gestimuleerd, natuurlijk altijd in de hoop dat ze ooit zouden 'doorbreken' en geen beroep meer op het Fonds hoefden te doen. Bovendien werd gaandeweg per boek of vertaling een 'aanvullend honorarium' uitgekeerd, berekend naar het aantal woorden, een aanzienlijke aanvulling op onze schamele emolumenten.

Oudere, lees oude, schrijvers met een bijzondere staat van dienst konden, weer later, misschien op een jaarlijks 'eregeldje' rekenen - dat is mij op het nippertje ontgaan. Na lange strijd is het leenrecht ingevoerd, elk jaar steeds minder, omdat alleen scholieren nog boeken lenen voor hun lijst, altijd dezelfde, van Gouden Eieren tot Bittere Kruiden, als het maar lekker dun is; gewone mensen kopen ze meestal, ook altijd dezelfde, vooral wanneer ze op de verrekijk gehypet zijn. Het laatste goede nieuws was dat het Fonds van zins was een pensioentje op te bouwen voor de gesubsidieerde auteurs - doch zover is het niet gekomen.

Kouwe kermis

Ik ben een van de gelukkigen geweest die in de vette jaren met het Fonds is meegegroeid. Na twee grote romans en heel wat vertalingen door mijn uitgever op het Fonds geattendeerd, kreeg ik aanvankelijk beurzen van een of twee maanden, later van drie naar zes, en na het winnen van een tweede grote prijs uiteindelijk een paar keer voor een vol jaar. Het resultaat is een rijk oeuvre, waarvan eenieder mag beoordelen of het, en daarmee het Fonds, bestaansrecht heeft.

Moet ik mij daarvoor schamen of schatplichtig voelen tegenover de belastingbetaler? Welneen: ik zie schrijvers als hovelingen, ook in het verleden altoos onderhouden door het hof, waarop zij impliciet, vaak in verholen vorm, kritiek uitten, een hunner voornaamste taken. Wel zag ik het als een plicht mij verre van het Fonds en zijne adviseurs te houden, zoals ik ook nooit bevriend heb willen zijn met literaire critici. Het hoort niet: vriendjes te worden met de subsidiegevers of in een commissie of jury plaats te nemen die over je collega's oordeelt.

Zo ben ik het Fonds min of meer gaan zien als mijn onzichtbare maar voornaamste werkgever, naast de uitgever. Twee keer heb ik mij in persona aangediend bij de directeur van het 'Huddehuis', toen ik tegen de 60 liep. Bezorgd voor de toekomst - en ik was de enige niet - had ik bij uitzondering een onderhoud aangevraagd over hoe het in de toekomst moest, wanneer je door ziekte of ouderdom onmogelijk meer elk jaar een volwassen boek aan het licht kon geven. Een kouwe kermis, waarvan ik ontgoocheld huiswaarts keerde! Mij werd bruut te verstaan gegeven dat het Fonds geen sociale voorziening was of garanties bood; dat schrijven hoogstens een bijbaantje kon zijn, en dat op heden elke subsidievrager werd geadviseerd zijn inkomen elders te betrekken.

Wat krijgen we nu? Een Fonds dat opgericht is om de literaire schrijver een zelfstandig bestaan te bieden bleek nu opeens geen boodschap meer te hebben aan het schrijverschap als levenskunst en -doel op zichzelf? Ik was verbluft. Maar het leek mij niet verstandig om te bijten in de hand die mij gevoed had, al die jaren. Ik zou de Firma loyaal blijven. Een loyaliteit per eenzijdige acte, zo is gebleken.

Al eerder had ik kunnen weten dat de wind uit andere hoek ging waaien: Rick van der Ploeg, staatssecretaris voor Cultuur en Media (sic! Niks geen Onderwijs, Kunsten en Wetenschap meer) in het tweede kabinet-Kok, had verordend dat ook kunstwerken 'producten' waren. Het continueringsbeginsel werd, hup, afgeschaft, en schrijvers werden voortaan afgerekend per afzonderlijk product, zonder inachtneming van hun oeuvre of de ontwikkeling van hun werkplannen in het groot. Aldus werden ze opgejaagd per jaar minstens een boek af te leveren en daarmee ging ontegenzeggelijk het kwaliteitsbeginsel overboord. Ook de 'aanvullende honoraria' werden van de ene op de andere dag afgeschaft.

