Lennon en het meisje van Norwegian Wood

Het is niet de eerste biografie van John Lennon, maar wel de dikste. Philip Norman is vooral op dreef als hij over Lennons vroege jaren schrijft – na de Beatles lijkt hij zijn animo te verliezen....

Gijsbert Kamer

De Britse journalist Philip Norman publiceerde in 1981 al een boek over de Beatles, Shout, dat nog altijd tot de beste publicaties over de Fab Four kan worden gerekend. Dat hij ruim twintig jaar later zin had veel van zijn werk nog eens over te doen – nu gericht op het leven van John Lennon – wekt verbazing.

Norman wendde zich in 2003 tot Yoko Ono met het verzoek om de biograaf van haar op 8 december 1980 vermoordde echtgenoot te mogen worden. Hij zag zichzelf als ‘de juiste persoon voor die taak’, zo verklaart hij in het dankwoord van John Lennon, een qua omvang nauwelijks te hanteren turf van liefst 860 pagina’s (de Engelse versie, Lennon – The Life, verscheen terzelfdertijd bij HarperCollins).

Dat er sinds Lennons dood al twee eveneens lijvige biografieën verschenen, was voor Norman eerder een aanmoediging. Ray Colemans Lennon (1984) is in zijn ogen slechts een ‘loffelijk streven’, terwijl hij het vier jaar later verschenen The Lives Of John Lennon van Albert Goldman (terecht) afdoet als hatelijk en ‘lachwekkend onkundig’.

Norman had het geluk dat Ono wilde meewerken en hem niet alleen uitvoerig (opnieuw) te woord stond, maar hem ook in contact bracht met andere bronnen. Wie precies, komen we helaas niet te weten, en dat is meteen het grootste manco aan deze biografie: er ontbreekt een precieze verantwoording.

Over Lennon is inmiddels zo veel gepubliceerd, dat het wie, wat en waar van uitspraken over hem vaak niet meer duidelijk is. Norman had beter te werk kunnen gaan zoals Peter Guralnick dat begin jaren negentig deed in zijn superieure Elvis Presley-biografie: nuchter alles opnieuw lezen en interpreteren en waar nodig met de juiste bronvermeldingen nieuwe interviews doen.

Normans belangrijkste bron naast Ono is Paul McCartney, die bereid bleek via e-mail uitvoerig op zijn vragen in te gaan. Maar wat zijn bijdrage precies heeft opgeleverd, wordt niet helemaal duidelijk.

Zo had McCartney eindelijk uitsluitsel kunnen geven over de doodsoorzaak van Stu Sutcliffe, bassist in de Hamburgse periode van de Beatles en vaak gezien als Lennons beste vriend. Lang is aangenomen dat Sutcliffes dood in 1962 een gevolg was van een hersenaandoening, opgelopen tijdens een nachtelijke vechtpartij.

Pas onlangs kwamen er berichten uit Sutcliffes familie dat het Lennon zelf was geweest die tijdens een van zijn beruchte woedeaanvallen zijn vriend tegen het hoofd had getrapt. Er was een getuige: Paul McCartney – maar die kan zich niets van het voorval herinneren, mailt hij aan de auteur.

Daar heb je dus niet veel aan, en zo lijkt Norman weinig nieuws meer te ontdekken, dan dat hij vrijwel zeker weet wie het meisje is dat Lennon bezingt in Norwegian Wood. Dat blijkt niet de journaliste van de Evening Standard geweest, zoals eerder is aangenomen, maar Sonny Freeman, de vrouw van fotograaf Bob Freeman, die zich uitgaf voor een Noorse en beneden Lennon woonde in een appartement met veel grenen houtwerk.

Het is opmerkelijk hoe vlak Norman de latere Beatles-jaren beschrijft. Alsof hij weet dat over die periode al zoveel – en na Shout ook zoveel goeds – is gepubliceerd, dat hij zich maar beter niet kan wagen aan nog eens een exegese van Lennons teksten. Dat is in de jaren negentig immers al definitief gedaan door Ian MacDonald in Revolution In The Head.

‘Definitief’ wil Normans boek ondanks de ondertitel niet worden – vooral niet omdat hij Lennons New Yorkse jaren zo afstandelijk beschrijft. Het lijkt wel alsof Norman bang was de zogeheten Dakota-jaren (1973-1980) van het echtpaar Lennon te negatief af te schilderen, uit angst dat hij uit de gratie zou vallen bij weduwe Ono.

Dat gebeurde desondanks toch: eind vorig jaar liet Yoko Ono weten dat ze zich van Normans onderneming distantieerde. En dat terwijl hij over Lennons laatste tien levensjaren toch heel wat meer had kunnen uitzoeken, bijvoorbeeld dankzij het vrijkomen van FBI- dossiers.

Waar Norman kosten nog moeite heeft gespaard om Lennons studievrienden en maatjes uit Hamburg te spreken te krijgen, lijkt zijn interesse voor Lennons latere jaren te verslappen.

Jammer, want die eerste tweehonderd bladzijden over Lennons jeugd in Liverpool zijn prachtig. Maar vanaf het moment dat de Beatlemania zich aandient, verliest Norman zijn scherpte.

Ondanks de immense omvang is John Lennon – De definitieve biografie niet meer dan een zeer leesbare, maar op beslissende momenten teleurstellend oppervlakkige biografie geworden.Gijsbert Kamer

Meer over