Lekker kaal opschrijven

Hij is een paar dingen tegelijk, A.L. Snijders: dadaïst, rationalist, moralist. Maar voor alles is hij de bedenker van Zeer Korte Verhalen, iemand die schrijvend zijn waarheid opzoekt....

A.L. Snijders is bang. Zelfs met zijn Franse vechtpet op en het oude vissersjasje van z’n vader aan, waaruit hij oude guldens en knopen tevoorschijn tovert.

Hij loopt kordaat door het bos, vlak bij zijn boerderij in de Achterhoek, en ziet er in het geheel niet als een angsthaas uit. Zijn blauwe ogen schijnen in zijn hoofd, en zijn rommelige haardracht beschermt zijn gezicht.

A.L. Snijders, pseudoniem van de 71-jarige Peter Müller, de grootste kortebaanschrijver van het land, is bang voor het meisje dat het beste met hem voorheeft. Ze is een jaar of 24, en werkt voor een instantie of een instelling, en kijkt hem welwillend aan – kom maar Snijdertje, het is voor je eigen bestwil, deze aanleunwoning.

Ze is gestuurd door Wouter Bos, die banken redt, en die ook het allerbeste met hem voorheeft, en met ons allemaal. Die is toch van de sociaal-democraten, en die zorgden er in zijn jeugd voor dat de arbeiders in Amsterdam goede huizen kregen, maar wel met de ramen hoog genoeg, zodat de vrouwen niet uit het raam konden hangen. Want zomaar doelloos met de buurvrouw praten, dat is niet goed voor de mensen.

Het meisje had A.L. Snijders al eerder een scootmobiel gebracht, voor zijn vrouw. Dat was fijn, want nu kunnen ze samen een grote om maken, hij fietsend en zij scootmobielend. De scootmobiel ging deze zomer mee naar Frankrijk, zodat hij zelf op de camping, met een teiltje op zijn schoot, van de caravan naar de wasbakken zoefde om de vaat te doen. Je had ’m moeten zien zitten.

Het komt allemaal door de kredietcrisis, zegt A.L. Snijders.

Hij had altijd een buffer tegen het meisje (en wat zij vertegenwoordigt); genoeg geld om onafhankelijk te opereren vanuit zijn Zweedse prentenboek, zoals een van zijn vijf kinderen hun Achterhoekse onderkomen typeerde. Maar door de kredietcrisis dikt hij in, al gaat het nog net.

Als het op is – verdampt! – komt het meisje, een van de meisjes van Wouter Bos. En die zet hem in een aanleunwoning, ergens in een nieuwbouwwijk, met een hoog raam, want zij weet wat goed voor hem is.

Kredietcrisis – daar zou je toch niet met A.L. Snijders over moeten praten. Bij A.L. Snijders zou je willen schuilen in barre tijden, om er te luisteren naar zijn mooie lerarentoon, die vertelt over het geluk van zelfgebakken brood, zijn kinderen en kleinkinderen, varkens, pauwen, tuinhekken, Nescio, Isaak Babel, excentrieke buurvrouwen, Gustave Flaubert, boodschappenlijstjes, de dagboeken van John Cheever en al het andere waar vrijelijk en erudiet over geouwehoerd kan worden en waarover hij in zijn Zeer Korte Verhalen (‘zkv’s’) uitweidt.

Maar hij wil niet weg uit zijn huis, vandaar de angst.

A.L. Snijders is helemaal niet bang. Nooit geweest ook. Laat ze opdonderen, allemaal. Hij heeft nooit ergens deel van uitgemaakt en hij heeft ook nergens last van. Daar is hij te veel een huiskamerfilosoof voor. Hij gaat ervoor zorgen dat die hele kredietcrisis hem niet zal raken.

