Kwaliteit bepaalt succes in Nederlands dansparadijs

ER IS in de afgelopen weken in de Volkskrant niet alleen gerecenseerd over dans; deze recensies hebben ook tot reacties van derden geleid en dat mag gerust een unicum heten....

Rudi van Dantzig reageerde in de Volkskrant van 23 juni op een recensie die volgens hem, om een eufemisme te gebruiken, enige nuancering behoefde. 'Maar misschien moet je om dat te realiseren vakman zijn?' schreef Van Dantzig.

Ik vrees dat hij gelijk heeft, maar het is de vraag of dat de recensent kan worden aangewreven. De recensent is geen danser, ook niet geweest, en dan is het een vrijwel onmogelijke opgave om iets zinnigs over dans te schrijven.

Componist Andries de Marez Oyens leverde een eigenaardige bijdrage aan de discussie in Forum van 4 juli. Hierin illustreert de auteur heel aardig dat de onkunde bij hem en vele anderen die van onze recensenten ruimschoots overstijgt.

'Dat Het Zwanenmeer en The Sleeping Beauty volle zalen trekken zal geen verbazing wekken', begint hij. Hoezo? Juist deze balletten hebben garant gestaan voor een reeks debâcles omdat het publiek er niets van moest hebben.

Het Zwanenmeer beleefde zijn première eigenlijk in 1877 (choreografie Julius Reisinger) in Moskou, maar dit ballet faalde jammerlijk. Een tweede versie in 1880 door de Belgische choreograaf Joseph Hansen, wederom in Moskou, werd eveneens een fiasco. Een derde versie ontstond in 1894. Pas in 1895 werd het ballet gepresenteerd in een versie die wel succesvol was en die aan de basis ligt van de choreografieën zoals wij die nu kennen.

Omdat er indertijd nog geen video bestond, zijn deze balletten door overlevering tot ons gekomen. Daarom zijn wereldwijd ook soms sterk uiteenlopende choreografieën te zien. Sommige daarvan zijn enorm succesvol, zoals de versie die Het Nationale Ballet op zijn repertoire heeft staan. Andere zijn minder geslaagd.

Als één van de zogenaamde succesfactoren van de klassiekers noemt de schrijver 'het verlangen inlossend te kunnen vliegen'. Er bestaan boekenplanken lezenswaardig materiaal omtrent de symboliek in zowel Het Zwanenmeer als de andere grote klassieken. Maar ja, misschien is het wel beangstigend te weten dat achter deze ontroerende verhalen inderdaad een boodschap schuilgaat. En noch in The Sleeping Beauty, noch in De Notenkraker - de twee andere klassiekers die de schrijver aanhaalt - wordt gevlogen.

'Ik kan mij voorstellen dat de gemiddelde bezoeker van De Notenkraker niet onmiddellijk is gecharmeerd van een moderne dansvoorstelling in bijvoorbeeld De Danswerkplaats.' Dat zou inderdaad wel eens heel goed kunnen. Dat wisten we ook al eeuwen, want smaken verschillen.

De Marez Oyens doet het echter voorkomen alsof 'moderne dans' een hogere kunstvorm zou zijn waar men pas langzaam naar toe groeit. Ik zie dat anders.

'Moderne dans' (op zich al een verouderde term) beweegt zich vaak op het vlak van het experiment, het zoeken naar nieuw bewegingsvocabulaire, en dat kan inderdaad een rauwere dans zijn. Maar dat hoeft niet. Er zijn legio voorbeelden van moderne choreografen die bijzonder etherische dansen hebben gemaakt. Of waarin bovenmatig 'inlossend wordt gevlogen'.

Moderne dans en klassiek ballet zijn twee kunstvormen met een eigen, gedeeltelijk overlappend, publiek. So what? Moet iemand die van Rembrandt houdt persé ook van Appel houden?

De Marez Oyens overschat voorts de invloed van recensenten bij ons schromelijk. Het is heel on-Nederlands zich iets van de schrijvende pers aan te trekken. Dat is anders in een land als Amerika. Omdat de prijs van de voorstellingen daar zoveel hoger ligt, is de macht van de recensenten beduidend groter; als zij een programma afkraken betekent dat inderdaad vaak 'einde oefening' voor een voorstelling.

Tenslotte de prijs die men voor een dansvoorstelling betaalt. Zelfs de zestig gulden die men soms voor een voorstelling in het Muziektheater betaald is een fooi, in relatie tot de werkelijke kosten per voorstelling. Moderne dans moet volgens De Marez Oyens nog meer worden gesubsidieerd, zodat door lagere toegangsprijzen er meer publiek komt.

Ten eerste is de subsidie voor met name moderne dans, in vergelijking met bijvoorbeeld België exorbitant hoog. We leven hier, financieel gesproken, in een dansparadijs dat zijn gelijke in de wereld nauwelijks kent.

Ten tweede zal een prijsverlaging geen grotere publiekstoestroom ten gevolge hebben. Die discussie wordt overigens ook al decennia lang gevoerd en komt steeds weer terug op hetzelfde: De kwaliteit van het aanbod en niet de prijs van de toegang bepaalt of een voorstelling succesvol is of niet.

Floris Wijers

De auteur voltooide de opleiding tot uitvoerend balletdanser aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Meer over