Legpuzzel van het leven aan een Parijse boulevard

In Parijs, binnen de Périphérique, staan ze nog steeds, die grote, fraaie negentiende-eeuwse huizen, waarin zich, onttrokken aan het oog van de buitenwereld, een belangrijk deel van het Parijse leven afspeelt....

Het zou mooi zijn als iemand daar nog eens een indruk van kon geven, voordat het allemaal verdwenen is, want verdwijnen doet het. Niet alleen slaan projectontwikkelaars overal in de stad bressen in de gesloten façaden om vervolgens de gaten met glas, staal en beton te plomberen, maar ook die merkwaardige menagerieën van statige bourgeois en al dan niet wetenschappelijke of artistieke zonderlingen die de oude appartementen bevolkten, lossen op in de computer-era die Parijs in zijn greep heeft.

Wat nu precies de sfeer van die huizen karakteriseerde is natuurlijk op geen enkele manier uitputtend te beschrijven, maar als je je nu eens zou beperken tot één zo'n woning en zou proberen alleen het leven van de tien, of twintig, of dertig mensen die daar gehuisvest zijn,in kaart te brengen, zou dat niet al boeiend genoeg zijn?

Dat zou ongetwijfeld al boeiend genoeg zijn, maar ga d'r maar aan staan. Hoe dring je in al die appartementen door? Hoe slaag je erin de bewoners de geheimen te ontfutselen, die ze vast en zeker in de intimiteit van hun afzondering met zich omdragen en, last but not least, wat moet je met zo'n reeks individuele lotgevallen?

Georges Perec heeft zich door zulke ontmoedigende vragen niet uit het veld laten slaan. Hij besloot in 1969, in Parijs, aan de 'inventarisatie' van zo'n huis te beginnen, een huis in de rue Simon-Crubellier, in de wijk van La Plaine Monceau, in het zeventiende arrondissement. Hij werkte eraan tot 1978, maar toen had hij ook een boek, dat van begin tot eind fascineert, niet alleen door de haast dwangmatige, uiterst nauwgezette beschrijvingen van de dingen die in dat huis te zien zijn en door de verhalen waartoe de levens van de bewoners aanleiding geven, maar vooral ook door de methode, die hij bij het schrijven volgde, kort gezegd de methode van de legpuzzel, waarvan degenen die zich daar wel eens mee hebben ingelaten, weten dat hij altijd meer oplevert dan de som van de delen, àls je maar volhoudt.

Het is niet voor niets dat Perec zijn inventarisatie van het huis in de rue Simon-Crubellier begint met uit te leggen wat dat eigenlijk is, een puzzel, een uitleg die hij besluit met de woorden: 'Hieruit valt iets op te maken dat ongetwijfeld de uiteindelijke waarheid van de puzzel is: in weerwil van de schijn is het geen spel dat je in je eentje speelt: iedere beweging die de puzzelaar maakt heeft de maker van de puzzel vóór hem gemaakt; ieder stukje dat hij pakt en nog eens pakt, onderzoekt en betast, iedere combinatie die hij uitprobeert en nogmaals uitprobeert, iedere aarzelende poging, iedere hoop, iedere ontmoediging, zijn door de ander vastgelegd, berekend en bestudeerd.'

De lezer weet dan enigszins wat hem te wachten staat, en om alle misverstand te vermijden wordt de hele uitleg van het puzzelen later nog eens herhaald (met daarin maar één woord veranderd, puzzel is dan legpuzzel geworden wat ook aan de vertaler kan liggen).

Perec herhaalt zijn uitleg als hij een van de meest schilderachtige figuren in dit boek, de wonderlijke puzzelaar Bartlebooth, ten tonele voert en ik denk dat ook het feit dat hij zijn 'inventarisatie' beëindigt met de dood van deze puzzelaar op drieëntwintig juni negentienhonderdvijfenzeventig (alle cijfers in dit boek worden voluit geschreven) betekent dat je Het leven een gebruiksaanwijzing, zoals dit boek in het Nederlands heet, als een puzzel moet lezen, de puzzel als literaire metafoor voor het leven.

Kun je een puzzel navertellen?

Nee, dat kun je niet.