Hoe? Hij heeft een bankman, en die bankman is de zoon van de boer die ooit in deze boerderij in Klein-Dochteren boerde. Die bankman staat op de lijst van 180 gelukkige mensen die eens in de zoveel tijd per e-mail een zkv krijgen toegezonden. Toen zijn bankman in een zkv las dat A.L. Snijders gedonder had met de bank, in dit geval Fortis, meldde hij zich. Voor Fortis, zei zijn bankman, hoef je niet meer bang te zijn. Die is nu van de staat.

Trouwens, over geld gesproken. Hij kan natuurlijk ook zijn boeken met zkv’s laten verschijnen bij een grote, rijke uitgeverij, zoals de Bezige Bij. Die gaat hem dan vorstelijk betalen, een literaire held van hem maken en op een schild door het land dragen.

Zelfs de allerhoogste baas van de Bezige Bij, Robbert Ammerlaan, had zich bij hem gemeld. Zijn vriend Tommy Wieringa zei dat hij het moest doen, en wie eigenlijk niet? Maar A.L. Snijders had zijn woord gegeven aan Paul Abels van uitgeverij AFdH, te Enschede. Ja, dat is een eenmansbedrijf, een soort literaire bankman, en die had Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk mooi uitgegeven, en voor de eerdaags te verschijnen verzameling zkv’s, Bordeaux met ijs, gold dat evenzeer.

‘Hebben we niet ergens nog wat van die A.L. Snijders?’, vroeg Ammerlaan in het Amsterdamse herenhuis van de uitgever. En zo gebeurde het dat Ammerlaan twee delen Heimelijke vreugde met oud werk van A.L. Snijders mocht herdrukken, bij zijn dochteruitgeverij Thomas Rap.

Hij zou graag een harde jongen zijn, A.L. Snijders, maar het zit er niet in.

Kijk! Hij zet zijn Franse vechtpet recht op zijn hoofd en wijst op zijn boerderij, vijfhonderd meter verderop, die boven het maïsveld uitsteekt. Een mooi doorkijkje. Hier in het bos was het waar hij begin jaren zeventig ging picknicken, met zijn gezin.

Het huis was nog niet helemaal van hem, de boer moest nog beslissen wat hij ging doen. Maar op een zondag ging de familie in aanbidding naar het aanstaande huis kijken, zo lieflijk gelegen.

Hij, geboren en getogen Amsterdammer, had genoeg van zijn stad. Hij woonde begin jaren zeventig op de wallen, tegenover Casa Rosso, een sekstent. Eerst was het een buurt vol bedrijvigheid: timmerlieden, kleinmetaal. Langzaam maar zeker namen de sekstenten in georganiseerd verband de boel over. Zwarte Joop, de uitbater van Casa Rosso, had eerst schijnwerpers op zijn gevel laten aanbrengen. De volgende stap was buiten luidsprekers neer te zetten, en toen A.L. Snijders vroeg waar dat goed voor was, kreeg hij een duidelijk antwoord: dit is het nieuwe leven, jongen.

Dan moet ik weg, dacht A.L. Snijders. Dan zoek ik mijn eigen nieuwe leven.

In dat nieuwe leven sublimeerde hij wat hij altijd deed: op afstand blijven, nu ook in kilometers. Hij was erbij, maar deed nooit mee. Hij was provo, maar provoceerde niet. Hij was tegen de Vietnam-oorlog, maar naar demonstraties ging hij alleen kijken.

Toen in de jaren tachtig alle progressieve Achterhoekers op het Museumplein tegen kruisraketten gingen demonstreren, bleef hij lekker thuis. De hysterie van het gelijk, daar kan hij niet tegen.

Meerdere dingen tegelijk, dat is wat hij is. Hij is een rationalist, een dadaïst, een moralist en een humanist. Hij is het ook allemaal niet, of niet altijd. Weet hij veel? Hij zoekt als het ware schrijvend naar zijn waarheid, of in elk geval naar de waarheid van dat moment.

Waar het om gaat, zegt hij, al wandelend over de met bladeren bedolven laan, is dat het goed is opgeschreven. Als het goed is opgeschreven, is het waar. De stijl dwingt je mee te gaan in de bewering.

