Langzaam maar zeker een lichaam De intieme afstandelijkheid van Edgar Degas

Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw schilderde Edgar Degas nog haast uitsluitend vrouwen: danseressen, baadsters, meisjes die hun haar doen....

EDGAR DEGAS wilde twee dingen. Hij wilde beroemd worden, en hij wilde onbekend blijven. Letterlijk: illustre et inconnu. In beide ambities, en in hun paradoxale combinatie, is hij geslaagd.

Aan die roem hoeven niet al te veel woorden te worden vuilgemaakt: al tijdens zijn leven werd hij tot in Moskou en Chicago bewonderd. Zijn schilderijen werden aangekocht door collega's, door verzamelaars, door belangrijke musea. Zijn dood, in 1917, werd niet gevolgd door een periode van stilte of vergeetachtigheid. Het was niet nodig dat hij enkele decennia later zou worden herontdekt.

Daar staat tegenover dat de betekenis van zijn werk, zijn plaats in de negentiende-eeuwse kunstgeschiedenis, en zeker datgene wat hij aan die geschiedenis heeft toegevoegd, buitengewoon lastig onder woorden is te brengen. Voor elke regel is er niet één uitzondering, maar een hele reeks. Voor elk houvast is er altijd wel weer een onverwacht probleem dat zich aan de greep van de analyse onttrekt.

Een deel van de verklaring berust op de uitzonderlijk lange termijn die Degas' carrière bestrijkt. In het voorjaar van 1855 schildert hij, nog geen 21 jaar oud, een zelfportret - het bevindt zich in het Musée d'Orsay in Parijs - dat over het hele oppervlak een grote technische vastberadenheid uitstraalt, maar dat qua stemming en gelaatsuitdrukking voornamelijk een raadsel laat zien. Omstreeks 1910, de zeventig gepasseerd, maakt hij tekeningen en pastels waarin het raadsel niet meer in de voorstelling zit, maar in de techniek, of beter nog: in de methode. Strikt genomen is die methode het eigenlijke onderwerp geworden. Tussen die twee tijdstippen laat zich - uiteraard - een evolutie vermoeden, zij het dat deze zich slechts met de grootste moeite laat voegen binnen de constructie van een verhaal.

Degas is in alle opzichten een uitzondering. Het lijkt zelfs alsof hij te slim is voor de kunstgeschiedenis. Er is waarschijnlijk geen tweede kunstenaar in de negentiende eeuw te vinden van wie nog onlangs een uitputtende overzichtstentoonstelling is gemaakt die nu al weer achterhaald blijkt te zijn. Acht jaar geleden hing Degas met bijna vierhonderd schilderijen, pastels en tekeningen in het Grand Palais in Parijs. Inmiddels, drieduizend dagen later, toont een veel kleinere tentoonstelling in de National Gallery in Londen aan dat dat Parijse overzicht een wat eenzijdig beeld van zijn werk heeft gegeven, historisch nauwelijks verantwoord, voorbijgaand aan datgene wat bij nader inzien een van de essenties blijkt te zijn geweest binnen die wonderlijke ontwikkeling die Degas heeft doorgemaakt.

Een perplex makende expositie is het, Degas: Beyond Impressionism. Dat Degas geniaal was, was bekend. Niet dat hij zo geniaal was. Dat hij het impressionisme - als stijl, als beginsel - vanaf een bepaald tijdstip achter zich heeft gelaten, ook dat was bekend. Niet dat hij vervolgens ook nog weer een richting is ingeslagen die goed beschouwd een oeuvre op zichzelf heeft opgeleverd. Dat hij ook in zijn laatste levensfase fabelachtig kon tekenen, is ook niet wezenlijk nieuw. Wel nieuw is dat die kwaliteit een gevolg moet zijn geweest van een concentratie die grenst aan of zelfs samenvalt met het obsessieve.

Niet bekend

Het onderwerp waartoe hij zich vanaf de jaren tachtig bepaalt, is beknopt. Hij tekent danseressen, maar hij tekent vooral vrouwen die bezig zijn zich te wassen of zich af te drogen of hun haar te doen: Femme dans un tub, Femme nue s'essuyant of Femme nue se coiffant.

