Kunstlicht

Wat hadden ze het graag zelf uitgevonden, het licht. Goddelijke en onuitputtelijke inspiratiebron van kunstenaars. Maar het was er al. De kunstenaar rest niets anders dan het zich eigen te maken, in te kapselen, te vangen. Drie moderne kunstwerken getuigen van die even oude als kansloze strijd.

DOOR WIETEKE VAN ZEIL

1 Catch me if you can

Het onbereikbare licht

Tussen Plato's allegorie van de grot en Walter De Maria's kunstwerk The Lightning Field (1977) zit 2.400 jaar. Toch maakt het kunstwerk op subtiele wijze de kern van de allegorie duidelijk.

Hier is Plato's grot uit 380 voor Christus: de mens zit als gevangene in een grot, geketend en met zijn rug gekeerd naar de uitgang, van waar een vuur komt en het licht buiten de grot dat de hogere, onveranderlijke werkelijkheid is. De gevangene kan zich niet omkeren, en ziet slechts de achterwand van de grot. Tussen het vuur en de rug van de gevangene bewegen de dingen. Maar de gevangene ziet daarvan slechts de schaduwen op de grotwand. Wie het licht echt wil kennen, zal moeten lijden. Die zal zichzelf moeten ontketenen en omdraaien. Verstijfd en gewend aan de duisternis zal het ware licht eerst verblinden. En eenmaal gewend aan het licht buiten de grot, is terugkeer even pijnlijk, wetende wat de rest niet weet, en de duisternis ontwend.

De jacht op het licht is pijnlijk en vrijwel onmogelijk. Laat daar, in de loop van de tijd, nu een vacature zijn ontstaan voor de kunstenaar. Een bemiddelende rol die hij al eeuwen vervult. De kunstenaar probeert de bron van licht en kennis te vangen en weer te geven, soms op het destructieve af - zie Bavink, uit Nescio's Titaantjes, die mal werd omdat hij de zon niet kon schilderen. De kunstenaar stelt het licht scherp, regisseert, manipuleert en verbeeldt tot slot ook onze heilloze pogingen het na te jagen.

Die poging het hogere met het aardse te verbinden, resoneert in The Lightning Field (1977): een subliem landschapsstuk in de echte wereld. Vanger van licht in de duisternis, een uitdaging van mens aan het hogere, een ode aan de bronnen buiten ons: licht, kracht, elektriciteit. Vierhonderd enorme metalen staven in een godverlaten landschap in New Mexico, op een veld van een kilometer bij een mijl, die de bliksem proberen te vangen. Het hemelse wordt brutaal naar het aardse getrokken, kom hier dan.

Het werk zelf kennen veel meer mensen van foto's dan dat ze het in werkelijkheid hebben gezien, omdat het nogal afgelegen ligt. Het lopen tussen die metalen staven moet voelen als een dreigende spanning in de stilte. Dat desolate veld, met niets dan natuur en metalen speren. Ze weerkaatsen het licht onweerstaanbaar. Maar trekken dan, als het weer omslaat, de bliksem aan. Het onverdraaglijke licht.

De mens jaagt kennis na als een vuurbal die steeds wegschiet en die, als hij hem wel zou kunnen vangen, de mens ter plekke zou verbranden. Het don't push this button-gevoel: aantrekkelijk maar gevaarlijk. De vergelijking tussen licht en kennis is zo oud als de mens zelf en volgens de bijbel zelfs nog ouder. Maar écht kennen, kunnen we niet, en recht in het licht kijken evenmin.

2 De spiegel als metafoor

Het indirecte licht

In 2006 stond precies voor het Rockefeller Plaza bij Fifth Avenue in Manhattan een spiegel met een diameter van 10,6 meter naar de hemel te wijzen. Op zo'n manier dat de hemel én een deel van de wolkenkrabber ervoor zichtbaar werden in de spiegel - bolle kant naar de straat, holle kant naar de hemel.

Sky Mirror van de kunstenaar Anish Kapoor, dat op diverse plaatsen is uitgevoerd in 2001, 2006 en 2011, heeft de attractiewaarde van een gigantische lachspiegel en tegelijk de zwijgzaamheid van een reuzenboeddha, zoals die glanzende megasatelliet daar al het voorbijgaande gepeupel in het niet deed zakken.

Kapoor is de man van de grote gebaren, de was-kanonnen in musea en gigantische blobs in paleizen. Klein en verfijnd ga je het niet krijgen bij hem. Maar dit werk lijkt des te paradoxaler, en roept daarom heviger reacties op.

Critici zijn er nog niet uit: is Kapoors Sky Mirror spectaculair of verheven? Glamorous of filosofisch? De spiegels stellen de paradox zelf aan de orde en vormen, vrij simpel, een beeld van de verbintenis tussen de schijnbaar onverenigbare uitersten. Materiaal en non-materiaal, het letterlijke en het metaforische, bling bling en het sublieme. Ze vangen het licht en poef, kaatsen het meteen weer door.

