lekker thuis

Het aantal fulltime huisvrouwen daalt. Er zijn er nog maar ruim driehonderdduizend. Die genieten gewoon van de was, een goeie maaltijd en de kinderen die thuiskomen....

tekst Evelien van Veen . fotografie Rob Hornstra

Als het mooi weer is, laat ze de stofzuiger in de kast en gaat ze de buitenboel doen. Ramen lappen, de stoep vegen, onkruid wieden; buiten is er ook altijd genoeg te doen. En als de zon blíjft schijnen doet ze de strijk, toch al gauw goed voor een paar uur werk per week, ook in de tuin. Kop koffie erbij – heerlijk vindt ze dat. Riet van den Elzen (45) uit het Brabantse dorp Erp is huisvrouw. Ze is getrouwd met Noud (43, verkoopadviseur in een interieurzaak) en gewoon huisvrouw, ja, niks mis met die term. Thuisblijfmoeder zeggen anderen, en dat is ze ook, want ze heeft kinderen van 16, 14 en 8, maar ze schaamt zich er niks voor huisvrouw te heten. Waarom zou ze? Ze geniet ervan. Van de uren dat ze achter de naaimachine zit, om kleding voor zichzelf en haar dochters te maken. Van de Udense markt op maandagmorgen, waar ze steevast elke week haar inkopen doet. Van schone was, van een goeie maaltijd, van het moment waarop de kinderen uit school komen. Ze geniet ook van de woensdagochtend, als ze, vaste prik, met een vriendin rond het dorp gaat wandelen. ‘Zalig, die vrijheid. Ik ben niemand verantwoording schuldig.’

Riet van de Elzen doet er niet moeilijk over, maar de relatieve vrijheid van het huisvrouwenbestaan is niet voor iedereen iets om op trots op te zijn. ‘Ik zeg altijd maar dat ik bij mijn man in de zaak werk’, zegt een jonge fulltime moeder in Utrecht. ‘Als je geen baan hebt, word je tegenwoordig zo’n beetje als uitschot gezien.’ Een juriste in Amsterdam, die een tijd thuis is geweest voor de kinderen: ‘Het bevalt wel, maar ik ben toch weer aan het solliciteren. Je telt niet meer mee in de wereld.’ ‘Is het voor in de krant? Met een foto erbij?’, vraagt de zus van een collega. ‘Nee, liever niet. Om nou als huisvrouw te boek te staan...’ Opgewekt noemt onderzoeker Michiel Vergeer van het Centraal Bureau voor de Statistiek de Nederlandse huisvrouw een ‘bedreigde diersoort’. Een soort die in rap tempo dreigt uit te sterven. Hij zegt: ‘Er hebben zich de afgelopen jaren spectaculaire ontwikkelingen voorgedaan. Het emancipatiebeleid van de overheid is een fantastisch succes.’ Vlak na de Tweede Wereldoorlog was 98 procent van de getrouwde vrouwen in Nederland fulltime huisvrouw, in 1970 was dat nog 72 procent. Vooral de laatste jaren daalt hun aantal snel: in 2001 werkte 43 procent van de moeders met minderjarige kinderen niet, in 2008 was dat 30 procent – de andere 70 procent heeft een baan van minstens 12 uur. ‘In 2008 zeiden 339 duizend vrouwen in Nederland niet te werken in verband met huishouden en zorg. Niet alleen voor kinderen, maar ook voor bijvoorbeeld oude ouders’, zegt Vergeer. ‘Zeven jaar eerder waren dat er nog 735 duizend. Er is een omslag aan de gang.’ Een omslag die ook geldt voor het imago van de huisvrouw, zegt Wil Portegijs van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), net als Vergeer betrokken bij de Emancipatiemonitor, de tweejaarlijkse rapportage naar de stand van zaken op het gebied van emancipatie. ‘Voorheen moest je je als moeder verontschuldigen als je werkte. Nu moet je je verontschuldigen als je niet werkt.’ Nou en of, zegt Suzanne Swaab (42, twee kinderen, een hond en drie paarden). ‘Altijd moet ik me verdedigen omdat ik niet werk. Vanavond heb ik een borrel en ik weet nu al: dat wordt weer een kwestie. ‘Wat doe je dan de hele dag?’, wordt me geheid gevraagd. Ik weet die vraag aardig te pareren met een verhaal over mijn hobby, de paarden, maar het is duidelijk dat ik meteen een minder interessante gesprekspartner ben. Terwijl: toen ik nog verzekeringen verkocht, praatte ik ook nooit over mijn werk op een feestje. Zo boeiend was dat niet.’ Swaab is dochter van een feministische moeder die altijd heeft gewerkt en nu haar proefschrift schrijft. ‘Toen ik vroeger zei dat ik veearts wilde worden, juichte mijn moeder dat toe. Maar dat plan liet ik vlug varen, want ik wist eigenlijk maar één ding zeker: dat ik kinderen wilde.’ Op haar 17de woonde ze samen met haar man Rob, die goed verdient in het vastgoed. Na de geboorte van dochter Yara (17) stopte ze met werken. ‘We hebben wel even een oppas gehad, maar ik vond een baby zo leuk, ik wilde het zelf doen. Bovendien hadden we Robs oma van 87 in huis genomen, dus er was genoeg te doen.’ Maar nu is oma dood en de kinderen zijn groot en Suzanne heeft voornamelijk een lekker leven – ze geeft het ruiterlijk toe. ‘Ik rijd iedereen overal naartoe en iedereen mag altijd een beroep op me doen; hand- en spandiensten op school, zieke kinderen opvangen, dat vind ik volkomen logisch als je thuis bent. Maar ik heb natuurlijk een luxe bestaan. Ik heb een prachtig huis, een hulp voor vijf uur in de week en tijd om elke dag uren bij mijn paarden door te brengen. Ik kan me best voorstellen dat mensen er jaloers op zijn. Het ís ook heerlijk. Ik heb een vriendin met twee kleine kinderen die een fulltime baan heeft en altijd als ik haar zie rennen, denk ik: arme schat, wat een vreselijk leven.’