Je kunt je er alleen maar aan overgeven. Je kunt alleen maar die in dit geval niet machinaal uitgestanste, maar stuk voor stuk met de hand uitgezaagde deeltjes een voor een ter hand nemen en ze zo rangschikken - voortgedreven door het manische verlangen deze opdracht tot een goed einde te brengen - dat je ten slotte het in het vooruitzicht gestelde tafereel zich voor je ogen ziet ontrollen en begrijpt wat het een met het ander te maken heeft. Al die bizarre verhalen, want al die bewoners over wie Perec vertelt, hebben wel iets meegemaakt dat je van verbazing van je stoel doet rollen.

Je reist over de continenten, van het Amerikaanse Wilde Westen bij wijze van spreken tot Papoea Nieuw-Guinea; je leest over een jeugdromance in een Tunesische colonie de vacances die een schrijnend 'volwassen' vervolg krijgt; je krijgt inzicht in de trieste bezigheid van een man genaamd Cinoc, die woorden uit de Larousse moet schrappen (het 'vergeetwoordenboek'); je volgt de lotgevallen van een veelbelovende wielrenner, die valt en ernstig verminkt naar Zuid-Amerika gaat om daar gangster te worden; je ziet hoe wereldwijd een exclusieve hotelketen wordt opgezet volgens een krankzinnig plan om de clientèle werkelijk alle denkbare comfort te bieden, enzovoort, enzovoort.

Het is te veel om op te noemen. Meer dan vijfhonderd pagina's lang spint Georges Perec de lezer in, emotieloos, koel, alsof hij zakelijk verslag doet, maar wat hij te vertellen heeft is zo ongelooflijk gedetailleerd, pakkend en fantasierijk - om nog maar te zwijgen van de haast onmenselijke kennis die hij tentoonspreidt - dat je dit boek soms even weg moet leggen om het gelezene te laten bezinken. Perec gebruikt een zo omvangrijk vocabulaire, dat hij James Joyce, die in zijn Ulysses dertigduizend woorden gebruikt zou hebben, naar de kroon steekt.

Dat laatste is vermoedelijk ook de reden dat we wat langer dan aangekondigd op de vertaling van La vie mode d'emploi hebben moeten wachten. De vertaler Edu Borger moet er zijn handen aan vol gehad hebben, want niet alleen propt Perec zijn bladzijden, alinea's en zinnen vol met woorden, die zelfs Fransen niet allemaal zullen kennen, hij slaagt er ook in, bij heel die koel-registrerende stijl die hij hanteert, zoveel emotie zichtbaar te maken, dat je gevoegelijk kunt aannemen dat in het Franse origineel elk woord heeft geteld.

Men zegt wel eens (Gerard Reve heeft dat een paar keer gedaan) dat het leven vaak ongerijmder is dan een schrijver kan verzinnen. Het wonderbaarlijke van dit boek is dat de ongelooflijke dingen die Perec verzonnen heeft, zo reëel aandoen als de feiten in een gort-droog geschiedenisboek. Perec gaat soms diep de geschiedenis in - de geringste aanleiding is voor hem voldoende om zich op historische zijsporen te begeven - maar een geschiedenisboek is Het leven een gebruiksaanwijzing niet. Het is fantasie, maar een vorm van fantasie, die veel, zo niet alles mogelijk maakt, doordat de methode waaraan Perec zich bijna obsessief gehouden heeft, er uitdrukkelijk een rol in speelt.

Perec houdt van het spel en van de regels, die hij per geval zelf vaststelt. In La disparation gebruikte hij de letter 'e' niet. In het 'gekke' verhaal Wat voor brommertje met verchroomd stuur op de binnenplaats lijkt het te gaan om een poging tot dienstweigering, maar het gaat meer over het feit dat er van die poging niets terechtkomt. In W of de jeugdherinnering lijkt hij zijn eigen levensverhaal te vertellen en inderdaad duiken hier zijn 'voor het vaderland gestorven' vader Icek Perec en zijn in Auschwitz omgekomen moeder Cyria Perec-Szulewicz op, maar het accent ligt op het jongetje Gaspard Winckler en het mythische eiland W.