Over de vraag waarom hij juist deze beperking koos, bestaan allerlei rare speculaties. De meest curieuze is die welke deze voorkeur in verband brengt met een veronderstelde misogynie. In deze visie zou Degas, die zijn leven lang ongetrouwd bleef, zijn minachting voor vrouwen of voor de vrouwelijke gestalte tot zijn centrale geloofsartikel hebben gemaakt - door ze in onflatteuze houdingen, in ruwe belijning en in ongelukkige proporties weer te geven. Het is waar dat deze interpretatie door uitlatingen van Degas zelf lijkt te worden gesteund. Tegen de schilder Walter Sickert heeft hij toegegeven dat hij de vrouw 'misschien te zeer als een beest had behandeld', wat hem vervolgens is komen te staan op de reprimande dat hij de vrouw zo ongeveer over de hele linie in termen van animalité zou hebben benaderd.

Een dergelijk verwijt lijkt me vooral te berusten op onvermogen, op een gebrek aan bereidheid de discretie en in elk geval het gevoel van gereserveerdheid dat in deze scènes besloten ligt, naar waarde te schatten. Om te beginnen is het beeld van een vrouw in bad niet door Degas bedacht; het komt al voor bij de Romeinen, het is door talloze voorgangers en tijdgenoten herhaald. In de tweede plaats heeft Degas, anders dan in de bordeelscènes die hij in de jaren zeventig tekende (en waarin vooral de mannelijke bezoekers als een soort inherente stoethaspels zijn te onderscheiden), nergens ook maar een zweem van het karikaturale aangebracht. Tientallen keren heeft hij een vrouw uit een badkuip laten opstaan, hij heeft bestudeerd hoe met een handdoek langs een been, over een voet wordt gegaan, hoe een gestalte zich buigt, hoe het haar van het hoofd valt, hoe een hand in een spons knijpt, hoe een borst zichtbaar wordt onder de hoek die een arm maakt met het bovenlichaam.

De vraag naar het motief is daarmee vooral een vraag naar het effect dat wordt opgeroepen door de verzameling van alle door Degas bedachte technische oplossingen. Émile Zola was van mening dat de schilder zich had opgesloten in zijn specialisme, wat niet uitsluitend als een negatief oordeel hoeft te worden uitgelegd. Gegeven de beperking en vooral gegeven het feit dat deze voorstellingen op geen enkele manier zijn geïdealiseerd - zoals door zijn leermeester Jean-Auguste-Dominique Ingres nog wel werd gedaan -, bereikte Degas een verbeeldingskracht die alleen in de schilderkunst bestaanbaar is: het niveau waarop een voorstelling de afbeelding kan zijn van datgene wat iemand zich herinnert ooit te hebben gezien - een gebaar, een beweging, iets wat in alle opzichten vertrouwd is.

In hun serie-achtige opzet lijken deze naakten oppervlakkig beschouwd op de series die in dezelfde periode werden gemaakt door Pissarro en Monet, de boulevards in Parijs, de waterlelies in Giverney, de hooimijten op het Franse platteland. Het kapitale verschil berust echter op het feit dat het niet de weersomstandigheden zijn, de streep zonlicht, de regen, de toevallige sneeuw of de tijd van het jaar. Waar het om gaat is dat al die varianten zorgvuldig uit de registraties zijn verwijderd: het is niet langer de impressie die een bepaald tafereel bij de beschouwer veroorzaakt, het is het beeld dat opnieuw moet worden samengesteld op basis van de in het geheugen overgebleven details.

Dat is een wat particuliere interpretatie, maar het is misschien de enige die recht doet aan zowel de intimiteit als de afstandelijkheid. Het is de intimiteit die aan de eigen herinneringen hun onverbrekelijke eenheid geeft, het is de afstandelijkheid die die onmiddellijke barrière opwerpt zodra die herinneringen tevens een ander betreffen. Beyond Impressionism: wat blijft er over nadat alle lichten zijn uitgedraaid en het visuele geheugen op eigen kracht de bijbehorende beelden te voorschijn moet toveren?

