Leger zonder ballen

Nederland is geen militaire natie, blijkt uit de arrestatie van Erik O. Het leger moet in 'het hoogste geweldsspectrum' meedoen, maar Nederlanders houden niet van schieten....

Betonblokken, prikkeldraad en zwaarbewapende militairen zoals Oscar Bonano uit Puerto Rico moeten het Al Yarmukziekenhuis in Bagdad elke dag weer behoeden voor dood en verderf. Voor aanhangers van het ancien regime, of buitenlandse terroristen, die het liefst een truck vol met explosieven dwars door de Amerikaanse veiligheidsring rond het complex zouden willen rammen. Met het doel zoveel mogelijk GI's in een bodybag naar huis te sturen.

'Het is levensgevaarlijk in de stad', roept de forsgebouwde latino-sergeant, wrijvend in zijn vermoeide ogen. Nauwlettend volgt de 40-jarige Bonano, die al sinds vier uur 's ochtends de wacht houdt voor het ziekenhuis, het voorbijrazende verkeer.

Sinds maart keerden 495 van zijn collegas¿ huiswaarts in een bodybag, 2273 raakten gewond. M dan in enig ander militair conflict waarin de VS in het post-Vietnam-tijdperk betrokken raakten.

Zou Nederland, een land met nauwelijks een krijgshaftig verleden, talloze doden kunnen accepteren? 'Op schaal zou het aantal Amerikaanse gesneuvelden neerkomen op zo'n dertig dode Nederlandse militairen', zegt Abram de Swaan, hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. De Swaan hekelde direct na het Srebrenica-drama de Nederlandse VN-soldaten in de Bosnische enclave, onder de prikkelende vraag: 'Zijn wij laf?'. Zelf antwoordde hij: 'Ik denk het wel', tijdens een congres over moed in 2002.

De Swaan zegt nu: 'Ik denk niet dat de Nederlandse kiezers bereid zouden zijn om zo'n groot offer, dertig doden, te brengen voor andermans vrijheid. Zeker niet in zo'n omstreden kwestie als de Iraakse.'

Bonano: 'Het doet pijn, zoveel dode collega's. Je kunt het je hier niet veroorloven de aandacht te laten verslappen. Je moet erop voorbereid zijn dat elk moment iets kan gebeuren; dat je wordt beschoten, dat er een bom langs de weg explodeert. Ik bid voortdurend dat mij niets overkomt. Al die jongens zijn heus niet voor niets gestorven. Ik geloof echt dat we hier een verschil maken.'

De sergeant, die zijn vrouw en vijf kinderen al elf maanden niet heeft gezien, zegt het met een zelfverzekerdheid die Amerikaanse militairen typeert.

Na twee uur patrouilleren stappen Seth Bartmess (19) en zijn maten van de Mustang Colts, een elite-eenheid uit Fort Riley, Kansas, uit hun Humvees. Het is tijd om te eten. Twintigers stellen zich in het pikkedonker op rond de eettafel. Bartmess mist deze maand de geboorte van zijn dochter. 'Mijn vrouw is kwaad. Maar ze begrijpt wat we in Irak doen. Ooit, als dit alles voorbij is, wil ik naar Amsterdam. Alles wat wij in de VS verboden hebben, is daar toch legaal?'

De soldaat uit Florida is stomverbaasd om te horen dat ook Nederlandse soldaten in Irak zijn. 'Cool! Goed dat jullie ook een bijdrage leveren om het Iraakse volk te helpen.'

De Nederlanders zijn pas afgereisd in augustus, naar Iraks veiligste provincie Al Muthanna. Een ander, gevaarlijker deel van Irak was voor Den Haag uit den boze.

Slechts vier keer in vijf maanden moest de trots van de vaderlandse krijgsmacht, het Korps Mariniers, hardhandig militair optreden. Niet tegen het Iraakse verzet, maar voornamelijk tegen ordinaire plunderaars. Terroristen hebben zich (nog) niet vertoond.

De militairen, die al na vier maanden worden afgelost door nieuwe eenheden, hebben alle tijd voor het fenomeen sociale patrouille. Sociale patrouille? De Amerikanen zouden het niet eens in hun hoofd halen, in brandhaarden als Bagdad.

Op het dak van het CPA-gebouw, een dependance van de voorlopige regering (lees: Britten en Amerikanen) in Al Muthanna, legt de Nederlandse commandant uit dat er niks mis is met de Nederlandse handelwijze. Luitenant-kolonel der mariniers Richard Oppelaar stelt dat 'mede dankzij onze aanpak het hier relatief rustig is gebleven'.

De Nederlanders denderen niet met pantserwagens door de smalle straten van de stad As Samawah, zoals de Amerikanen doen. Mariniers voeren patrouilles te voet uit, of per jeep. De mannen hebben geen helm op, als het even kan, maar hun baret. Ze dragen hun automatische Diemaco-geweer met de loop naar beneden, 'niet horizontaal'. Dat zou 'een verkeerde uitstraling' hebben.

