Kwetsbaar heelal van verval

Zwaargewicht Schütte toont in gespierde beelden een huiveringwekkend portret van macht. En in naïeve tekeningen het broze leven erachter.

Thomas Schütte: Faces & Figures

Serpentine Gallery, Londen, t/m 18/11, serpentinegallery.org

'Ja hoor. Zo kan ik het ook.' Veel bezoekers zullen het denken, als ze de galerie in het Londense park Kensington Gardens binnengaan. Zo kinderlijk eenvoudig zijn de tekeningen en aquarellen die daar aan de muur hangen - in een enkel bibberig lijntje of in brave schoolse lijnen getekend en ingekleurd - dat je je ogen bijna niet kunt geloven. Met deze tekeningen zou de maker niet eens de voorronde halen van het televisieprogramma De Nieuwe Rembrandt, waarin werd gezocht naar onbekend, jeugdig kunsttalent.

Maar in dit geval is de maker wel bekend, wat heet, wereldberoemd. De tekeningen zijn namelijk afkomstig van de Duitse zwaargewicht, tevens multitalent, Thomas Schütte (1954), beeldhouwer, installatiebouwer, fotograaf en tekenaar, in de jaren zeventig opgeleid als schilder. De galerie is de Serpentine Gallery, wat prestige betreft het kleine zusje van Tate Modern, met goeroe Hans Ulrich Obrist als adjunct-directeur aan het roer.

In de Serpentine Gallery houdt men graag de vinger aan de pols van de tijd. In dit geval door het uitwaaierende oeuvre van Schütte, onder meer bekend van zijn utopische architectuurmodellen en van zijn schimmige, aluminium Grosse Geister, in te kaderen in een klassiek genre: dat van het portret.

Dat blijkt een gouden greep. Al is het maar doordat die tekeningetjes - zelfportretten en portretten van geliefden - nu oog in oog hangen met monsterachtige koppen en larger than life beelden van stoere, sterke mannen. Verdampt is de gedachte dat ze eventueel, mogelijk samenhangen met een gebrek aan tekentalent.

Dat de Serpentine Gallery het portret, oftewel Faces & Figures, als leidraad neemt voor dit jongste overzicht van Schütte, is in zekere zin een antwoord op een in Groot-Brittannië bekend essay van de Britse criticus en schrijver John Berger. Hierin verklaart hij het geschilderde portret dood, uitgerangeerd, ingehaald door de fotografie en door ongrijpbaar complexe, mondiale machtsverhoudingen. Want met een echt interessant portret bedoelt Berger dat van grote mannen en in mindere mate grote vrouwen uit de geschiedenis met aanzien en macht, en uiteindelijk van de macht zelf, zoals blijkt uit het in de tentoonstellingscatalogus herdrukte epistel uit de jaren zestig.

Faces & Figures bewijst het tegendeel. Schütte is weliswaar geen schilder van olieverf en kwast, maar in zijn oeuvre 'schildert' hij met aluminium, brons en staal een huiveringwekkend portret van macht. Dat blijkt uit de drie beeldengroepen, die voor de gelegenheid in en om de Serpentine Gallery staan opgesteld. Anders dan de Grosse Geister, grote aluminium geestverschijningen die nog gezien kunnen worden als een algehele kreet van radeloosheid, zijn de bronzen Wichte (2006), de Innocenti die als een halo rond het immense beeld van Vater Staat (2010) hangen en de kolossale UnitedEnemies (2011) voor de deur onmiskenbaar personificaties van gezag.

De gigantische mannen uit United Enemies, tot elkaar veroordeeld middels een zakkerig lijf verwijzen zelfs rechtstreeks naar een politieke gebeurtenis. Zij symboliseren de schok die Schütte tijdens zijn verblijf in Italië in 1992 ondervond, toen prominente staatsfiguren de flinterdunne grens van goed en fout aan hun laars hadden gelapt en de gevangenis in gingen.

Naast de ontzagwekkende proporties van de beelden, zijn vooral de koppen van Wichte en Innocenti angstaanjagend. Schüttes monsters wil je niet in het donker tegenkomen, schreef een recensent van de Britse krant The Guardian. Die monsterachtige oude-mannentronies zijn ontdaan van tanden, van haar, ze hebben geen armen en geen insignes. Ze zijn gedeukt, verfomfaaid, gerimpeld en verzakt onder invloed van de zwaartekracht. Maar dat ze machthebbers zijn, gewend om verantwoordelijkheid te dragen en niet gewend aan tegenspraak, is in een oogopslag duidelijk. Dat blijkt uit hun krachtige aardappelkop, uit hun forse voorhoofd, hun zware wenkbrauwen, stevige kaken en trotse kin.

Door niet één kop te maken, maar hele series tegelijk, toont Schütte dat de macht zich voortdurend vermomt, steeds opnieuw opduikt met een ander afschrikwekkend gelaat.

