Les van Tsjernobyl werd niet geleerd

De Nederlandse overheid heeft in de nasleep van de Bijlmerramp niets nagelaten om de onrust onder de bevolking te maximaliseren....

TECHNOLOGISCHE rampen zijn er in twee soorten. Het eerste type heeft sterke overeenkomsten met 'klassieke' natuurrampen, zoals een cycloon, een watersnood of een lawine. Er is een overduidelijke catastrofe die met materiële verwoesting en menselijke slachtoffers gepaard gaat.

Het tweede type technologische ramp is fundamenteel anders van aard. Er is daarbij geen voor alle slachtoffers merkbare catastrofe. Zelfs mensen in de buurt hebben meestal niet in de gaten dat er überhaupt een ramp plaatsvindt. Voorbeelden zijn de giframpen in Seveso (Italië) en Bhopal (India), en de nucleaire ramp in de kernreactor in Tsjernobyl. De getroffenen worden vaak ongemerkt blootgesteld aan schadelijke stoffen. Radioactiviteit bijvoorbeeld kun je niet ruiken of zien.

Bij het eerste type ramp staan bij de overlevenden vooral de zogenoemde post-traumatische stressreacties centraal. De meest karakteristieke reactie is een voortdurende herbeleving van de traumatische gebeurtenis.

Bij het tweede type ramp gaat het vooral om de directe gezondheidsschade als gevolg van de blootstelling aan de schadelijke stoffen. Deze gezondheidsschade is soms makkelijk, maar vaker lastig vast te stellen.

Maar daarnaast is er een begrijpelijke psychologische reactie: men maakt zich zorgen over de toekomst. Die zorgen kunnen ook optreden als men nog geen enkele lichamelijke klacht heeft. Dit is geen autonoom proces, maar wordt sterk beïnvloed door de wijze waarop de autoriteiten omspringen met informatie over de ramp. 'Tsjernobyl' (1986) is wat dat betreft een boeiende casus.

In de eerste dagen na de ramp poogden de autoriteiten de zaak binnenskamers te houden. De Russische overheid liet enkele dagen na de ramp de 1 mei parade in Kiev gewoon doorgaan, terwijl deze stad van bijna drie miljoen inwoners op slechts 160 kilometer van de ontplofte reactor ligt. Men kon dat doen omdat de menselijke zintuigen radioactiviteit niet kunnen detecteren.

Pas nadat in Zweden een sterk verhoogde mate van radio-activiteit werd waargenomen, erkende de regering in Moskou dat er inderdaad problemen met een kernreactor waren, maar verzekerde tegelijkertijd dat er passende maatregelen (zoals evacuaties) genomen werden.

In de daaropvolgende twee à drie jaar werd door de overheid nauwelijks verdere informatie over de ramp gegeven. 'Alles is onder controle', zo luidde steeds de officiële boodschap. Deze politiek leidde in 1988 en 1989 tot grote onrust onder de bevolking. Er ontstonden geruchten over hoge aantallen spontane abortussen. Hevige onrust en massale demonstraties waren aan de orde van de dag, zodat de overheid ertoe overging om het roer geheel om te gooien: allerlei informatie over de gevolgen van de ramp werd nu vrijgegeven.

Zo werden er gedetailleerde landkaarten gepubliceerd, waarop kon worden afgelezen hoe hoog de mate van radio-actieve besmetting was. Deze koerswijziging van de overheid had echter geen effect meer: de bevolking was al te vaak bedrogen en men geloofde de nieuwe informatie niet meer.

De verwarring werd in de getroffen gebieden volledig toen in 1991 een omvangrijk verslag verscheen van een groots opgezet onderzoek naar de gevolgen van de Tsjernobyl-ramp. Dit onderzoek was uitgevoerd door westerse deskundigen. In de getroffen gebieden werd algemeen verwacht dat dit rapport zou bewijzen dat de gevolgen van de ramp veel ingrijpender waren dan tot nu gedacht.

Het rapport had echter een andere toonzetting: de belangrijkste conclusie luidde dat de ramp niet heeft geleid tot meetbare radiobiologische gevolgen voor de inwoners. De reactie op dit rapport van de bevolking was er één van ongeloof; velen vermoedden dat de westerse deskundigen waren omgekocht.

Als één ding uit dit relaas duidelijk wordt, dan is het dat de geloofwaardigheid van de gegeven informatie cruciaal is. Als eenmaal bij de getroffenen de indruk postvat dat er onvoldoende of onjuiste informatie is gegeven, worden de angst en het wantrouwen alleen maar groter. Alarmerende informatie wordt geloofd, terwijl geruststellende informatie gediskwalificeerd wordt, gevolgd door een dringende eis tot nieuw onafhankelijk onderzoek.

Dat de op deze wijze gevoede angstgevoelens en wantrouwen kunnen leiden tot gezondheidsklachten maakt een ander nucleair ongeluk duidelijk. In 1979 ontstonden er ernstige problemen in een kerncentrale op Three Mile Island bij Harrisburg (VS). Aanvankelijk was onduidelijk hoeveel radioactieve stoffen er waren vrijgekomen. Achteraf is duidelijk geworden dat er slechts een verwaarloosbare hoeveelheid radioactiviteit is uitgestoten (bij de Tsjernobyl-ramp werd 4.000.000.000.000 maal zoveel uitgestoten).

