Kwetterend trio ontkleedt herder, Amor grijpt in

L'arbore di Diana, door de Nationale Reisopera en het Esterhazy Ensemble. Enschede, Twentse Schouwburg. Tournee...

ROLAND DE BEER

Bariton Jagerspak zocht contact met sopraan Mooi Mens, terwijl tenor Ochtendjas een oogje scheen te hebben op sopraan Lang Mens. Later bleken Lang Mens, Mooi Mens en een Japans Mens (mezzosopraan) het alle drie aan te leggen met bariton Schapevacht, en liet Jagerspak zich boos veranderen in een Man met Zilveren Masker.

'Damestrio ontkleedt kwetterend herder', bracht het notitieblokje uw recensent na afloop in herinnering (akte 2, scène 12). 'Amor grijpt in', stond daar achter, enigszins opgelucht. 'Diana op. Hand in hand met Ochtendjas. Droevig-lyrische aria (als van de Gravin in Mozarts Figaro). Gravin exit.'

Wie is wie, en waar is men zoal mee bezig? Ziedaar het probleem van L'arbore di Diana, van Vicente Martín y Soler, gespeeld door de Nationale Reisopera.

De vraag dringt zich op, niet omdat de Ochtendjas uit de mottenballen zou komen (de uitdossingen, ontworpen door Jorge Jara, zijn juwelen van kostuumkunst). Evenmin omdat deze nagenoeg vergeten opera zijn Nederlandse première beleeft zonder boventiteling (het zou hebben geholpen, maar librettolezen kon het publiek al in 1787).

De tenor - Jörg Dürmüller - klinkt niet baritonaal, de baritons niet tenoresk (de Reisopera, dol op jonge vocalisten, heeft een mooie cast samengesteld). De muzikale leiding (van Arnold Östman, dirigent van het Zweedse Drottningholm-theater), ontbreekt het niet aan visie. Laat staan dat het de regie zou ontbreken aan fantasie (Ernst-Theo Richter schudt de ene spitsvondigheid na de andere uit de mouw). Het probleem zit 'm, helaas, in L'arbore di Diana, een opera die in 1787 met groot succes in première ging; in onbruik raakte - en niet lang geleden in Drottningholm weer tot leven werd gewekt.

Het is een komedie waarin de ongebonden liefde zegeviert over de kuisheid, over Diana. Een vrolijke allegorie, met een symboliek die de Weense intelligentia destijds moet hebben ervaren, aangestoken door lichtverteerbare lyriek en charmant georkestreerde accompagnementen, als een demonstratie van vrijheidszin - maar waarvan de verkwikking nauwelijks meer valt na te voelen. De karakters hebben er te weinig karakter voor. Hun acties impliceren weinig individualiteit.

De tekst - van Da Ponte, die eerder en even later de libretti schreef voor Mozarts Figaro, Don Giovanni en Così - is toegesneden op egaal voortstromende recitatieven en rudimentaire ensemblevormen, met de aria als vertrouwd rustpunt.

Het stuk heeft de charme van een antiquiteit. De Reisopera poetst het vaardig op, en houdt zich ver van overdrijvingen. Al zag men de mezzo ook een on-achttiende eeuwse poging doen een sopraan te bekoren, en stopte Amor (Machteld Baumans) even twee verbaasde heren onder een laken.

Ernst-Theo Richter, die in Brussel en Salzburg Papageno zong in de befaamde Zauberflöte-enscenering van Karl-Ernst Herrmann, zoekt het, in de lijn-Herrmann, in accentueringen - zoals de acupunctuurbehandeling die de herder (Marcel Boone) ondergaat als Amor hem in zijn/haar intrige betrekt. Het toneelbeeld van Tobias Dinslage, herinnert aan Herrmanns gesloten Mozart-werelden (en aan de schaakbordvloer van een Jörgen Rose).

Machteld Baumans trippelt rond in een petticoat van rozeblaadjes, de schoot beurtelings behangen met een gouden pikje en een hartvormige tas, geeft rose brillen weg, klimt uit een zwaaiende touwladder, zingt nonono door een toeter, laat letters branden en ontpopt zich als rasecht komedietalent. Karen Sourry (Diana), die de taak heeft te veranderen van een ijsblok in een naar liefde hongerende - in een ondankbare scène bij het aanschouwen van een slapende tenor - valt vooral op in de eerste akte, in een woedende seria-aria vol hoge ha-ha-ha-ha-ha-ha's. Als van Mozarts Königin der Nacht, maar dan van een paar jaar eerder. Toch mooi meegenomen.

Roland de Beer

Meer over