Leraarschap is geen roeping meer, maar kwestie van geld

Organisatiebureau Berenschot adviseert minister Ritzen van Onderwijs leraren naar prestatie te belonen. Zo moet het beroep weer wat aantrekkelijker worden....

Van onze verslaggever

Sander van Walsum

DEN HAAG

Thijs Wöltgens was zich ervan bewust dat hij met zijn ode aan het leraarschap-als-roeping niet de hedendaagse tijdgeest vertolkte. Maar bij de aftrap van de discussie over prestatiebeloning in het onderwijs - dondermiddag in het Haagse perscentrum Nieuwspoort - wilde hij toch niet meteen het idee loslaten dat de keuze voor een loopbaan in het onderwijs wel degelijk door ideële motieven kon zijn ingegeven. In de tijd dat hij nog voor de klas stond, was dat nog wel eens het geval. De school was een klooster, en de leraar een priester die had gekozen voor de beslotenheid van een vak waarin alles om de overdracht van kennis draaide. Nu ligt dat allemaal wat anders. Het zij zo. Toch wilde hij de aanwezigen tot bezinning aanzetten: 'Kiezen we voor de school als bastion van onbaatzuchtigheid, of gaan we mee in de vaart der volkeren?'

Het bleek een retorische vraag. Het kostte gespreksleider Ferry Mingelen de grootst mogelijke moeite om onder de deelnemers aan de discussie - politici, beleidsmakers en leraren - tegenstanders te vinden van het principe van prestatiebeloning. En de enkeling die het tegen de verzakelijking van het leraarschap wenste op te nemen, bediende zich meer van vraagtekens dan van uitroeptekens.

Gaat de honorering van individuele prestaties niet voorbij aan het feit dat onderwijs op het conto van een team moet worden geschreven? En zal het extra periodiek voor de ene docent niet tot gevoelens van miskenning van de ander leiden? Maar in het algemeen hoefde voor het idee van selectieve beloning geen missiewerk meer te worden verricht.

Dat was eerder dit jaar ook al gebleken uit een enquête van het onderwijsblad Van twaalf tot achttien. Van de 302 docenten die door de redactie waren benaderd met vragen over de arbeidsomstandigheden, zei een (kleine) meerderheid de wenselijkheid van loon naar prestatie te onderschrijven. Die uitkomst correspondeerde met het grote aantal docenten dat zei structureel over te werken.

De discussie in Nieuwspoort, die was belegd door het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (waarvan Wöltgens voorzitter is), had meer het karakter van een nadere uitwerking van een aanvaard idee dan van een principiële gedachtenwisseling.

De aanleiding om dat nu te doen, was tweeledig. In de eerste plaats wordt elders in Den Haag een nieuw kabinet geformeerd. In de tweede plaats hebben de Onderwijsraad en het organisatiebureau Berenschot vorige maand aan de minister geadviseerd leraren naar prestatie te belonen teneinde het in ongenade gevallen beroep weer wat aantrekkelijker te maken. Berenschot voegde hier prognoses aan toe over de logistieke en financiële consequenties van een mogelijke invoering van het zogenoemde 'competentiemodel'.

Hieruit bleek dat salarisdifferentiatie onmogelijk binnen de huidige financiële marges kan worden uitgevoerd. Wil het ministerie van Onderwijs de scholen in staat stellen om 'excellent presterende' docenten een salarisgroei van 4 tot 6 procent te bieden (met een mogelijke uitloop tot 120 procent van het huidige maximumsalaris), dan zal hiervoor 605 miljoen gulden op de begroting moeten worden gereserveerd - ofwel: 2 procent van de totale loonsom. En daarbij is Berenschot er van uitgegaan dat niet meer dan 5 procent van de leraren aanspraak zal kunnen maken op de kwalificatie 'excellent', en dat eentiende van het docentenkorps als 'goed' kan worden aangemerkt. Blijken er op de scholen meer uitmuntende docenten rond te lopen, en is het de bedoeling dat allen boter bij de vis geserveerd krijgen, dan zullen de kosten navenant stijgen.

Het is uitgesloten dat het nieuwe kabinet zo diep in de buidel zal willen tasten om schouderklopjes te verzilveren. Van de politici die gisteren hun licht over het competentiemodel lieten schijnen, noemde alleen M. Barth (PvdA) een concreet bedrag - 200 à 250 miljoen - dat voor dit doel zou kunnen worden aangewend. De rest van het benodigde geld zou eventueel de komende vier jaar bijeen kunnen worden gesprokkeld (Mingelen: 'Kan dat niet beter de komende vier dágen?'). Ook de Kamerleden Cornielje (VVD) en Van der Hoeven (CDA) zeiden wel naar extra middelen te willen zoeken.

Kansrijker is een gefaseerde invoering van het competentiemodel. De BVE-sector (Beroeps- en Volwasseneneducatie) zou daarbij volgens de onderwijswoordvoerders van de drie paarse fracties als proeftuin kunnen dienen. Hiermee is niet alleen het overzienbare bedrag van 95 miljoen gulden gemoeid, maar is ook de rust in het basis- en voortgezet onderwijs gediend. En daaraan bestaat - met de klassenverkleining in uitvoering en de tweede fase voor de deur - misschien nog wel meer behoefte dan aan een extra periodiek.

Meer over