Lekker is wat goedkoop is

De bezorgdheid van de Nederlandse consument over de kwaliteit van het rundvlees is hypocriet. De Nederlander, betoogt Mac van Dinther, wil helemaal niet weten wat hij eet, zolang het maar goedkoop is....

Marc van Dinther

HET meest aangehaalde citaat uit de gastronomische literatuur is dat van de Franse magistraat en gastronoom Jean Anthelme Brillat-Savarin (1755-1826). Het luidt: 'Zeg mij wat u eet en ik zeg wie u bent.'

Laten we eens kijken wat dat voor Nederland oplevert. We eten vis met dioxine, groenten en fruit met bestrijdingsmiddelen, vlees met hormonen en antibiotica, kippen en eieren met salmonella, koeien met misschien wel BSE. Wat zou Brillat Savarin daarvan denken? Dat we doodziek zijn vermoedelijk.

Voedselveiligheid lijkt hét thema van het begin van de 21ste eeuw te worden. Nog nooit, zo schijnt het, hebben mensen zich zo druk gemaakt over de veiligheid van hun voedsel als nu. Dat is een merkwaardige paradox, want voedseldeskundigen roepen om het hardst dat eten nog nooit zo veilig is geweest als juist nu. Dat we vaker horen over zaken die mis zijn in ons voedsel komt omdat we er beter op letten en meer weten, zeggen ze.

Onze bezorgdheid over eten is meer ingegeven door emotie dan door feiten, zeggen de deskundigen. En achter die constatering verschuilt zich een nog veel grotere paradox: Ondanks alle openbare bezorgdheid interesseert het de meeste Nederlanders in werkelijkheid geen moer wat er met hun eten wordt uitgespookt, zolang het maar goedkoop is.

We eten niet met de mond, maar met de portemonnaie. De Nederlandse consument is als twee van de drie aapjes: Zie geen kwaad, hoor geen kwaad. En het derde aapje heeft de hand op de knip.

Biologische en groene slagers worden nu weer platgelopen door vleeseters die zich zorgen maken over BSE. Maar als over een tijdje de opwinding weer is gezakt, gaat (bijna) iedereen weer terug naar de goedkope lappen van de vertrouwde supermarkt of de kiloknaller, zoals het tot nu toe na elke vleescrisis (BSE, varkenspest) is gegaan.

Drie jaar geleden werd varkenshoudend Nederland geteisterd door de varkenspest. Het jaar erna at Nederland een recordhoeveelheid varkensvlees. Waarom? Omdat het varken ineens veel beter en lekkerder was? Welnee, omdat de prijs voor varkensvlees na de pest tot een minimum was gedaald. Het afgelopen jaar is de consumptie van varkensvlees gedaald. Niet omdat het vlees verdacht is, maar omdat het varken duurder is geworden.

Nu is de consument ongerust over rundvlees. Daarvoor is een waterdichte oplossing. Geslachte koeien zijn binnen één dag te testen op BSE. De kosten zijn een paar dubbeltjes per biefstuk. Je zou denken dat supermarkten als Albert Heijn en Laurus onmiddellijk hun koeien op BSE laten testen. Je ziet de advertentie in de krant al voor je: Ons vlees is gegarandeerd BSE-vrij.

Maar ze doen het niet, laten woordvoerders weten. Waarom niet? Waarschijnlijk omdat Albert Heijn en Laurus heel goed weten dat de liefde van de Nederlander niet door de maag gaat, en nog minder door het geweten, maar door de portemonnaie.

De Nederlander geeft in vergelijking met ons omringende landen weinig uit aan eten. Volgens deskundigen is ons voedselpakket belachelijk goedkoop. Onze hele voedingssector is erop gericht meer te produceren voor minder geld. Kwaliteit en smaak spelen een ondergeschikte rol, als ze al een rol spelen.

De intensieve veehouderij is daar natuurlijk een goed voorbeeld van. Ik ken mensen die jarenlang hun eigen varkens slachtten. Totdat ze daar te oud voor werden en hun karbonade in de supermarkt moesten halen. Verbaasd keken ze naar de waterige karbonade in de pan die bovendien, zo ontdekten ze, naar vis smaakte! Wat klopte, want door varkensvoer werd vismeel gemengd als bron van goedkoop eiwit. De veevoerindustrie heeft dat zelf ook ontdekt en is ermee opgehouden. Geen mens heeft het waarschijnlijk gemerkt.

Ook op het gebied van groente en fruit hebben vernieuwingen altijd betrekking op uiterlijk, kleur, vorm, ziekteresistentie en kostenbesparing. Zelden smaak. Berucht zijn de tomaten die wij hier al jaren braaf opaten, maar door de Duitsers ineens werden versmaad als 'Wasserbomben'. Pas toen kregen we betere tomaten. Omdat de export in het geding kwam. Wat voor tomaten geldt, gaat evenzeer op voor aardbeien, paprika's en appels.

In de jacht op het goedkoopste beschermt de Nederlander zich met een machtig schild: zelfgekozen onwetendheid. We wíllen helemaal niet weten wat er met ons eten wordt uitgespookt. Houdt ons dom, alsjeblieft, roept de consument.

Dat leidt tot fraaie staaltjes hypocrisie. Een voorbeeld daarvan is de verontwaardiging die elke keer weer oplaait als in de pers berichten verschijnen over dode beesten die tot dierenvoer worden verwerkt. Ongelovig schudden we het hoofd: Dat zoiets kán!

Terwijl iedereen kan weten dat het al jaren praktijk is om dode dieren, en tot voor kort ook uw Poekie en Blackie, te verwerken tot grondstof voor veevoer. Dode dieren zijn een bron van goedkoop eiwit, goedkoper dan alternatieven zoals soja. En we wilden toch goedkoop?

Natuurlijk hebben de boeren, de voedselindustrie en de supermarkten een verantwoordelijkheid als het gaat om de manier waarop ons voedsel wordt gemaakt. Maar het is te gemakkelijk om ze de schuld te geven van alles wat er misgaat. We vragen er zelf om. Want we hebben keuze. We hóeven geen vlees te eten uit de bio-industrie of groenten en fruit van bespoten akkers. Er zijn groene slagers, biologische slagers, ambachtelijke slagers, er zijn vegetarische vleesvervangers, biologische groenten, er is onbespoten fruit.

Die spullen hebben echter één nadeel: Ze zijn duurder dan de 'gewone' producten. Dat blijkt voor de meesten een onoverkomelijke hinderpaal te zijn. De overheid stimuleert de biologische landbouw, de aandacht daarvoor groeit ook, maar het grootste deel van onze biologische producten verdwijnt naar het buitenland, waar ze wel bereid zijn wat extra's te betalen.

Meer over