Labour oud en nieuw

Iedereen weet intussen dat niet Labour, maar Nieuw Labour de Britse verkiezingen heeft gewonnen. Tony Blair, de nieuwe premier, heeft steeds alle nadruk gelegd op nieuw....

Wie nog eens wil lezen hoe het precies zat met het oude Labour, moet the People's Party - The History of the Labour Party (Thames and Hudson, import Nilsson & Lamm; ¿ 65,95) ter hand nemen. Uit dit rijk geïllustreerde boek blijkt niet alleen dat Labours weg terug naar de macht lang en moeizaam is geweest, maar ook dat nieuw een relatief begrip is. Want aanzetten tot vernieuwing zijn er verschillende keren geweest. Blairs verdienste is vooral dat Labour onder zijn leiding eensgezind de nieuwe politiek heeft omhelsd.

Labours klinkende overwinning is het resultaat van een lang proces waarin de partij zich ontdeed van dogmatische en organisatorische ballast uit het verleden en zich transformeerde tot een moderne sociaal-democratische partij. Begonnen is dit proces met Neil Kinnock, die in 1983 partijleider werd, nadat Labour met Michael Foot 'de ergste verkiezingsnederlaag sinds de oorlog' had geleden.

Die nederlaag, daar laat het boek van Tony Wright en Matt Carter weinig misverstand over bestaan, had de partij aan zichzelf te wijten. Labour was na 1979, toen Margaret Thatcher voor het eerst de verkiezingen won, hopeloos verdeeld geraakt. Wright en Carter schrijven over een 'interne chaos' en een 'openlijke burgeroorlog' in de partij.

Labour was de verkiezingen van 1983 ingegaan met een programma over eenzijdige nucleaire ontwapening, terugtrekking uit de Europese Gemeenschap en het renationaliseren van de door Thatcher geprivatiseerde industrieën. Het was 'het meest linkse programma dat de partij ooit had aangenomen'. Een hoge Labour-functionaris noemde het 'de langste zelfmoordbrief in de geschiedenis'.

Kinnock slaagde erin een ommekeer in het politieke denken van Labour te bewerkstelligen. Het nationaliseren van de zware industrie verdween naar de achtergrond en er werd meer nadruk gelegd op de 'deugden' van de markteconomie. Helemaal nieuw was dat niet. In The People's Party wordt beschreven hoe Tony Crosland al in 1956 een herziening van het programma had bepleit. Het gaat niet om het afschaffen van het kapitalisme, aldus Crosland, maar om gelijke kansen voor iedereen en goede sociale voorzieningen. Labour was echter toen nog niet toe aan een programma zoals dat eind jaren vijftig door de Duitse sociaal-democraten werd aangenomen.

Kinnock leed in 1992 ondanks alle vernieuwingen een bittere nederlaag tegen John Major. Hij trad af en zijn werk werd voorgezet door John Smith, die begon de invloed van de vakbonden op Labour terug te dringen. Die invloed was van oudsher groot, want de bonden hadden in 1900 een vooraanstaande rol gespeeld bij de oprichting van de partij.

Tot de verdiensten van Tony Blair, die in 1994 de overleden John Smith opvolgde, behoort dat hij erin slaagde 'Clause IV' in de statuten van Labour te herzien. Aan deze paragraaf over de nationalisatie van de productiemiddelen heeft Labour heel lang vastgehouden. Ook over deze vernieuwing was al eerder gesproken. Uit het boek blijkt dat Labour-leider Hugh Gaitskell al in 1960 'Clause IV' wilde herzien, maar de Britse vakbeweging wilde daar toen niets van weten. Harold Wilson, die in 1964 premier werd, vond destijds dat het veranderen van deze bepaling was als het 'verwijderen van Genesis uit de Bijbel'.

Jan Luijten

Meer over