Vrouwenemancipatie is verworden tot louter arbeidsparticipatie, moppert iemand als socioloog Christien Brinkgreve al jaren. Moeders worden maar de arbeidsmarkt opgejaagd zonder dat er goed wordt nagedacht over de gevolgen voor de kinderen, de vrouwen zelf en de maatschappij. Vrouwen moeten financieel hun eigen broek op kunnen houden, werpt het kabinet Balkenende tegen; Gij Zult Werken, man of vrouw. Swaab: ‘Mensen zeggen weleens tegen mij: Rob kan zoveel werken omdat jij thuis de hele boel draaiend houdt. Dat is lief bedoeld hoor, maar hij zou er echt geen last van hebben als ik vier uur per dag ging werken. Het is alleen niet nodig. Ik heb alleen een vwo-diploma en mijn salaris zou een schijntje zijn, vergeleken bij het zijne. Als ik morgen zou gaan scheiden, zou ik een baan zoeken en vast ook gelukkig zijn. Maar ik vind niet-werken gewoon leuker.’

Marije Otter (30) uit Leeuwarden heeft het geprobeerd, een baan combineren met haar kinderen van 4, 3 en 2. Maar ze is er na een half jaar mee opgehouden. ‘Toen mijn oudste naar school ging, heb ik mijn vroegere werk als docent in het speciaal onderwijs weer opgepakt voor twee dagen per week. Mensen hadden me gezegd: ‘Dat moet je doen, dat is leuk, het is fijn om naast het moederschap ook iets voor jezelf te hebben.’ Nou, zo leuk was het niet. In het onderwijs ben je nooit klaar. Altijd zijn er vergaderingen, huisbezoeken, rapporten. En daar liep ik thuis altijd mee in mijn hoofd. Op mijn vrije dagen: hup, toch weer even achter de computer. Tot de kinderen op het toetsenbord gingen slaan: ‘Mama, néé.’ We werden er allemaal gestrest van. Op een winterochtend stond ik om zeven uur in het donker de autoruiten te krabben om de kinderen op de crèche af te leveren en door te racen naar mijn werk. Toen dacht ik: waar ben ik nou eigenlijk mee bezig?’ Sinds een paar maanden is Otter weer thuis. Jammer van haar salaris, want dat konden zij en haar man Robert (30, beleidsmedewerker bij de gemeente) goed gebruiken, maar verder: fijn. ‘Het is allemaal veel rustiger. Niet meer ’s avonds de broodtrommels, de luiers en de spenen klaarleggen, niks regelen of plannen. We staan ’s ochtends kalmpjes op en we zien wel wat de dag brengt. Wanneer op maandag Mirthe-Joëlle naar school is, ga ik met een vriendin, die ook kinderen heeft, naar de bakker. Dat is traditie. Dan halen we een gebakje en dan gaan we koffiedrinken. En als de kleintjes tussen de middag slapen, ga ik vaak wat schilderen of meubeltjes opknappen.’ Verontschuldigend: ‘Het klinkt allemaal kneuterig, hè?’ En je maatschappelijke verantwoordelijkheid dan, wordt haar weleens gevraagd. Je moet toch iets betekenen? Marije: ‘Daar denk ik wel over na. Maar ik investeer in de kinderen, dat is ook belangrijk. Met moeders onderling hebben we het er soms over, dat wat wij doen ook veel zin heeft. Soms heb je dat nodig: van elkaar horen dat je goed bezig bent.’ Van de buitenwereld krijg je vooral opgetrokken wenkbrauwen, is ook de ervaring van Esther Jager (38). En zelf vindt ze ook weleens dat ze een ‘intellectuele uitdaging’ mist, als ze de zoveelste poepluier staat te verschonen. Dan denkt ze: geef mij maar een leuke training om in elkaar te draaien. Voor er kinderen kwamen werkte ze als personeelsmanager in New York en Engeland; lange werkdagen, een pittige baan. Toen ze in verwachting was van de oudste nam ze ontslag. Ze werkte toen in Londen, waar parttime werken ongebruikelijk is. Nu woont ze in Amersfoort en is ze nog steeds ‘een heel aardige manager’, lacht ze. Van de kinderen. Ze heeft er vier, waaronder een tweeling van anderhalf, en dat vereist ook organisatietalent. Elke middag van drie tot zeven komt er een oppas om haar de spitsuren door te helpen: de oudsten uit school halen, koken, eten met de kinderen, iedereen naar bed. Als haar man Otto (39, financieel manager) tegen half acht thuis komt, kletst hij nog even met de oudsten, zegt ze welterusten en dan gaan ze met z’n tweeën aan tafel. Esther schept er genoegen in dat alles op rolletjes loopt. ‘Ik heb er bewondering voor hoe vrouwen die er ook nog een baan bij hebben alles regelen. Ik kan me moeilijk voorstellen hoe je dat allemaal organiseert.’ Haar eigen managerskwaliteiten zet ze in voor het gezin, haar omgeving, de school van de kinderen. ‘Verjaardagsfeestjes, daar kun je veel tijd in steken als je wilt. Het laatste feest was een heksenfeest. Ik geniet er enorm van als dat een succes is en er aan het eind van de dag zes blije heksjes naar huis gaan. En ik ben nogal handig met Powerpoint, bijvoorbeeld. Dus als er een afscheidsboekje voor de juf gemaakt moet worden, trek ik dat naar me toe.’

De overheid wil dat vrouwen meer gaan werken, zonder dat het vrijwilligerswerk (op scholen bijvoorbeeld) en de mantelzorg in het slop raken. Het SCP onderzocht in opdracht van het kabinet of en hoe dat kan. In juni werden de resultaten gepresenteerd in het rapport Werken en weldoen. ‘Vrijwilligerswerk is belangrijk omdat er, in tegenstelling tot andere vormen van onbetaalde arbeid (zorg voor kinderen en huishoudelijke taken), per definitie geen betaald alternatief voor is’, stelt het rapport. Uit de conclusie: ‘Een fundamentele cultuuromslag, waardoor iedereen meer geneigd is om te gaan werken, zal leiden tot een afname van vrijwilligerswerk.’

De Brabantse huisvrouw Riet van den Elzen rijdt met haar moeder van 80, die diabetes heeft, geregeld naar het ziekenhuis. Ze was anderhalf jaar lang een ochtend per week in huis bij een zieke vriendin, die inmiddels is overleden. Ze zit in de werkgroep verkeersveiligheid op de basisschool van haar jongste, ze is klaarover, lees- en bibliotheekmoeder. Op woensdagavond gaat ze pottenbakken en elke dinsdag een uurtje sporten. Als ze een baan zou hebben en een salaris, zouden ze vast niet meer in hun rijtjeshuis wonen, maar waarschijnlijk in een twee-onder-een-kap. Maar dat hoeft ze niet. ‘Ik heb zeven jaar geleden borstkanker gehad en sindsdien vind ik werken niet meer zo belangrijk. Ik vind het fijner om te genieten van de dingen thuis.’

Meer over