De formele parallel daarvan komt op een ongelooflijke manier tot uitdrukking in de tekeningen die Degas met pastelstift op overtrekpapier heeft gemaakt. De eindeloze hoeveelheid arceringen waarmee een op zichzelf volledig abstract lijnenpatroon langzaam maar zeker in een lichaam verandert, weerspiegelt een proces van evenzovele intuïtieve afwegingen. Kan het zijn dat dat lichaam beter, overtuigender wordt als het tegelijkertijd wordt opgebouwd uit blauw, groen en abrikoos? Heeft het betekenis een gestalte geheel neer te zetten met houtskool, als een collectie half-uitgewerkte contouren, en daar vervolgens een onbestemde rood-achtige vlek met pastelkrijt boven te zetten? Wat is het effect als een Femme nue s'essuyant uitsluitend wordt uitgevoerd in zeer dun opgebrachte olieverf, en hoe wordt dat effect nog versterkt door de schildering halverwege onvoltooid te laten?

Dat soort kwesties verwijst niet zozeer naar alles wat direct kan worden waargenomen, ze wijzen eerder op de verborgen aspecten die in laatste aanleg de kracht van een beeld zullen bepalen. Dat is niet zozeer het domein dat zich uitstrekt 'beyond impressionism', maar eerder nog 'beyond realism': het is het gebied waar de mate waarin een voorstelling overtuigend overkomt sterker afhangt van de zeggingskracht van een vlekkenpatroon dan van de manier waarop zo'n patroon ook nog correspondeert met de toevallige realiteit die door de schildering wordt opgeroepen. Of met andere woorden: het gebied waar het concrete al bezig is over te gaan in het tijdloze en in het abstracte.

Niet alleen door de kolossale omvang en de doelbewuste methodiek biedt het verzameld werk van Degas de aanblik van een project. De suggestie dat hij voortdurend wist op welk punt op de route hij zich bevond en wat de consequenties van elke volgende stap zouden zijn, gevoegd bij de zekerheid dat hij deelnemer was aan de traditie, wordt bewezen door het feit dat hij zijn leven lang is blijven studeren. Hij kopieerde Delacroix, Veronese, Titiaan, Mantegna. Hij verdiepte zich onophoudelijk in Ingres. En, minstens zo belangrijk, hij verzamelde.

Parallel aan Beyond Impressionism heeft de National Gallery daarvan een reconstructie gemaakt: Degas as a Collector. Ook als verzamelaar was Degas niet vrij van een zekere dwangmatigheid: als hij bijna geen geld had en een nieuwe broek nodig had, kocht hij liever een tekening.

Hij moet de eigenaar zijn geweest van een van de mooiste particuliere collecties van Frankrijk: alleen al twintig schilderijen en ruim tachtig tekeningen van Ingres, verder werk van Delacroix, Manet, Cézanne, Van Gogh, Gauguin. Na zijn dood, terwijl Dikke Bertha's Parijs beschoten, werd het complete bezit geveild en verdween het voor het grootste deel naar het Louvre en de National Gallery.

Wie honderd jaar geleden aanbelde bij Degas' atelier aan de rue Victor Massé in Parijs, maakte over het algemeen weinig kans door de knorrige dwingeland te worden binnengelaten. Dat de inhoud van zijn pand nu voor één keer bij elkaar is gehaald, voorzien van heldere catalogi en voorbeeldig geexposeerd, is een van de grootste Engelse triomfen sedert de slag bij Trafalgar.

National Gallery, Londen: Degas. Beyond Impressionism.

Tot en met 25 augustus. Degas as a Collector. Tot en met 25 augustus.

Richard Kendall: Degas. Beyond Impressionism. Yale University Press, £ 19,95 (ing.), £ 35,- (geb.).

Ann Dumas: Degas as a Collector. Apollo Magazine Ltd, £ 10,95.

Meer over