LANGDURIGE VERKERING

HIJ IS onverstoorbaar geestig en lacht alle problemen nonchalant en hoofdschuddend weg. Op deze manier, zo leren we uit de Marco Polo-reisgids over de stad, slaat de modale inwoner van Brussel zich door het leven....

Wanneer je zoiets gelezen hebt, arriveer je vanzelfsprekend met hooggespannen verwachtingen ter plekke. Maar de werkelijkheid valt, zoals zo vaak, tegen. Dwalend door de hoofdstad van België en Europa tref je slechts heel weinig onverstoorbaar geestige, nonchalant lachende personen. Eigenlijk maakt de bevolking een betrekkelijk normale indruk.

Wat wel opvalt bij Brusselaars, zeker ook in hun geschriften, is een neiging tot kankeren. In Een passie voor Brussel staat Eric de Kuyper bijvoorbeeld uitgebreid stil bij allerlei soorten verval in de stad en haalt hij uit naar de wanstaltigheid, megalomanie en pietluttige dorpsheid van de architectuur. En de journalist Geert van Istendael klaagt, in een boek met de titel Arm Brussel, over de verloedering van zijn stad, die in zijn ogen grotendeels is te wijten aan de genadeloze opmars van de Eurocraten.

Toch houdt Van Istendael van zijn 'lieve, kapotte, vertrouwde Brussel'. Hij houdt ook hartstochtelijk van België. In zijn bekendste boek Het Belgisch labyrint zegt hij het land te beminnen vanwege de glorie van al die dialecten, het rijke kunst- en cultuurpatrimonium, de vele soorten bier, de afkeer van dikdoenerij, de comfortabele, goedkope woningen, het waarlijk grootse eten en drinken.

Ook prijst hij België omdat het niets zou hebben 'van Hollandse aanmatiging, zelfgenoegzaamheid, tactloosheid, agressiviteit en kaal onbegrip voor wat buiten de grenzen ligt'. Bovendien slaagt het er telkens weer in vernuftige regelingen en evenwichten te bedenken om op een democratische wijze Walen en Vlamingen met elkaar te laten samenleven.

Van Istendaels bewondering voor het Belgische politieke experiment als toonbeeld van beschaving wordt niet door iedereen gedeeld. In Vlaanderen horen we steeds vaker de aanbeveling België maar op te heffen. Sommige separatisten dromen zelfs al van een hereniging met Nederland.

Zo betoogde Rik Gysels, de voorzitter van de vereniging Unie Nederland-Vlaanderen, vorig jaar in de Internationale Spectator dat de Groot-Nederlandse gedachte is misbruikt door uiterst-rechts en daardoor in de taboesfeer is beland. De Vlaams-Nederlandse integratie schrijdt echter onstuitbaar voort en het wordt dan ook tijd te gaan nadenken over een toekomstig samengaan in een nieuw staatsverband. Dat biedt volgens Gysels in ieder geval meer perspectief dan het voortduwen van de krakende wagen van het Belgisch staatsbestel, een wagen die binnen afzienbare tijd in elkaar zal storten.

Dat Gysels respectabele bondgenoten in Nederland heeft, blijkt uit de pas verschenen bundel Nederland en de toekomst van Vlaanderen. In zijn bijdrage aan het boek laat CDA-senator Postma zien dat Nederland en Vlaanderen op politiek, economisch en cultureel vlak steeds meer gelijkenis vertonen. Die convergentie zou ertoe kunnen leiden dat een confederatie gevormd wordt op terreinen die daarvoor in aanmerking komen. Als voorbeeld van een geslaagd confederaal model, meent Postma, kan hierbij de Nederlandse Taalunie dienen.

Dergelijke pleidooien doen sympathiek aan. Een Nederlander die door Brugge, Gent of Antwerpen wandelt (en die steden vergelijkt met Eindhoven en Tilburg), zal het allicht betreuren dat het in 1830 tot een afscheiding is gekomen. Hoeveel krachtiger en cultureel rijker zou het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden niet zijn geweest zonder deze vergissing?

Van de Vlamingen is het bovendien begrijpelijk dat zij hun buik vol hebben van de taalstrijd en andersoortige conflicten met hun Waalse landgenoten. Ook kan men hen moeilijk kwalijk nemen dat zij er weinig voor voelen continu forse bedragen over te hevelen naar het minder welvarende zuiden. Van het voortbestaan van België profiteert vooral Wallonië.

Toch lopen diegenen die aandringen op een fusie tussen Nederland en Vlaanderen, wel erg hard van stapel. Onze zuiderburen zouden in een dergelijke constructie in een minderheidspositie raken en vermoedelijk opnieuw frustraties ervaren. Voorts verschillen Vlamingen en Nederlanders, ondanks de gemeenschappelijke taal, nog altijd aanzienlijk in mentaliteit en cultuur.

Nuttiger dan filosoferen over staatkundige hereniging lijkt dan ook het intensiveren van de samenwerking en het bestrijden van wederzijdse vooroordelen. In zijn essay Nederland en de toekomst van Vlaanderen stelt de Vlaamse filosoof Ludo Abicht terecht dat de technocratische aanpak van de Europese Unie, waarbij samenwerking van bovenaf wordt gedicteerd, geen navolging verdient. Veel beter zou zijn als Vlamingen en Nederlanders geleidelijk door vrijwillige omgang stereotypen afbouwen en echte belangstelling voor elkaar ontwikkelen.

Postma heeft Vlaanderen weleens een heel attractieve bruid voor Nederland genoemd. Bij een dergelijk gewaagd huwelijk kan een langdurige verkering zeker geen kwaad.

Meer over