Misschien is Perec, die in 1982 op zevenenveertig-jarige leeftijd overleed, met Het leven een gebruiksaanwijzing het verst gegaan, zowel in zijn lust om te spelen, als in zijn ernst om iets te bewaren van al het vele dat we noodgedwongen aan de vergetelheid prijsgeven (De Arbeiderspers, ¿ 89,- gebonden).

Van Georges Perec zou de uitspraak afkomstig kunnen zijn: 'Si Dieu n'existait pas, il faudrait l'inventer' 'Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden.' Maar hìj heeft dit niet gezegd. Dat was een àndere Franse schrijver: Voltaire. In de 575 bladzijden dikke Multatuli Encyclopedie vindt men het citaat onder het trefwoord 'Voltaire' omdat Multatuli in deel II van de Volledige Werken, op pagina 35, refereert aan Voltaire en zijn vermaarde gezegde. Hij voegt eraan toe: 'Zekerlyk. Alle macht is uit God. Wie macht wil, wil God. Wie macht, gezag, nodig heeft, maakt zich een god.'

Het is fenomenaal hoe je je met deze Multatuli Encyclopedie in de hand een weg kunt banen door het inmiddels compleet beschikbare oeuvre van Eduard Douwes Dekker, die zijn pseudoniem bedacht 'toen hij in september 1859 besloot om het toneelstuk De Bruid daarboven niet onder zijn eigen naam te publiceren'.

Multatuli-lezers hebben dit unieke hulpmiddel te danken aan Kornelis ter Laan (1871-1963), de eerste 'rode' burgemeester van Nederland, die van 1914 tot 1937 Zaandam sociaal-democratisch bestierde. Hij was een groot Multatuli-fan, een socialist-van-de-oude-stempel, die geloofde in 'de verheffing van het volk'. Hij publiceerde tal van naslagwerken over dialectologie en folklore, cultuur en letterkunde.

In 1983 trof Hans van den Bergh, hoogleraar aan de Open Universiteit en bezorger van de Volledige Werken, als kersvers voorzitter van het Multatuli-genootschap in de kelder van het Multatuli-museum 'een merkwaardig tweedelig kastje aan van ongeveer 90 x 90 cm en 80 cm hoog. Beide helften bevatten twee houten laden met elk tientallen bundels in bruin pakpapier gerolde papiertjes die kennelijk als aantekenfiches hadden gefungeerd'.

Dat was de Multatuli Encyclopedie in statu nascendi. Nadat Van der Bergh er wat in gesnuffeld had - en meteen dacht 'hier had Stuiveling over moeten beschikken' - onderzocht hij de mogelijkheid van een uitgave in boekvorm. Dat was niet eenvoudig. Na heel veel vijven en zessen was er een uitgeverij bereid het boek te publiceren, nadat Chantal Keijsper de tekst van Ter Laan niet zonder de nodige moeilijkheden grondig had bewerkt. Als je weet, wat dit voor een karwei geweest is, ben je zelfs bereid een zetfout hier en daar door de vingers te zien (Sdu, ¿ 69,90).

'De schedel, het geheime hart, de tanden,/ het bloed voor mij onzichtbaar in zijn stroom,/ de proteïsche tunnels van de droom,/ het nekvel, het skelet, de ingewanden,/ ik ben die dingen', schrijft Jorge Luis Borges in het gedicht Ik. Het is een van de ruim honderd verzen die Erik Coenen heeft vertaald voor zijn bloemlezing De onzichtbare roos, die door Aalders & Co te Amsterdam werd uitgegeven (¿ 55,- gebonden, ¿ 35,- paperback).

Coenen weet wel dat eerder poëzie van Borges in het Nederlands vertaald is (door Robert Lemm en Barber van de Pol), maar hij vindt dat te weinig. Hij vindt dat Borges hier te veel bekend is als schrijver van verhalen, en te weinig als dichter.

Voor zijn bundel putte hij vooral uit Borges 'gebonden gedichten' en daarmee maakte hij het zich niet gemakkelijk. Want wat doe je met het rijm? Coenen besloot, in het volle besef dat zulke poëzie nu eenmaal nauwelijks te vertalen valt, voor 'herdichting' te kiezen, wat tot schitterende Nederlandse verzen heeft geleid.

Meer over