Hoe somber en zwaar Schüttes beelden zijn, in kleur, vorm en de keuze voor massief ogend brons, springt extra in het oog in vergelijking met de sculpturen van een andere beeldhouwer, even verderop in Londen. Daar, op Exhibition Road, buitelen de lichtvoetige beelden van zijn Britse leeftijdgenoot Tony Cragg (1949) de lucht in (t/m 25 november). Vol optimisme geeft Cragg zich over aan een experiment van technisch vernuftige stapelingen, met geometrische en organische vormen, 'rational beings', verstoken van verdere betekenis.

Ook Schütte zoekt de lichtheid, zegt hij in een van zijn interviews, maar als Duitser is hij zich voortdurend bewust van en draagt hij de last van de geschiedenis. De generatie voor Schütte - Kiefer, zijn leermeester Gerhard Richter - maakten die beladen geschiedenis al onderwerp van hun kunst. Anselm Kiefer door onder meer Hitlers vergaderzaal te schilderen in modderig kleurpalet. Richter door de dode leden van de Rote Armee Fraktion af te beelden, die op hun beurt afrekenden met een aantal kwade genieën uit de Tweede Wereldoorlog, omdat die in het naoorlogse Duitsland nog altijd machtsposities bekleedden. Maar aan het bijbehorende, complexe debat over goed en kwaad waagde Richter zich niet. Hij verschool zich achter schilderkunstige principes.

Schütte neemt wel stelling. Hij beperkt zich niet tot een enkele, tijd- en plaatsgebonden gebeurtenis. Hij neemt het hele begrip macht onder handen, toont het van alle kanten, geeft de abstractie een herkenbaar, monsterlijk gezicht.

Maar hij maakt van de murmelende Wichte ook stripfiguren, gekneed in vliegende vaart, in maximaal een uur, om hun expressiviteit en dynamiek te bewaren. De United Enemies torenen superieur boven de bezoeker uit, maar ze zijn ook vormeloos, hulpeloos, gevangen in hun verstrengelde lijf. Datzelfde geldt voor de kolossale en elegante, maar zonder armen en benen ook gehandicapte en wat sneue Vater Staat.

Die humor en dat mededogen maken de macht behalve grimmig ook menselijk, verwarrend, fascinerend en verraderlijk.

Zo anders zijn de tekeningen en aquarellen - per drietal geordend en verspreid over de ruimten, of, als in de Mirror Drawings (1998-1999), met dertig tegelijk aan de muur gehangen - dat het moeilijk voorstelbaar is dat ze voortkomen uit dezelfde hand en hetzelfde hoofd. Eenvoudiger, alledaagser en onschuldiger kan bijna niet. Knullige, minuscule portretten van zijn geliefde Luise, van de onbekende Henri en Carla, van kinderen, kleinkinderen en vrienden, aanvankelijk in enkele, schoolse lijnen opgezet, later in een enkele kleurveeg zonder lijntjes, maar steeds vlak, schools, uitdrukkingsloos.

Het lijkt een voyeuristische blik op de kunstenaar en zijn familie, waarbij de Mirror Drawings, een serie zelfportretten opdoemend uit een ronde spiegel, op zijn best zicht bieden op het verstrijken van tijd en schoonheid en op zijn slechtst op een gebrek aan inspiratie.

Schütte windt er geen doekjes om dat hij het moeilijk heeft. Hij is een aantal jaar geleden in een zwart gat terechtgekomen, vertelt hij openhartig in een interview in Zoo Magazine #27. Hij heeft nauwelijks ideeën.

Dat is ook wat de tekeningen een aantal keer laten zien. Het monument voor een gevallen muze, alledaagse droedels onder de titel deprinotes, de Mirror Drawings, waarin de blik van de kunstenaar langzaam overgaat van nieuwsgierig in wanhopig. Tot overmaat van ramp duikt ingeklemd tussen twee summiere zelfportretten een tekening van Hitler op, een soort badeend (Adolf the Rubber Duck, 2007), in een enkele grijze kleurveeg op papier gezet, voorzien van de bekende snor. Kindervermaak.

Maar die knullige, onschuldige tekeningen gaan wel in je hoofd zitten. Zo kwetsbaar, teer en naakt is dit hoogstpersoonlijke universum, waarmee de kunstenaar zichzelf in de publieke arena durft te werpen, dat het de lucht doet trillen en de afstand tussen bezoeker en beelden overbrugt. Kijk, dit is het gewone leven, roepen de tekeningen. Kijk, kwade of goede genius, kijk meneer Rutte of meneer Samsom, dit is het broze, onschuldige, alledaagse leven, waarover de macht, u dus, wikt en beschikt. Ga daar voorzichtig mee om.

En ook: hier ben ik, in al mijn kwetsbaarheid en twijfel. Hier zijn mijn kinderen en mijn kleinkinderen. Ik loop niet weg voor de geschiedenis, niet voor het heden en de toekomst.

Nee, Schütte mag lijden aan depressies en van hun voetstuk gevallen muzen; hij is nog lang niet uitgesproken.

Grosse Geister

De Duitse kunstenaar Thomas Schütte (1954) is misschien wel het bekendst door zijn Grosse Geister. De enorme aluminium verschijningen houden het midden tussen Michelinmannetjes en 3d-versies van De Schreeuw van Munch. Museum De Pont in Tilburg heeft drie grote en een aantal kleine geesten in zijn collectie.

undefined

Meer over