De spiegel maakt, in de kunst, soms zichtbaar wat niet direct gezien kan worden, of bereikt. De wolken uit de hemel waren voor even op Rockefeller Plaza en tussen het gras van Kensington Gardens in Londen.

Het brengt behalve een paar opmerkingen in de bijbel ('want nu zien we nog in spiegels, maar straks oog in oog') ook Augustinus in herinnering, die de kennisleer van Plato aanvulde. Het licht van de onveranderlijke waarheid werd bij hem 'goddelijk illuminatie'. Ofwel, alle kennis kan pas worden begrepen als deze is beschenen door goddelijk licht. Dat licht wordt indirect gezien, namelijk in de aardse dingen: 'Ik was echter niet bij machte er mijn blik op gevestigd te houden: mijn onvermogen werd teruggestoten en ik kwam weer terecht bij de gewone dingen', schrijft hij in zijn Belijdenissen (397-98 na Christus), en haalt dan de bijbel aan: 'Dat uw onzichtbaarheden sinds de schepping van de wereld begrepen en gezien worden door middel van de dingen die geschapen zijn, en ook uw eeuwige macht en uw goddelijkheid.'

In de oude Noord-Europese altaarstukken zie je deze lichttheorie soms mooi, maar vrij overzichtelijk verbeeld: door baby Jezus zelf, die in de stal als de enige bron van licht straalt. Naar een visioen van de heilige Brigitta van Zweden. Maar in Sky Mirror, dat gigantische glimmende juweel, parmantig in de stad en natuur geplant, wordt die verbondenheid van het materiële en het immateriële, van hoog en laag, als één groot en leesbaar symbool gevangen.

3 Het alziend oog

Hoe het licht zelf verheven werd

Toeval is het natuurlijk niet: licht werd het hoofdonderwerp in de kunst op het moment dat elektrisch licht werd uitgevonden. Het gaslicht in 1814, de gloeilamp in 1854. Toen we eindelijk op grote schaal zelf ons huis, onze kerk, onze cafés, straten en gebouwen konden verlichten. De 19de eeuw was de eeuw van het licht, en van God hoefde dat niet meer te komen. Wij draaien wel aan de knoppen.

Een Amerikaanse dichter, Ralph Waldo Emerson, schrijft in zijn essay Nature: 'Ik verword tot een transparante oogbal; ik ben niks; ik zie alles; de stromingen van het Universele Wezen circuleren door me heen; ik ben deel of partikel van God.' Het is 1836 en tijd voor een copernicaanse wending in het denken over licht. Het komt niet meer van boven, het zit híer. In de natuur, en van die natuur zijn wij onderdeel. Het goddelijke is naar binnen geschoven. De mens gaat op in de natuur, die 'subliem' wordt. Het licht zelf krijgt haast goddelijke kracht, bij Whistler en Turner, Monet en Van Gogh.

Maar het is, zoals criticus Robert Hughes in Amerikaanse visioenen (1997) aangeeft, een kunstenaar van ruim een eeuw later die het idee van the transparent eyeball uit Emersons essay vormgeeft. James Turrell (1943), wiens hele oeuvre een poging tot een antwoord is op de vraag of licht zélf kunst kan zijn. Hij maakt ruimten en 'lijsten', vensters waardoorheen je niets dan de hemel ziet. Een van die werken, Celestial Vault (1996), ligt in de duinen bij Kijkduin. Je ziet de omgeving niet meer, slechts de lucht. Zoals de kikker in de put in het sprookje, die zich van het bestaan van de rest van de wereld niet bewust is. In zijn skyspaces wordt je blik soms gestuurd door een belichting van de ruimte waarin je je begeeft, de 'lijst' om het venster. Die verandert de perceptie - maar niet de lucht zelf. Turrells pièce de résistance, nog onvoltooid en ook weer door veel meer mensen op foto's gezien dan in het echt, is de gigantische 'transparante oogbal': de Roden-krater in Arizona. Een leeggevallen, 400 duizend jaar oude krater van een gewezen vulkaan, die Turrell in 1979 kocht en langzaam bewerkt tot een groot kunstwerk. Ook een kunstwerk waar je in kunt, om boven je het licht zelf te zien, maar dan 5 kilometer in doorsnee. De randen werden bewerkt en glad gemaakt, zodat ze functioneren als een enorme lens naar het licht.

Het is alles en niets tegelijk, je wereld wordt tegelijkertijd heel klein, en onmetelijk groot. Emerson deed de voorzet en Turrell kopte het honderdvijftig jaar later in. Op een manier die zo één met de natuur is, dat de dichter het zich waarschijnlijk niet had kunnen voorstellen.

En er was licht

De 19de eeuw was de eeuw van het licht, dankzij de gaslamp en het elektrische peertje. Sindsdien hoeft het licht niet meer van God te komen. Wij draaien wel aan de knoppen.

undefined

Meer over