Vijf jaar na dit ongeluk vertoonden de omwonenden - in vergelijking met een controlegroep - echter nog steeds verhoogde waarden op verschillende psychologische, fysiologische en biochemische indices, en ook vertoonden ze meer gezondheidsklachten. Deze effecten kunnen niet anders dan als effecten van stress worden geïnterpreteerd: de dreiging om blootgesteld te worden of te zijn aan radio-activiteit.

Mensen kunnen kennelijk ook gezondheidsklachten ontwikkelen als zij er stellig van overtuigd zijn dan wel grote angst ontwikkeld hebben om aan straling te zijn blootgesteld. Wat nu leert dit ons over de Bijlmerramp?

Het is belangrijk te beseffen dat de Bijlmerramp trekken had van beide typen technologische rampen. De crash veroorzaakte veel zichtbare schade (verwoesting, doden en gewonden), en begrijpelijkerwijs was de aandacht aanvankelijk geheel hierop gericht.

Pas na enige tijd werd duidelijk dat de Bijlmerramp ook kenmerken had van het tweede type technologische ramp: blootstelling aan toxische en/of radioactieve stoffen. Het vliegtuig had verarmd uranium in het staartstuk en daarnaast waren er mogelijk andere giftige stoffen aan boord. Sommige bewoners en hulpverleners bemerkten bij zichzelf lichamelijke klachten en begonnen zich af te vragen of die klachten iets met het ongeluk te maken hadden.

Achteraf beschouwd - maar als men op de hoogte geweest was van de wetenschappelijke literatuur had dit ook vooraf beschouwd kunnen worden - moet worden geconstateerd dat de Nederlandse autoriteiten - in het voetspoor van hun Russische collegae - precies datgene gedaan hebben om de angst en het wantrouwen van bewoners en hulpverleners te maximaliseren.

Het niet horen van ooggetuigen, die te kennen gaven gehoord te willen worden. Meedelen dat documenten verloren zijn gegaan, die later toch opduiken. En: het herhaaldelijk moeten herroepen van eerder gegeven informatie. Dit leidt vanzelf tot de gedachte dat er veel te verbergen valt; de stap naar allerlei complottheorieën is dan niet zo groot meer.

Het in deze situatie van ontstane ongerustheid en beginnend wantrouwen weigeren van gezondheidsonderzoeken is de beste manier om de angst voor gezondheidsschade te vergroten. Hoewel mogelijk bedoeld om geen paniek te zaaien, lijkt ook hier sprake te zijn van het onvermogen van autoriteiten om zich te willen of te kunnen verplaatsen in de situatie van de getroffenen.

De bevinding dat veel gezondheidsklachten weinig specifiek zijn (vermoeidheid, problemen aan de luchtwegen, algehele malaise) lijken op zijn minst niet in tegenspraak met de veronderstelling dat de gezondheidsklachten voor een (groter of kleiner) deel zijn toe te schrijven zijn aan de angst te zijn blootgesteld aan levensbedreigende stoffen. Deze dreiging is gedurende de eerste jaren na de ramp bepaald niet verminderd door de Nederlandse autoriteiten.

Hoe nu verder? Commissievoorzitter Meijer opent elk verhoor opent met de mededeling dat het doel van de commissie is 'waarheidsvinding en het trekken van lessen voor de toekomst'. Men kan het daar niet anders dan mee eens zijn. Maar behalve dat de waarheid gevonden moet worden (hetgeen nimmer geheel zal lukken), is zeker zo belangrijk dat die waarheid geloofd wordt door de getroffenen.

Dat vergt van alle betrokkenen (de commissie, maar daarnaast alle andere betrokkenen, met name ook de media) uiterste behoedzaamheid. Er is de afgelopen jaren door onvolledige en verkeerde informatie al genoeg ellende veroorzaakt.

De alarmerende berichten in de Bijlmerramp-enquête dat er uiterst gevaarlijke, explosieve stoffen aan boord waren, gevolgd door de ontkenning dat dat zo was, op haar beurt gevolgd door de mening van deskundigen dat, ook al was dat zo, deze stoffen op onschadelijke wijze verbrand zijn, zijn geen toonbeeld van adequate informatieverstrekking.

Het is verder te hopen dat onder het 'trekken van lessen voor de toekomst' ook gerekend wordt het kennisnemen van lessen die allang getrokken zijn, en die in de literatuur zijn beschreven. Een overheid die zegt wetenschappelijke kennis belangrijk te vinden, zou kennis ook dienen te traceren en te gebruiken.

J. van den Bout is klinisch psycholoog en verbonden aan de Universiteit Utrecht. Hij was betrokken bij diverse humanitaire en wetenschappelijke projecten in de nasleep van de ramp in Tsjernobyl.

Meer over