Een sleutelanekdote dan maar, over de waarheid. Hij werkte heel lang als leraar Nederlands in het onderwijs, en de laatste twaalf jaar op de Politieschool. Hij kon goed met ze overweg, met zijn leerlingen. Het waren geen dokterszoontjes, maar kinderen uit de lage middenklasse die correct moesten worden gemaakt – en hij deed daaraan mee, op zijn eigen verwarrende manier.

Die aankomende politieagenten vonden dat er in Rotterdam te veel Turken en Marokkanen waren die te crimineel waren, die niet integreerden en de hele santenkraam erbij. Hij zei dat het anders lag, en probeerde tegengas te geven.

Die leerlingen kwamen bij hem thuis barbecuen, bleven ’s nachts feesten en zagen dat hij zijn deur nooit op slot hoefde te doen. Toen de verslechterde situatie in de Rotterdamse volksbuurten weer klassikaal ter sprake kwam, kreeg hij te horen: allemaal leuk en aardig, die praatjes, maar u weet er geen donder van. We hebben gezien waar u woont, en u hoeft zelfs niet eens uw deur op slot te doen.

Het enige wat hij toen had moeten zeggen was: lees Tacitus, de Romeinse historicus, en dan vooral de passages uit de biografie van Gnaeus Julius Agricola, die de Britten de Romeinse leefwijze probeerde op te dringen. Maar hij zei het niet. Hij zei niks. Zijn leerlingen hadden gelijk.

De wandeling zit erop, en hij doet de deur open van zijn schuur. Dieren heeft hij niet meer, afgezien van de twee honden, zeven kippen en duizenden muizen.

Wat te zien is, is niet alles wat er is te vinden. Wat een keer ergens, ooit, op een zeker moment, van pas zou kunnen komen, heeft een plekje gekregen, willekeurig gerangschikt. Elke kamer in zijn huis is minimaal een zkv waard.

Hij heeft dus opdracht gekregen om op te gaan ruimen. Maar hij vindt van alles en hij gooit het niet weg, maar omarmt het opnieuw. Zoals een verloren gewaand kunstwerk, dat hij ooit voor een vriend maakte en nu gaat opknappen.

In de huiskamer van de boerderij loopt hij over de blauw-rode tegelvloer met een krukje, toch weer een nieuwe aanwinst, meegenomen uit een oud ziekenhuis. Hij heeft inmiddels zijn Franse vechtpet opgehangen, net als de oude vissersjas van zijn vader. In huis ruikt het naar uitgestald versgebakken brood.

Het is niet zo maar een krukje, het is een zkv-krukje – en hij zet het bij de grote tafel neer ter bezichtiging. Op dat krukje, werkend aan zijn witte Apple-laptop, kan hij net lang genoeg zitten om een zkv te maken. Als het ongemakkelijk begint te worden, moet hij afronden.

Natuurlijk kan hij wel een comfortabele stoel pakken, er staan er genoeg. Maar het moet niet te lekker zitten, anders denkt hij dat hij een roman moet schrijven. Zo’n schrijver is hij gewoon niet. Hij is niet zoals zijn vriend L.H. Wiener, zo’n echte schrijver. Eentje die alles van W.F. Hermans weet of van Bordewijk. Die echt lijdt voor zijn proza en zelfs polemieken voert met deze en gene.

Alle keren dat hij een roman begon, verdwaalde hij in zijn eigen verhaal. Dan maar niet. Zkv’s zijn leuk omdat ze leuk zijn om te maken. Lekker kaal opschrijven, met niet te veel vlees aan de botten. Daarna is hij ze weer vergeten.

Toen zijn computer een tijdje geleden crashte en zeker duizend zkv’s verdwenen, kon hij er niet mee zitten. Hij hoeft geen sporen achter te laten, zo veel gewicht heeft het toch ook allemaal niet.

Bovenal, zo wenst hij nog even te hebben gezegd, wil hij niet al te ernstig overkomen.

Meer over