Kwaliteit, daar kan niemand tegen zijn

De publieke omroep moet worden beoordeeld op kwaliteit en niet langer op ledentallen, vindt staatssecretaris Sander Dekker. Maar wat is kwaliteit precies? En wie beoordeelt het?

Zo heel origineel was het pleidooi van mediastaatssecretaris Sander Dekker (VVD) om de publieke omroep voortaan te beoordelen op kwaliteit in plaats van op ledenaantallen nu ook weer niet. Het is eerder gedaan; en meestal ging, net als nu, achter die oproep een keiharde bezuinigingsopdracht schuil.

Bijna tien jaar geleden wilde toenmalig mediastaatssecretatis Medy van der Laan (D66) de publieke omroep via 'prestatiecontracten' dwingen meer aan kunst en cultuur te doen - en o ja, de omroep moest 80 miljoen euro inleveren.

Bijna tien jaar dáárvoor bracht een brief van toenmalig mediastaatssecretaris Aad Nuis (D66) ook grote commotie in Hilversum. Nuis had een samenwerkingsplan bedacht dat moest uitmonden in een staatsomroep. Hij wilde de omroepverenigingen loskoppelen van hun achterban. Dat was financieel ook handig, want er kwamen zware tijden aan.

Een pleidooi voor kwaliteit gaat er altijd prima in. Kwaliteit, daar kan niemand tegen zijn. Alleen: wat is kwaliteit precies? Wie gaat het meten? En eigenlijk gaat aan die vragen een veel belangrijker vraag vooraf: wat willen we precies van onze publieke omroep?

Over dat laatste wordt druk nagedacht, onder anderen door Henk Hagoort en Shula Rijxman van de raad van bestuur. De huidige, officiële missie is kort: 'De publieke omroep is van en voor iedereen. De publieke omroep bindt de samenleving met programma's die informeren, inspireren en amuseren.'

'Ik vind dat een publieke omroep op een aantal terreinen moet willen excelleren', zegt mediadirecteur Carel Kuyl van de NTR. 'Het eerste terrein is de journalistiek en in het verlengde daarvan de onderzoeksjournalistiek: dat zijn hoofdtaken voor de publieke omroep. Het tweede is cultuur. Verder moet de publieke omroep zich inspannen om kinderprogramma's te maken die vrij zijn van commerciële invloeden. Het vierde terrein is dat van kwaliteitsdrama en documentaires, genres die zonder publieke omroep een kwijnend bestaan zullen leiden. Vervolgens heb je wetenschap en educatie; en tot slot de dingen van nationaal belang, zoals Koninginnedag en Prinsjesdag.'

Alles bij elkaar een prachtpakket, vindt Kuyl: 'Als je dit uitvoert, heb je nog steeds een stevige positie en een stevig marktaandeel. De publieke omroep moet zich niet naar de marge willen laten drukken.'

Afgelopen zondag, één dag voor het mediadebat in de Tweede Kamer over de toekomst van de publieke omroep, was Sander Dekker te gast in het ochtendprogramma van Eva Jinek (WNL). De staatssecretaris mijmerde er wat voor zich uit. 'Ik vind: de publieke omroep is van ons allemaal. Drie miljoen mensen zijn lid van een omroepvereniging, maar er zijn 17 miljoen Nederlanders. De vraag is of Hilversum een optelsom moet zijn van ledenaantallen of een optelsom van de beste ideeën.' Eva Jinek zei dat ze dacht dat Dekker wel een voorstander zou zijn van dat laatste. Dat was ook zo. 'We moeten de discussie aangaan over de vraag wat behouden moet blijven.'

Die discussie was inmiddels allang losgebarsten: bij Pauw & Witteman, in de kranten en natuurlijk op Twitter. Een veelgehoorde uitspraak was dat de publieke omroep moet doen wat de commerciële zenders laten liggen.

'Dat vind ik een ontzettend stomme opmerking', zegt Ad van Liempt, oud-hoofdredacteur van Nova en Andere Tijden. 'De NOS heeft zich in het begin van het bestaan van de televisie jarenlang in de ellendige positie bevonden dat ze 'aanvullende taken' moest verrichten. De NOS moest datgene doen wat de omroepen lieten liggen. Het werd een ramp. Op het moment dat je een organisatie afhankelijk maakt van het beleid van een ander, kun je haar net zo goed opheffen.'

