Leed met een grap bestreden

Gerardjan Rijnders' Kersentuin blijft binnen de grenzen van wat breed publiek moet aanspreken.

De spullen in de 100 jaar oude kast staan te trillen wanneer de trein langsrijdt. De mensen op het landgoed met de oude kersentuin trillen mee, want deze trein brengt Ljoebov, weduwe, moeder van Anja en Warja, zuster van Leonid, terug naar haar majestueuze ouderlijk huis, alwaar zojuist genoemden haar hartstochtelijk hebben gemist. Ljoebovs rentrée is bepaald theatraal. Vol overgave kust ze de kast. Van de weeromstuit eert broer Leonid het meubelstuk met een toespraak.

'Ik ben bang dat het erop neerkomt dat mijn stuk een komedie is geworden en hier en daar zelfs een farce', schreef Tsjechov over zijn laatste, De kersentuin uit 1904. Regisseur Gerardjan Rijnders heeft het commentaar van de auteur serieus genomen bij de enscenering ervan - sluitstuk van TSJECHOV3 bij Hummelinck Stuurman Theaterbureau. Af en toe is het dijenkletsen. De ene keer te veel van het goede. De andere keer helemaal goed.

Eerder tekende Rijnders binnen het drieluik voor De Meeuw (2011) en Oom Wanja (2012). Zijn nieuwste regie is opnieuw consequent, helder: binnen de grenzen van wat een breed publiek moet aanspreken, zoekt Rijnders die grenzen zo nu en dan ook op. In Oom Wanja leidde dat tot een aantal verrassingen, deze Kersentuin kent evenzogoed zijn momenten.

De mooiste komen op het conto van Carine Crutzen als Ljoebov, Hein van der Heijden als haar broer Leonid, maar ook zeker en niet in de laatste plaats op dat van Paul R. Kooij, die de zakenman Lopachin speelt.

De Ljoebov van Crutzen is nou eens geen breekbaar poppetje, maar een kloeke madam die het grote gebaar niet schuwt en die zich tegelijk kan gedragen als een klein kind. Ze is grappig en hartverwarmend het ene moment, tot ergerlijk onhandig en deerniswekkend het volgende.

Van der Heijden maakt met kleine gebaren een mooi portret van Leonid Gajev, de broer. Even egocentrisch als Ljoebov, beetje de weg kwijt, een breekbare dandy die leeft in het verleden. Beiden weten zich nauwelijks te verhouden tot de nieuwe werkelijkheid die wordt belichaamd door Lopachin.

Lopachin is een afstammeling van boeren die generaties lang op het landgoed hebben gewerkt; met de afschaffing van het lijfeigenschap is hij de eerste die echt een bestaan voor zichzelf kan opbouwen. Door de gegoede stand van weleer wordt hij evenwel nauwelijks serieus genomen. Wanneer de familie van Ljoebov zich door financiële malaise gedwongen ziet het geliefde landgoed te verkopen, komt hij met rigoureuze voorstellen voor het behoud ervan. Niemand luistert. Uiteindelijk koopt hij het zelf.

Deze confrontatie, sleutelscène in het derde bedrijf, is waar het stuk naartoe werkt; altijd weer spannend te zien hoe die wordt ingevuld. Kooij speelt zijn Lopachin meesterlijk. Dronken van zijn eigen succes - misschien. Maar zeker ook van het verzuipen van een zekere schaamte, onhandigheid, boertigheid. Alsof hij niet wil, niet kán geloven in zichzelf. Hij stuitert over het toneel, triomfeert en kastijdt zichzelf. Crutzen zit er in spiegelbeeld tegenover: ze slaat hem en klampt zich aan hem vast. Hartroerend. Voor even. Want in de slotakte maakt een ieder zich op om zijns weegs te gaan en wordt het leed opnieuw met een grap bestreden. En soms is dat ook mooi om te zien.

undefined

Meer over