De Nederlanders praten met burgers, informeren naar hun leefomstandigheden, luisteren naar klachten, bekijken hoe ze die kunnen verhelpen. 'Samen komen we er wel uit', lijkt het devies. Het poldermodel in de woestijn.

Oppelaar mag dan enthousiast zijn over de eigen aanpak, sommigen van zijn mensen moeten er niet aan denken de stad in te gaan. Regelmatig krijgen militairen die aan de basis Camp Smitty gekluisterd zijn, zoals keukenpersoneel, de kans om mee te gaan op patrouille. Lang niet iedereen heeft daar trek in. 'Het is mij te link', heet het dan.

Nederland, een natie met nauwelijks enige militaire traditie, koestert steeds grotere ambities op het gebied van gewapend optreden. Commando's moeten, als het aan VVD-minister Henk Kamp van Defensie ligt, worden ingezet voor acties in het hoogste geweldsspectrum, zeg maar: oorlog. Om in de eerste fase van een conflict met de grote jongens mee te doen, met Amerikanen en Britten, zouden zelfs kruisraketten moeten worden aangeschaft.

De vraag is echter of Nederland, van politiek tot bevolking, wel 'de ballen' heeft voor een dergelijk gedurfd optreden. Als de zaak van de 43-jarige marinier Erik O., verdacht van het doodschieten van een Iraakse burger, iets heeft duidelijk gemaakt, dan is het wel dat militair geweld niet altijd begrepen wordt. Durft een Nederlandse militair, negen jaar na Srebrenica, eindelijk te schieten, wordt hij meteen van moord beticht.

'Opnieuw wil Nederland, ondanks de ervaringen van Srebrenica, de braafste jongen van de klas zijn', zegt Nieuw-Guinea-veteraan Jady Snel, die dezer dagen met oud-marinier Henk van Riel adhesiebetuigingen verzamelt voor Erik O. Snel: 'Die jongen is een voorbeeld voor het korps.'

Ontbreekt het Nederlanders aan moed? Maar liefst 70 procent van de bevolking, zo bleek woensdag uit een enqu van het radioprogramma De Ochtenden, wil niet dat elite-eenheden zoals de commando's gaan meevechten in een conflict. Zo'n 60 procent meent dat de krijgsmacht slechts humanitaire taken moet uitvoeren. Aan missies waarbij vrede moet worden afgedwongen, met geweld dus, moet Nederland zich niet wagen.

Opvallend gegeven in hetzelfde radioprogramma: bijna 57 procent van de leden van de militaire vakbond AFMP wijst meevechten aan het front van de hand. De voorzitter van de officierenvereniging NOV, luitenant-kolonel b.d Aldert Hazenberg, is verrast. Hazenberg: 'Ik begrijp de ratio niet van het kiezen voor het beroep van militair, en tegelijk de consequenties afwijzen van zo'n potentieel gevaarlijke baan.' Hazenberg herkent zich niet in het beeld van de militair; de softie, de angsthaas. Aan de bereidheid van de Nederlandse soldaten om te incasseren, zelfs als er talloze doden vallen, twijfelt hij niet.

Maar toch. Ruim de helft van de militairen die meededen aan de peiling van vakbond AFMP, vindt dat Nederland zijn troepen uit Irak moet terughalen als er bijna dagelijks doden zouden vallen, zoals bij de Amerikanen.

'Je moet wel bedenken dat de Amerikanen honderdduizenden mensen in Irak hebben, en Nederland slechts zo'n twaalfhonderd', zegt directeur Jan van der Meulen van de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht (SMK). Om het macaber voor te stellen: vallen er bijna dagelijks doden, dan is het Nederlandse contingent in een paar maanden gedecimeerd.

Van der Meulen heeft jarenlang onderzoek gedaan naar, wat hij noemt, de 'sneuveltolerantie' van de Nederlandse bevolking. Hoeveel doden onder 'onze jongens' kan het volk verdragen? 'Uit alle onderzoek blijkt dat het publiek de risico's afmeet aan de zin en het succes van een operatie. In principe is er voldoende draagvlak voor missies, inclusief geweld'.

Onderzoek naar de 'sneuvelbereidheid' van militairen is schaars. Van der Meulen wijst op een enkele steekproef onder beginnende officieren, kadetten van de Koninklijke Militaire Akademie. Zij kregen een paar jaar geleden de vraag voorgelegd: tijdens een missie in Afrika komen 25 Nederlandse militairen om in een gevecht, wat zou er dan moeten gebeuren?

Terugtrekken was voor vrijwel niemand een optie. Dat gold ook voor een groep ondervraagden uit de burgermaatschappij. Militairen vonden echter (veel) vaker dan burgers dat, in het rampscenario, versterkingen moesten worden aangerukt. Of dat er keihard moest worden opgetreden tegen de vijand.