Volgens Van Liempt heeft een publieke omroep altijd de keuze uit twee stromingen. 'Optie 1 is: je doet alles en je concurreert vrolijk mee met de rest. Dat is zoals we het nu doen. Optie 2: we formuleren voor onszelf een aantal taken waarvan we vinden dat die sowieso moeten gebeuren en waarvan we vrezen dat ze anders niet gebeuren. Maar die optie brengt het grote risico met zich mee dat je jezelf marginaliseert. Dat je op den duur nauwelijks publiek meer trekt; dat je relevantie terugloopt; en dat je jezelf uiteindelijk overbodig hebt gemaakt, omdat er niemand meer naar je kijkt. Dat is de doodlopende steeg waarin je terecht komt als je luistert naar mensen die zeggen dat de publieke omroep alleen nieuws en cultuur moet brengen.'

Kwaliteit en hoge kijkcijfers verhouden zich prima tot elkaar, vindt Van Liempt: 'Kijk naar afgelopen dinsdag, toen de NRT op Nederland 2 met De Gouden Eeuw begon: 900 duizend kijkers. En als de EO de NRT op datzelfde tijdstip niet had beconcurreerd met die vogels (Earthflight) op Nederland 1 , waren het er nog veel meer geweest. Die vogels trokken 1,7 miljoen kijkers!'

Van Liempt betreurt het dat de nieuwe staatssecretaris niet met wezenlijke veranderingen komt. 'Ik had het goed gevonden als eindelijk was gekozen voor een model waarin de omroepen zouden voortbestaan als productiehuizen, waarbij elke omroep zich zou specialiseren op een bepaald thema: drama, nieuws, cultuur. Dat maakt die kwaliteitscontrole ook veel gemakkelijker te organiseren. Elke afdeling heeft dan zijn eigen chef, net als bij de kranten. Met een hoofdredacteur als eindverantwoordelijke.'

Aan 'de werkvloer' zal het niet liggen. Het experiment met Studio Sportzomer op Radio 1, in juli en augustus, toonde aan dat journalisten van verschillende omroepen uitstekend kunnen samenwerken; het plezier spatte ervan af.

Wat is kwaliteit? Volgens Joop Daalmeijer, voorzitter van de Raad voor Cultuur die komend jaar met een visie op de publieke omroep komt, kan niemand daar een sluitende definitie van geven. 'Dus ik ook niet. Je moet eerst weten: voor wie maak je een programma? Een programma voor mensen die alleen in hoge kunst geinteresseerd zijn, moet aan andere eisen voldoen dan een programma voor een breed publiek. En verder komt er ook gevoel bij kijken, en zaken als opleiding en ervaring. Kwaliteit is een kwestie van vakmanschap.'

De vraag wie die kwaliteit moet beoordelen is simpel, zegt Daalmeijer: chefs, eindredacteuren, hoofdredacteuren. In kijkerspanels, zoals staatssecretaris Dekker afgelopen week opperde, ziet hij niks. 'Welnee. Waarom zou je kwaliteit bij radio, televisie en internet op andere manieren beoordelen dan dat je dat bij kranten en weekbladen doet? Zo heel ingewikkeld is het allemaal niet.'

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal,

De publieke omroep zal de komende jaren met minder geld programma's moeten maken. Dat moeten dan (nog meer dan nu) de beste programma's zijn, met een publiek karakter en gericht op alle kijkers en luisteraars. Dat vereist keuzes maken en prioriteiten stellen vanuit een totaalvisie op het aanbod van de publieke omroep. Daar past geen budgetverdeling meer bij die grotendeels gebaseerd is op missies van individuele omroepverenigingen en hun omvang. Daar past wel een budgetverdeling bij die uitgaat van een evenwichtig totaalaanbod. Omroepen die voorstellen doen die daaraan bijdragen, kunnen zo relatief meer budget verkrijgen. Ik ben voornemens een budgetsystematiek uit te werken, die hieraan tegemoet komt.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Sander Dekker

undefined

Meer over