Ik heb daar geen acht op willen slaan en ben blijven vasthouden aan een samenhangend oeuvre, waarvan verschillende projecten tegelijk in de steigers staan. Zo ben ik in de prut geraakt, domweg door telkens weer een totaalplan in te dienen.

Bijgeloof

Nu het officiële beleidsplan van het nieuwe, sterk in budget gereduceerde, Nederlandse Letterenfonds. We lezen daarin dat het Fonds wil inspelen 'op de ingrijpende veranderingen in het literaire landschap', bestaande uit door de uitgeverijen zogenaamd aangekondigde titelreductie en de 'digitalisering', nog zo'n malicieus bijgeloof. (Het digitale boek is een oxymoron, want van een boek is dan geen sprake meer.)

Maar verdorie! Daarmee roep je het onheil op! Een Fonds dat garant zou staan voor de kwaliteit van de Nederlandse literatuur, moet juist opkomen voor het goed uitgegeven boek. Niks geen digitalisering: dat is wedden op een blind paard! Het is een self-fulfilling prophecy waarmee het Fonds zichzelf (en de schrijver) overbodig maakt.

Voorts wordt, volkomen ondoordacht, aangekondigd dat schrijvers die al langer meegaan en reeds eerder een fatsoenlijke beurs hebben genoten, weinig meer te verwachten hebben (ook de 'eregelden' zijn in één moeite door afgeschaft), omdat het Fonds zich vooral wil richten op debutanten (wat krijgen we nu voor omgekeerde redenering?) en op auteurs 'die zichtbaar zijn'. Lees: de verrekijk.

Wel sodeju! Een schrijver hoeft helemaal niet 'zichtbaar' te zijn, juist liever niet. Zijn boeken moeten spreken, 'zichtbaar' zijn zo men wil; de schrijver zelf zondert zich bij voorkeur en uit de aard van zijn métier juist af! Zijn onbeduidende persoon voegt aan zijn werk niets toe; hij staat slechts in de schaduw van dat werk, en zijn, als per geboorte vrijgegeven, geesteskinderen moeten op eigen benen kunnen staan en een zelfstandig leven leiden, als ze de moeite waard zijn.

Twee zaken mogen duidelijk zijn: het Nederlands Letterenfonds komt niet meer op voor de kwaliteit van de Nederlandse literatuur; integendeel, het gaat daar tegenin door met de algemene culturele vervlakking & afvlakking mee te waaien, terwijl het juist zijn opdracht is het vaandel hoog te houden; en ook: minstens twee à drie generaties schrijvers die hun leven hebben opgeofferd aan de Nederlandse literatuur en daarin hun sporen hebben nagelaten en verdiend, worden volkomen onverwacht in de kou gezet, en mogen op hun oude dag 's nachts post gaan sorteren.

Eenlingen

Twee dingen begrijp ik niet: waarom is het Fonds zelf niet in opstand gekomen tegen het idiote advies van de Raad voor de Kunst (de voorzitter van die Raad is uit protest meteen afgetreden) tot deze verregaande bezuiniging, die aan het totaal van de landsbegroting weinig toevoegt of afhaalt? En vooral: waarom heb ik nergens protest gehoord van de schrijvers zelf, die nu leven en werken? Omdat het eenlingen zijn en ze liever niet 'zichtbaar' worden - maar een toekomst is voor hen niet weggelegd. Of sterker nog: van de ene op de andere dag zijn ze van hun voornaamste bron van inkomsten afgesneden, sinds de fatale en pernicieuze machtswisseling aan de top.

Wij prijzen en danken het verleden, het heden noopt ons tot kritiek en protest.

Nog één keer: het literaire boek als letterkundig kunstwerk is géén product, het kan en mag niet aan de vrijemarktval worden prijsgegeven. Het moet beschermd worden, nu ook tegen het Fonds dat te zijner bescherming is opgericht. Dat heeft Marga Klompé destijds goed gezien. De kus van Gerard van het Reve heeft nu eeuwigheidswaarde als symbool van vergankelijkheid.

undefined

Meer over