Laat Sol LeWitt terugkeren in Den Haag

Het is jammer dat het Haagse Gemeentemuseum zijn faam op het gebied van actuele kunst niet heeft weten vast te houden, stelt Flip Bool....

FLIP BOOL

OP 30 oktober was Carel Blotkamp in de Volkskrant de eerste die de directie van het Haags Gemeentemuseum na de restauratie kapittelde over de verwijdering van wandschilderingen van Sol LeWitt, Günter Tuzina, Niele Toroni en Günther Förg. 'Omwille van Berlage is een klein, maar waardevol hoofdstuk in de geschiedenis van het Gemeentemuseum geschrapt', zo schreef hij.

Hierop ontspon zich een discussie waarin alle auteurs het over een ding eens waren: Het Haags Gemeentemuseum had deze wandschilderingen nooit mogen verwijderen zonder overleg met de betrokken kunstenaars.

In de tot nu toe gevoerde discussie is een aantal aspecten slechts zijdelings belicht. Het aanbrengen van de wandschilderingen in de vier trappenhuizen rond de binnentuin was destijds geen incident, maar vloeide voort uit ontwikkelingen in de kunst zelf, een visie op de gangbare museumpraktijk, ervaringen met het Berlage-gebouw en een expliciet geformuleerd beleid van de afdeling moderne kunst.

Musea concentreerden en concentreren zich over het algemeen op het presenteren en collectioneren van kunstwerken die in de eenzaamheid van het atelier zijn ontstaan. De kunstpraktijk van de late jaren zestig en jaren zeventig vroeg van het museum echter om een actiever opstelling en ruimte voor experimenten van heel andere aard.

In plaats van een 'neutrale' museumzaal voor de presentatie van bestaande werken, vroegen de kunstenaars om het scheppen van voorwaarden voor de productie zelf. De interesse van kunstenaars in het presenteren van kant-en-klare werken - dat wil zeggen een 'reproductieve museale praktijk' - verschoof naar een directe betrokkenheid van het museum bij de artistieke productie. Het museum moest niet langer slechts een representatieplek zijn, maar ook een werkplek of een laboratorium.

Deze ontwikkeling binnen de kunst vormde rond het 50-jarig bestaan van het Berlage-gebouw in 1985 de aanleiding om in en buiten dit gebouw een aantal werken van min of meer tijdelijke aard 'in situ' te realiseren.

Iedereen die het Haags Gemeentemuseum als laatste, wonderschone schepping van Berlage kent, weet dat bezoekers de trappenhuizen rond de binnentuin zelden gebruiken. In zekere zin was er dus sprake van 'restruimten' die zich bij uitstek leenden voor een artistieke dialoog met het gebouw. De keuze voor de betrokken kunstenaars werd mede ingegeven door hun internationaal bewezen en gerespecteerde omgang met architectonische ruimten zonder deze onomkeerbaar aan te tasten.

Een bewijs van het laatste is overtuigend geleverd: een paar potten muurverf en een -roller waren voldoende om hun werkstukken te verwijderen.

De tot nu toe gevoerde discussie in de Volkskrant spitste zich toe op de muurschildering van Sol LeWitt. Dat hangt ongetwijfeld samen met zijn gevestigde positie binnen de wereld van de moderne kunst. Wall Drawing # 373 werd na een eerste presentatie op de Documenta 7 (1982) een jaar later met de nodige aanpassingen in het Haags Gemeentemuseum uitgevoerd en laat zich in principe opnieuw uitvoeren. Op grond van een schetsontwerp en een certificaat is en blijft het museum eigenaar van dit als volgt omschreven conceptuele werkstuk, dat als volgt wordt omschreven: 'A wall is divided vertically into four equal parts, each with a different direction of three-inch (7.5 cm) wide alternating parallel bands of lines. The bands are drawn in India ink washes. Or as installed at the Haags Gemeentemuseum: Lines in four directions (equal spacing on an unequal wall). The space between the lines is 10 cm, as are the lines.'

De verbreding van de banen naar 10 cm ten opzichte van de eerder in Kassel uitgevoerde versie werd ingegeven door de tegelbreedte in het Berlage-gebouw en ook andere wijzigingen hielden direct verband met de specifieke situatie ter plaatse.

Wat de wandschilderingen van Tuzina, Toroni en Förg betreft ligt de zaak iets gecompliceerder. Tuzina en Toroni realiseerden de wandschilderingen eigenhandig en hun persoonlijk handschrift was bepalend voor de uitvoering. Förg besliste in 1988 ter plaatse over de gebruikte kleuren en wandindeling.

In tegenstelling tot het werk van Sol LeWitt is de persoonlijke aanwezigheid van deze drie kunstenaars dus essentieel om hun werk eventueel te reconstrueren. Dat is theoretisch mogelijk, maar het museum moet dan wel haast maken en de bereidheid daartoe lijkt niet echt aanwezig.

Door de inspanningen van Enno Develing verwierf het Haags Gemeentemuseum op het gebied van de actuele kunst een zekere faam door de Minimal Art tentoonstelling (1968) en de solo-tentoonstellingen van Carl André (1969) en Sol LeWitt (1970). Gezien de unieke Mondriaan-collectie leende juist dit museum zich bij uitstek voor het tonen en verzamelen van recente ontwikkelingen in de abstracte kunst.

De toenmalige directeur Louis Wijsenbeek en zijn hoofdconservator Hans Locher zagen deze tentoonstellingsactiviteiten van Develing echter niet zitten. Het uitblijven van geplande vervolgtentoonstellingen - zoals van Robert Smithson - deed Develing het museum voor lange tijd verlaten en in de collectie bleef geen spoor achter van het werk van de betrokken kunstenaars. Eens te meer spijtig omdat de prijzen van hun werk toen minimaal waren.

Deze geschiedenis kennende, stelde ik als nieuwe hoofdconservator moderne kunst in 1982 voor om de draad weer op te vatten en de collectie abstracte kunst internationaal te versterken. Een van de eerste aankopen betrof een werkstuk dat Carl André voor zijn tentoonstelling in 1969 maakte van restjes betonijzer die hij vond op de bouw van het affreuze Hotel Bel Air, schuin achter het museum. Dit historische werkstuk lag weg te roesten in de tuin van Enno Develing. Andere aankopen van minimal of concept kunstenaars volgden en de wandschilderingen hielden hier direct verband mee.

Tenslotte het volgende. De overgekalkte wandschildering van Tuzina werd destijds gefinancierd door de Vereniging van Vrienden van het Haags Gemeentemuseum. Dezelfde vereniging heeft nu op de zogenaamde erezaal van het Berlage-gebouw een computergestuurde lichtprojectie van Peter Struycken gefinancierd, precies op de plek waar Eric Orr in 1985 een - inmiddels verwijderde - 'Light Space' realiseerde in een van de tot dan toe onzichtbare vides die het daglicht via de eerste verdieping doorlaat naar de begane grond.

Dit terwijl Struycken net een proces heeft gevoerd tegen het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) over de tijdelijke aantasting van zijn lichtsculptuur aldaar. Over de verwijdering van LeWitts wandschildering uit het Haags Gemeentemuseum tekende de Volkskrant op 18 november uit zijn mond op: 'Het NAi misvormde mijn beeld door er schilderingen in te plaatsen. Verder is de levensduur van gebouwen en toegepaste kunst onherroepelijk relatief. Alleen wat zeer de moeite waard is, wordt beschermd.'

Van je collegae moet je het als kunsthistoricus en kunstenaar maar hebben.

Flip Bool is voormalig hoofdconservator moderne kunst van het Haags Gemeentemuseum.

Meer over