'Militairen zijn kennelijk stoerder dan burgers', stelt Van der Meulen vast. Maar hij plaatst wel een kanttekening: 'De vraag werd gesteld aan jongeren, aspirant-militairen. Wellicht zou het antwoord anders luiden onder ouderen. Mensen die bij de krijgsmacht kwamen toen Nederlanders nog op de Duitse heide lagen te wachten op 'de Rus'. Sinds begin jaren negentig moeten ze zich voorbereiden op uitzending naar verre vreemde oorden'.

Waarheen ze gaan, is uiteraard een politieke beslissing. Dat geldt ook voor terugtrekking van troepen, als een operatie gierend uit de hand loopt. Voorzitter Hazenberg van de officierenvereniging: 'Ik maak mij zorgen dat Kamerleden zwichten als er bij een missie in het buitenland veel slachtoffers vallen. Ik denk dat de huidige ministers de consequenties wel zullen aanvaarden. Maar ik ben niet optimistisch wat betreft onze parlementari.'

Die kijken op hun beurt met argusogen naar hun kiezers. 'We vergissen ons als politici vaak in de stemming onder de bevolking. Die steunt wel degelijk riskante operaties', meent het voormalige Tweede-Kamerlid Eimert van Middelkoop (Christen-Unie). Hij bereidde de parlementaire Srebrenica-enqu voor, en stond aan de wieg van een nieuw Grondwetsartikel over de uitzending van troepen.

Van Middelkoop, nu lid van de Eerste Kamer, spreekt tegen dat Nederland na 'Srebrenica' alleen nog maar operaties

Vervolg op pagina 17

Nederlandse militairen

Vervolg van pagina 13

aandurft met een gering risico. 'We hebben met de regering het toetsingskader opgesteld, een soort protocol dat aangeeft onder welke voorwaarden we al dan niet meedoen met militaire operaties. Maar het is geen harnas. Het laat ook acties in het hoogste militaire spectrum toe. Mits er een relatie bestaat tussen het doel en de risico's.'

Dat is de theorie. En de praktijk? In Afghanistan mochten Nederlandse commando'sniet vechten tegen Al Qaid¿ a-terroristen en het Taliban-bewind, ook al wilden ze dolgraag. F-16-gevechtsvliegtuigen kwamen boven Afghanistan pas in actie toen het Talibanbewind al lang en breed verdreven was. Bij de VN-vredesmissie in de Hoorn van Afrika vormde het chaotische verkeer de grootste dreiging. En de bemanning van het marineschip dat voor de kust van Liberia dobbert, mag om veiligheidsredenen zelden aan land. De parlementarierkent: 'We zijn bij alle missies van de laatste jaren buiten echte risicosituaties gebleven. Er was een geringe kans op hard militair geweld. De krijgsmacht heeft als primaire taak te doden, de exclusieve license to kill ligt bij militairen. Als je structureel riskante situaties mijdt, is het niet vreemd dat een kwestie als die rond Erik O. niet geaccepteerd en begrepen wordt.'

Onderzoeker Van der Meulen valt de politicus bij: 'De commotie rond O. is niet verwonderlijk. Tot voor kort kwam en vooral positief nieuws uit het gebied van de Nederlandse militairen. Er werd hoog opgegeven over de goede relatie met de Irakese bevolking, de militairen zetten met succes allerlei hulpprogramma's op. En toen ontstond door die dodelijke schietpartij verwarring in Nederland. Zijn we bezig met politie-optreden of zijn we toch verwikkeld in een oorlog?'

Een Nederlandse militair in Irak haalt een typerende uitspraak aan van een Britse collega: 'When the war is over, the Dutchies come in'. Vanwaar die aversie tegen militair geweld? Hoogleraar De Swaan betoogt dat geweld in Nederland nog altijd in de taboesfeer ligt, al worden we geconfronteerd met geweldsincidenten. De doorsnee jonge volwassene is opgegroeid zonder ooit geconfronteerd te zijn met lichamelijk geweld. Thuis, op school noch onder vrienden. Als ze uiteindelijk oog in oog staan met geweld, zoals in Srebrenica, zijn ze onvoorbereid en weerloos.

Is Nederland dus - om het beladen woord nog maar eens te gebruiken - laf als het erop aankomt? De Swaan: 'Een land is niet laf. Mensen zijn laf. Tijdens de Duitse bezetting hebben heel wat Nederlanders van grote moed blijk gegeven. Het verdriet van Nederland is dat tegenover de Bosnisch-Servische moordenaars in Srebrenica niet Nederlander zich moedig heeft betoond. Mladic en Karadzic lopen nog altijd vrij rond. Ondanks onze expeditionaire krijgsmacht-onderdelen.'

Langer dan tien jaar zijn er nu Nederlanders gelegerd in BosniIn de loop van dit jaar wil minister Kamp hen weghalen. Wat zou het mooi zijn als Nederlandse troepen er alsnog in slagen de twee voortvluchtige beulen op te pakken. Eindelijk genoegdoening. Van der Meulen: 'Bij elke discussie over deelname aan een operatie speelt Srebrenica een rol. Al is het maar onderbewust.'

Meer over