Laat rijke kunstliefhebbers meer betalen

Kunstsubsidies bevorderen de creativiteit vaak niet. Maar ook sponsoring door het bedrijsleven heeft nadelen. De oplossing ligt bij rijke individuen die de kunst een warm hart toedragen, betoogt Arjo Klamer....

Het oordeel van buitenlandse tentoonstellingsmakers was vernietigend:

'Het aura, het sappige, de energie, de fantasie in Nederland zijn verdwenen,' liet de Zwitser Harold Szeeman optekenen in deze krant (donderdag 26 augustus).

Mikpunt van kritiek zijn de grote kunstmusea van Nederland. Na ooit voorlopers te zijn geweest in de moderne kunst, zouden ze er nu weinig meer van bakken. Als verklaring wordt het subsidieklimaat gegeven: de tentoonstellingsmakers hier zouden te gemakzuchtig zijn geworden en zich te veel richten op wat de overheid van hen wil. Ondertussen ageert de Nederlandse kunstwereld tegen de aankomende bezuinigingen op de kunstsubsidies (die nu nog ingrijpender blijken te zijn dan steeds werd beweerd). Ten onrechte dus? De buitenlandse kritiek legt de vinger op een gevoelige plek. De afhankelijkheid van staatssteun zou de kwaliteit van de kunstmusea er niet beter op maken en eerder verslechteren. Van verrassingen en spannende experimenten is geen sprake meer. Dat is pijnlijk, want de bedoeling van al die staatssteun was juist om ruimte te cren voor gedurfde kunst. De analyse gaat verder want onze staatsmusea wordt verweten te marktgericht te werken, te veel rekening te houden met de vraag van het grote publiek en te weinig met de ontwikkelingen in de kunstwereld. Dat is gek want de bedoeling was juist dat met de staatssteun musea zich kunnen onttrekken aan de wetten van de markt. Iets klopt dus niet. Helemaal consequent is de analyse van de buitenlanders niet, want hun Nederlandse helden van weleer, zoals Willem Sandberg en Wim Beeren, opereerden net zo goed met subsidies van de staat. En hun kritiek blijft beperkt tot de kunstmusea. Nu wijst onderzoek, dat onder meer aan mijn faculteit Algemene Cultuurwetenschappen aan de Erasmus universiteit verricht wordt, uit dat bijvoorbeeld beeldende kunstenaars met subsidies op zak zich minder laten gelden. Die subsidies hebben klaarblijkelijk niet altijd het bedoelde effect. Kritiek komt inmiddels ook uit onverwachte hoek. Maarten Asscher was tot voor kort topambtenaar voor de staatssecretaris van Cultuur. Vorige week schreef hij in Vrij Nederland een kritisch stuk over de zelfgenoegzaamheid van de (zwaar) gesubsidieerde kunstsector en de afhankelijkheidspositie van vele kunstinstellingen. Een paar procent minder subsidie van de overheid en ze komen in grote financi problemen. Hij ziet het huidige subsidiebeleid graag op de helling staan. Die subsidies lijken zo gemakkelijk. Ekeer per vier jaar dien je je voorstellen in en vervolgens kan je als kunstenaar of kunstinstelling doen wat je wilt.

De werkelijkheid is anders. Om die voorstellen gehonoreerd te krijgen zal je je administratie keurig op orde dienen te houden, want je wordt voortdurend gecontroleerd. Ook zal je je dienen te onderwerpen aan de beoordeling van de Raad van Cultuur. Erg consistent is die beoordeling nooit en wie weet hangt veel af van wie kent wie. En dan krijg je te maken met de politieke grillen van een nieuwe staatssecretaris die bijvoorbeeld besluit dat je meer aan educatie moet doen, of bij moet dragen aan het minderhedenbeleid, dat je publieksgerichter dient te werken of dat er gewoon minder geld is. Iedere vier jaar weer wringen die zogeheten onafhankelijke kunstenaars zich in de gekste bochten om de Raad van Cultuur te behagen en overheidsambtenaren te paaien. Overheidsgeld heeft een prijs. Er zijn alternatieven. De meest problematische is het alternatief waar de gehele kunstwereld zich nu op stort. Iedereen probeert bedrijven zo gek te krijgen om hun kunsten te sponsoren. Sponsorgeld lijkt gemakkelijk maar heeft ook een prijs. Serieuze kunstinstellingen kijken bijvoorbeeld wel uit om met commerci instellinwant gen gentificeerd te worden,

dan worden ze helemaal snel afgestraft in de internationale kunstwereld. En zo betrouwbaar is het bedrijfsleven ook weer niet. Gaat het even wat minder dan is de kunstsponsoring de eerste post waarop bezuinigd wordt. Het beste alternatief ligt voor de hand maar lijkt momenteel in dit land onrealistisch. De beste oplossing voor alle problemen is dat al diegenen die kunst een warm hart toedragen, daar wat voor over hebben. Het komt goed uit dat velen van hen vermogend zijn. Ook Asscher wijst op deze oplossing en pleit voor het eerherstel van het kunstmecenaat. Laat de overheid zich langzaam maar zeker terugtrekken uit de kunstsector, en geef het stokje over aan individuen -en dus niet bedrijven. Stimuleer de vrijgevigheid eventueel met een ruimere fiscale aftrek dan nu geldt. Organiseer allerlei fondsen waar mensen hun geld aan kunnen geven, waaronder fondsen voor experimentele kunst. Het gevolg is dat de kunstsector meer haar best moet doen om de echte liefhebbers te overtuigen dat wat zij doen een offer waard is. Reken maar dat dat de kunstsector zal activeren en tot grote creativiteit zal bewegen. Voor het zover is, zal er wel een stevige mentaliteitsverandering nodig zijn. Het zal er bijvoorbeeld om gaan dat vermogende Nederlanders weer hun verantwoordelijkheid nemen en hun rijkdom inzetten voor wat werkelijk waardevol is, kunst bijvoorbeeld. Want hoe je het ook wendt of keert, de kunsten verdienen onze steun. Daarin heeft de kunstlobby volledig gelijk.

Meer over