Landmacht blijft onaantrekkelijke werkgever

Gebrek aan personeel dreigt de landmacht op te breken. Christ Klep vraagt om aandacht voor de oorzaken. Nederlanders zijn niet zo trots op hun leger en vredesmissies spreken minder tot de verbeelding dan de aloude taak van verdediging van volk en vaderland....

DAN toch maar weer Zwitsers inhuren? Twee eeuwen geleden gold nog: 'Geen geld, geen Zwitsers'. Op de internationale huurlingenmarkten waren Zwitserse militairen gewilde waar. Tweehonderd jaar later erkent vertrekkend bevelhebber luitenant-generaal M. Schouten dat de landmacht drieduizend militairen tekort heeft. Zijn organisatie dreigt binnen enkele jaren 'door de hoeven te gaan'.

De oplossing voor dat personeelstekort? Generaal Schouten wijst op de bekende remedies: goede arbeidsvoorwaarden, prima voorlichting, uitstekende opleidingen, een integer imago.

Nee, dan die goede oude Koude Oorlog. Toen was de Nederlandse krijgsmacht vooral een massale opleidingsfabriek voor dienstplichtigen. De dreiging uit het oosten rechtvaardigde een groot staand leger. En vredesmissies, zo vond de krijgsmacht, waren slechts storende terzijdes.

Hoe anders de krijgsmacht na 1993. Toenmalig minister van Defensie Ter Beek maakte de switch naar een veel kleiner beroepsleger. Vredesoperaties werden de hoofdtaak. Dat maakte, aldus Ter Beek, voortzetting van de dienstplicht politiek en moreel onverkoopbaar. Geen regering zou het aandurven om grote aantallen dienstplichtigen op gevaarlijke missies te sturen, nog afgezien van de vraag of voldoende vrijwilligers konden worden bijeengeschraapt.

De Tweede Golfoorlog (1991-1992) was wat dat betreft een pijnlijke les geweest. Nederland bleek namelijk niet in staat een gevechtseenheid van enig belang in te brengen.

Vooral de landmacht zag de dienstplichtigen met pijn in het hart vertrekken. De landmacht was immers verzekerd van een gestage instroom van relatief hoog opgeleid (zij het relatief eigenwijs) personeel. Bovendien symboliseerden dienstplichtigen de band tussen maatschappij en krijgsmacht. De laatste zette begin jaren negentig dan ook stevig de hoeven in het zand toen het einde van de dienstplicht steeds openlijker ter tafel kwam. De arbeidsmarkt beloofde weinig. En hoe zat het met het opleidingsniveau? Gingen we niet 'Britse toestanden' tegemoet?

Insiders wisten medio jaren negentig al dat vooral de landmacht inderdaad met een structureel personeelstekort kampte. Sommige eenheden zaten nauwelijks boven de helft van hun parate sterkte. Voor vredesmissies moesten overal militairen bijeen worden geraapt. Eenheden die naar Bosnië gingen, werden uit tien andere samengesteld. Om het huidige tekort van drieduizend militairen in perspectief te zetten: dat is bijna het totale aantal soldaten dat ons land per jaar op vredesoperaties uitzendt. Het is maar de vraag of drieduizend extra militairen het structurele tekort zullen oplossen.

Waarom slaagt met name de landmacht er maar niet in om aan de wervingsbehoeften te voldoen?

Ik denk dat er drie diepere oorzaken zijn. Om te beginnen heeft de krijgsmacht in Nederland eenvoudigweg niet de onomstreden positie die het tot een aantrekkelijke werkgever maakt. Veel kleinere landen kampen met ditzelfde verschijnsel. Ik betwijfel of de gemiddelde Nederlander echt anti-militair is. Maar bij grotere mogendheden staat het bestaansrecht van de krijgsmacht nu eenmaal veel minder ter discussie. In de Verenigde Staten of Groot-Brittannië is de krijgsmacht een machtsinstrument, een buitenlands-politiek wapen. Dat straalt af op de militair, 'proud to serve'.

Ten tweede gedoogt onze maatschappij niet de mate van discipline en ontbering die 'past' bij een beroepsleger. Ik denk niet dat de Nederlandse soldaat zélf zoveel moeite heeft met een stevige discipline, maar we zijn een maatschappij van regels en regelgeving. De overspannen reactie op licht-asbesthoudende grond in een Nederlands kampement in Kosovo deed heel wat buitenlandse wenkbrauwen fronsen. Middenin een oorlogsgebied werd een militaire operatie dagenlang stilgelegd voor een preventieve schoonmaakbeurt vanwege verwaarloosbare gezondheidsrisico's. Misschien ligt hier ook wel een belangrijke oorzaak van het feit dat Nederland nauwelijks gebruik maakt van reservisten-specialisten. Veel andere landen putten dankbaar uit dit reservoir, maar in ons land smoort de inzet van reservisten in papieren en morele bedenkingen.

Ten slotte is de nieuwe hoofdtaak van de krijgsmacht, die van vredesmissies, minder aantrekkelijk dan de traditionele hoofdopdracht: de verdediging van volk en vaderland. Bovendien is de krijgsmacht in essentie afgestemd op 'het produkt geweld': de grootschalige inzet van wapens en soldaten, met als doel het opleggen van de eigen wil aan een duidelijk herkenbare vijand.

De aspirant-militair kiest voor de krijgsmacht vanwege de hightech-uitstraling, om te manoeuvreren, misschien zelfs wel om voor volk en vaderland te sneven. Toegegeven, een uitzending tijdens een vredesoperatie is spannend. Maar niet zo spannend als het 'echte vechtwerk' en volgens sommige militairen zelfs een 'oneigenlijke opdracht'. En het ideaalbeeld van de soldier-humanitarian vindt nauwelijks invulling. Het gros der militairen heeft immers nauwelijks dieper contact met de lokale bevolking, bepaalde humanitaire hulpacties uitgezonderd. Het thuisfront zit bovendien niet te wachten op zes maanden afwezigheid van vriend of ega.

Een beter wervingsresultaat vergt erkenning van deze structurele oorzaken. En dat vergt een andere visie op onze krijgsmacht en het besef dat militairen riskante, soms 'smerige' opdrachten vervullen. Die Zwitsers zullen we wel niet binnenhalen, want die willen al lang niet meer buiten de nationale deur vechten. Als we nu eens die dienstplicht...

Meer over